ECLI:NL:TADRSGR:2025:53 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-508/DH/RO
ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:53 |
---|---|
Datum uitspraak: | 17-03-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-508/DH/RO |
Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de bijstand in een hoger beroepsprocedure tegen het UWV. Klacht ongegrond. Kern van de klacht is dat verweerster medische stukken niet heeft ingediend. De raad kan niet vaststellen dat verweerster heeft toegezegd de stukken te zullen indienen. Verweerster heeft bovendien het concept met de aanvullende stukken aan klager voorgelegd en die heeft daar zijn akkoord op gegeven. Dat verweerster tegen de rechter heeft gelogen is onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 17 maart 2025 in
de zaak 24-508/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: [mw. A]
over
verweerster
gemachtigde: mr. B.D.W. Martens
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 11 november 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 3 juli 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/75 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 februari 2025. Daarbij
waren verweerster en haar gemachtigde aanwezig. De gemachtigde van klager heeft via
een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 32. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mails met bijlagen van 15 juli 2024 en 5 februari 2025 van de gemachtigde
van klager en de e-mail met bijlagen van 22 juli 2024 van verweerster.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager ontving sinds 4 oktober 2000 een Wajong-uitkering wegens psychische
problematiek. In de periode van 31 januari 2013 tot en met 24 april 2017 heeft het
UWV de uitkering aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
2.3 Bij besluit van 6 september 2021 heeft het UWV klagers Wajong-uitkering en
zijn toeslag met ingang van 1 januari 2017 beëindigd, omdat klager sinds die tijd
(grotendeels) in het buitenland verbleef.
2.4 Klagers bezwaar hiertegen is bij besluit van 23 november 2021 ongegrond verklaard.
2.5 Namens klager is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 9 juni
2022 heeft de rechtbank klagers beroep ongegrond verklaard.
2.6 Klager heeft verweerster benaderd voor bijstand bij het hoger beroep. Verweerster
heeft namens klager hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank.
2.7 Op 9 augustus 2022 heeft verweerster, namens klager, een aanvullend hoger
beroepschrift ingediend bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
“6. Appellant heeft hierdoor zijn medisch dossier van zijn psychiatrische opname
in het UMCG opgevraagd zodat er een beter beeld van de medische situatie kan worden
gegeven. Zodra appellant in het bezit is van deze stukken zullen deze worden toegevoegd
aan het dossier.”
2.8 Klager heeft verweerster op 7 september 2022 gemachtigd om zijn medisch dossier
over de periode 2016 tot en met 2019 op te vragen bij Menzis.
2.9 In mei 2023 heeft verweerster nadere stukken ingediend bij de CRvB. Zij heeft
de conceptmail, waarin de producties worden benoemd en gemotiveerd, via WhatsApp met
klager gedeeld. Het UMCG-rapport is niet als productie opgenomen. Klager heeft daarop
gereageerd met: “Oke ik begrijp het goed jij weet het beter dankjewel”
2.10 Op 14 september 2023 is de zaak mondeling behandeld door de CRvB.
2.11 Bij beslissing van 26 oktober 2023 heeft de CRvB de uitspraak van de rechtbank
bevestigd.
2.12 Op 7 november 2023 mailt de gemachtigde aan verweerster dat zij bezwaar
heeft tegen de uitspraak en dat zij het UMCG-rapport niet terugziet. “In uw protocol
zegr U dat derden de umcg rapport niet mogen krijgen alleen de rechters en ik U erop
gewijst hebt dat uwv niet de rapport van umcg mag krijgen is dat toch gebeurt”
2.13 Verweerster heeft diezelfde dag gereageerd:
“Het klopt dat u mij gevraagd heeft om in de hoger beroepsprocedure bij de Centrale
Raad het medisch dossier op te vragen bij het UMCG. (…) Het klopt ook dat de medische
stukken niet zijn ingediend. Nadat de medische stukken zijn ontvangen en na bestudering
van deze stukken ben ik tot de conclusie gekomen dat de inhoud van de stukken niet
bijdragen aan de juridische vraagstuk in deze zaak.
Daarnaast heeft u mij uitdrukkelijk verzocht om het medisch dossier van het UMCG
niet met het UWV te delen. Ik heb u toen verteld dat het UWV een procespartij is en
dat de medische stukken niet aan de rechtbank mag overleggen zonder deze met het UWV
te delen.
Gezien het gegeven dat de medische stukken niet relevant zijn geacht alsook het
uitdrukkelijk verzoek van u om deze medische stukken niet met het UWV te delen zijn
deze dan ook niet ingediend. Ik verkeerde in de veronderstelling dat u dit begreep.
(…)
Kern van beide uitspraken is dus dat er niet aangetoond kan worden dat er in 2017
een medische noodzaak was voor [klager] om in Turkije te verblijven. (…) Het UWV heeft
de medische situatie van [klager] dan ook niet betwist. De noodzaak om naar Turkije
af te reizen in 2017 dan wel 2020 is niet gebleken. Ook blijkt niet dat de voor [klager]
noodzakelijke zorg vanaf 2017 niet in Nederland geleverd kon worden. De huisarts heeft
in 2022 nog aangegeven dat er behandeling en ondersteuning in Nederland mogelijk is.”
2.14 Op 9 nov 23 stelt de gemachtigde van klager verweerster aansprakelijk ‘voor
het verborgen houden en het inleveringsplicht van zijn medische rapporten niet in
gediend heeft bij de rechter. En dat u iedereen voorgelogen heeft met bewijzen’.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster, de klacht samenvattend, het volgende:
a) Verweerster heeft belangrijke onderbouwing (een rapport van het UMCG) niet
ingeleverd bij het hoger beroep. Daardoor heeft klager de zaak verloren.
Klager stelt dat verweerster verplicht was voldoende bewijs in te dienen, maar zij
heeft dat niet gedaan, waardoor klager de zaak verloren heeft. Klager stelt dat verweerster
hierover gelogen heeft: hij dacht dat ze alle bewijzen had ingeleverd.
b) Verweerster heeft tegen de rechter gelogen.
Klager stelt dat het ging over Menzis en dat verweerster met de verpleger in contact
was gekomen en het verslag had gevraagd. Klager stelt dat dit niet heeft plaatsgevonden.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat zij nimmer
heeft toegezegd dat medische stukken van het UMCG zouden worden ingediend. Klager
wilde niet dat het UMCG-rapport in bezit kwam van het UWV en verweerster was van mening
dat het indienen van het rapport niet zou bijdragen aan het juridische vraagstuk.
4.2 Verweerster betwist dat zij ter zitting tegen de rechter heeft gelogen.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Ter zitting is namens verweerster aangevoerd dat de klacht door de gemachtigde
van klager is ingediend, maar dat door haar geen machtiging is overgelegd. De raad
heeft klager en zijn gemachtigde, met medeweten van verweerster, in de gelegenheid
gesteld om binnen een week een machtiging te overleggen. Dat heeft de gemachtigde
van klager op 5 februari 2025 gedaan. Voor zover het verweer op dit punt wordt gehandhaafd,
zal de raad dit passeren omdat (alsnog) een machtiging is overlegd. De klacht is dan
ook ontvankelijk.
Toetsingskader
5.1 De klacht gaat over de dienstverlening van verweerster als advocaat van klager.
Bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening aan een cliënt houdt de
tuchtrechter rekening met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de
wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes – kostenrisico en proceskansen
– waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid
is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer
in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat
zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele
standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid
die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden
mag worden verwacht. Binnen de beroepsgroep is voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit
geen sprake van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van
een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden
mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2 De kern van het verwijt is dat verweerster medische stukken (van in ieder
geval het UMCG) niet heeft ingediend bij de CRvB, terwijl zij dat – volgens klager
– wel had toegezegd. Verweerster heeft betwist deze toezegging te hebben gedaan en
de stukken van het UMCG zijn door haar ook niet ingediend.
5.3 De raad kan niet vaststellen dat verweerster heeft toegezegd de stukken van
het UMCG te zullen indienen bij de CRvB. Verweerster heeft op 7 november 2023 per
e-mail aan de gemachtigde van klager laten weten dat omdat hij niet wilde dat de stukken
van het UMCG bekend zouden worden bij het UWV, het daarom procesrechtelijk niet mogelijk
was dat de stukken in de procedure zouden worden ingediend. Verweerster stelt dat
zij dit eerder al telefonisch met klager en/of zijn gemachtigde heeft besproken. Daar
komt bij dat verweerster de conceptmail met aanvullende stukken aan klager heeft voorgelegd
en dat hij daar zijn akkoord op heeft gegeven. In die conceptmail werden de verschillende
in te dienen stukken genoemd. De stukken van het UMCG kwamen daarin niet voor. Mede
gelet op die goedkeuring van klager, kan verweerster niet achteraf het verwijt worden
gemaakt dat zij de UMCG-stukken niet heeft ingediend. Overigens heeft verweerster
ook in genoemd e-mailbericht aan klager gemeld dat de medische stukken niet relevant
waren voor de juridische beoordeling. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
5.4 Voor zover klager verweerster ook verwijt dat zij andere (medische) stukken
niet heeft ingediend, geldt ook hier dat klager akkoord heeft gegeven op de conceptmail
van verweerster over de aanvullende stukken.
Klachtonderdeel b)
5.5 Klager verwijt verweerster dat zij tegen de rechter heeft gelogen: verweerster
zou met een verpleegkundige van een zorgkantoor hebben gesproken, terwijl er geen
verpleegkundige is geweest. Verweerster heeft betwist te hebben gelogen. De raad kan
dat bij gebrek aan verdere concretisering en onderbouwing ook niet vaststellen. Dit
klachtonderdeel is ongegrond.
Tot slot
5.6 Voor zover klager verweerster ook verwijten maakt over de gang van zaken
op de zitting, zoals dat klager(s gemachtigde) van verweerster niks mocht zeggen,
geldt dat dit door klager niet is onderbouwd. De raad kan dit dan ook niet vaststellen.
Dat verweerster tekort is geschoten in haar bijstand aan klager is de raad niet gebleken.
De klacht is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.C.A. de Groot, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 maart 2025