ECLI:NL:TADRSGR:2025:52 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-412/DH/RO
ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:52 |
---|---|
Datum uitspraak: | 17-03-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-412/DH/RO |
Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
Beslissingen: | Beslissing op verzet |
Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 17 maart 2025 (bij
vervroeging)
in de zaak 24-412/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 14 augustus 2024 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 januari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 4 juni 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/64 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 14 augustus 2024 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk
en deels kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden
aan partijen.
1.4 Bij brief van 11 september 2024 (ontvangen op 13 september 2024) heeft klager
verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 3 maart 2025. Daarbij
waren verweerster en haar gemachtigde aanwezig. Klager is – hoewel behoorlijk opgeroepen
– niet ter zitting verschenen.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Klager
lijkt in zijn klacht en in zijn verzet de achterliggende procedure over te willen
doen, terwijl het niet aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter is om daarover
te oordelen. De voorzitter heeft de klacht dus terecht en op juiste gronden kennelijk
ongegrond bevonden.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A. Schaberg en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2025 (bij vervroeging).
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 maart 2025