ECLI:NL:TADRSGR:2025:51 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-399/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2025:51
Datum uitspraak: 17-03-2025
Datum publicatie: 02-04-2025
Zaaknummer(s): 24-399/DH/RO
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 17 maart 2025 in de zaak 24-399/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 14 augustus 2024 op de klacht van:

klager
gemachtigde: [dhr. V]

over:


verweerster


1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 februari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 30 mei 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/60 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 14 augustus 2024 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 12 september 2024 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 3 februari 2025. Daarbij waren klager, zijn gemachtige en verweerster aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de ter zitting overgelegde stukken, te weten een e-mail van verweerster van 23 januari 2024 en de reactie daarop van klager van diezelfde dag.

2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen. Klager stelt dat de voorzitter geen overweging heeft gewijd aan de kern van het verwijt, namelijk dat verweerster een kort geding liet plaatsvinden een dag voor de geplande afspraak, anders dan een verwijzing naar de kostenveroordeling in het kort geding vonnis. Klager stelt dat verweerster onnodig schade zonder redelijk doel bij klager heeft veroorzaakt. Zij had een kort geding datum moeten aanzeggen na de datum van de geplande afspraak. Klager stelt dat je niet in rechte kunt worden aangesproken voor een feit dat nog niet heeft plaatsgevonden.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Verweerster heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op de correspondentie met klager in 2023 en (met name) januari 2024. De raad is met de voorzitter van oordeel dat niet is gebleken dat klager voldoende duidelijk heeft toegezegd dat hij zijn onvoorwaardelijke medewerking zou verlenen aan de asbestinventarisatie en opvolgende werkzaamheden. Het is daarom, zoals ook de voorzieningenrechter al heeft geoordeeld, niet onbegrijpelijk dat verweerster mede gelet op het belang bij een ononderbroken voortgang van de geplande werkzaamheden namens de verhuurder een kort geding is gestart. Niet gebleken is dat verweerster klagers (financiële) belangen daarmee onnodig heeft geschaad. De voorzitter heeft de klacht dus terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond bevonden.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.C.A. de Groot, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 17 maart 2025