ECLI:NL:TADRSGR:2025:50 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-398/DH/RO
ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:50 |
---|---|
Datum uitspraak: | 17-03-2025 |
Datum publicatie: | 02-04-2025 |
Zaaknummer(s): | 24-398/DH/RO |
Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
Beslissingen: | Beslissing op verzet |
Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 17 maart 2025 in
de zaak 24-398/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 14 augustus 2024 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 24 januari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 30 mei 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/59 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 14 augustus 2024 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a van de
Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op handelen of nalaten
van verweerder voor 24 januari 2021. De voorzitter heeft de klacht voor het overige
kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 12 september 2024 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 3 februari 2024. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager is het niet eens met de verjaringstermijn en stelt dat voor sommige dingen
een veel langere verjaringstermijn bestaat.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De voorzitter
heeft de klacht terecht deels niet-ontvankelijk verklaard vanwege tijdsverloop. De
raad is verder met de voorzitter van oordeel dat van klachtwaardig handelen van verweerder
vanaf 24 januari 2021 niet gebleken is. De voorzitter heeft de klacht dus terecht
deels niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond verklaard.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.C.A. de Groot, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 maart 2025