ECLI:NL:TADRSGR:2025:47 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-012/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2025:47
Datum uitspraak: 12-03-2025
Datum publicatie: 02-04-2025
Zaaknummer(s): 25-012/DH/RO
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiezaak in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Misbruik van recht.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 maart 2025
in de zaak 25-012/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 8 januari 2025 met kenmerk R 2025/001 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 24. Ook heeft de voorzitter kennis genomen van de e-mails met bijlagen van klager van 28 januari 2025.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner hebben gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind (hierna: het kind). Klager en de ex-partner zijn verwikkeld (geweest) in verschillende procedures over onder meer de omgang met en de ondertoezichtstelling (OTS) van het kind.
1.2 Verweerster staat de ex-partner bij.
Familierechtelijke zaken
1.3 Bij brief van 17 april 2024 heeft een medewerker van de Jeugdbescherming aan de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een onderzoek te starten naar een gezagsbeëindigende maatregel betreffende het kind.
1.4 Bij vonnis van 2 juli 2024 heeft de rechtbank aan de ex-partner onder meer vervangende toestemming verleend voor de aanvraag van een paspoort en ID-bewijs voor het kind.
1.5 Op 22 juli 2024 is er een zitting geweest over (de verlenging van) de OTS. Klager, zijn advocaat en verweerster waren daarbij aanwezig. Uit het proces-verbaal volgt dat verweerster onder meer heeft verklaard:
“Hoewel moeder het er niet mee eens is als de Raad zou adviseren haar gezag te beëindigen, ziet moeder ook niet meer echt een oplossing. Misschien als beide ouders, of in ieder geval vader van het gezag wordt ontheven, dat die strijd dan stopt.”
1.6 Op 23 juli 2024 is vonnis in kort geding gewezen in een door klager gestarte procedure voor vervangende toestemming om met het kind in de zomervakantie op reis te gaan naar Bosnië. De voorzieningenrechter heeft klagers vorderingen afgewezen.
1.7 Bij beschikking van 5 augustus 2024 heeft de kinderrechter de OTS van het kind verlengd tot 30 augustus 2025.
1.8 Klager heeft tegen de hiervoor genoemde vonnissen en beschikkingen steeds hoger beroep ingesteld.
1.9 Op 4 oktober 2024 schrijft klager in een e-mail aan verweerster:
“De vader wil met [kind] naar Herfstvakantie in Bosnië alsmede wintervakantie 2024.
Aangezien u zomervakantie hebt geweigerd met GI ten onrechte verneem ik of uw cliënt en u toestemming verleent voor de herfstvakantie alsmede wintervakantie naar Bosnië. (…)
Ik verneem graag binnen 10 dagen.”
1.10 Op 11 oktober 2024 stuurt een medewerker van de Jeugdbescherming een e-mail aan klager en de ex-partner over de verdeling van de herfst- en kerstvakantie.
1.11 Klager reageert diezelfde dag en schrijft dat hij niet akkoord gaat en de rechtbank zal verzoeken om een oordeel. Op 25 oktober 2024 is klager hierover een procedure bij de rechtbank gestart. Op 15 november 2024 heeft klager de rechtbank verzocht de OTS van het kind op te heffen.
1.12 In het roljournaal van het gerechtshof is op 29 oktober 2024 als handeling vermeld ‘memorie van antwoord.’
1.13 Op 30 oktober 2024 mailt klagers advocaat aan verweerster dat uit het roljournaal blijkt dat verweerster een memorie heeft genomen, maar dat klagers advocaat daarvan geen exemplaar heeft mogen ontvangen. Zij verzoekt verweerster haar uiterlijk 4 november 2023 een exemplaar toe te sturen van de memorie.
1.14 In reactie daarop laat verweersters secretaresse die dag aan klagers advocaat weten dat verweerster uitstel heeft gevraagd voor het indienen van de memorie van antwoord en dat het uitstel ambtshalve wordt verleend.
1.15 Op 7 november 2024 dient verweerster de memorie van antwoord in bij het gerechtshof. Zij heeft klagers advocaat een kopie van deze e-mail (met de memorie) gestuurd.
1.16 Op 6 november 2024 dient klager bij de deken een klacht in over verweerster.
1.17 Op 19 november 2024 dient verweerster bij het gerechtshof een verweerschrift in hoger beroep in, naar aanleiding van het door klager tegen de beschikking van 5 augustus 2024 ingestelde hoger beroep. In het verweerschrift schrijft verweerster onder meer:
“Vader geeft aan een verzoek eenhoofdig gezag te hebben ingediend in Bosnië. (….) Vader dient een verzoek in in Bosnië waarbij hij aangeeft dat alle partijen en [kind] in Bosnië woonachtig zijn. (…) Overgelegd wordt als productie 4 het verzoek van de man in Bosnië en de vertaling.”
1.18 In het roljournaal van het gerechtshof is op 10 december 2024 als handeling vermeld ‘herstel verzuim dg’ met als aanvulling ‘geint. Overleggen 4 procesdossiers.” Op 17 december 2024 is vermeld dat het verzuim niet is hersteld.
1.19 Op 13 december 2024 heeft de kinderrechter beslist op de op 25 oktober 2024 en 15 november 2024 door klager gedane verzoeken. De kinderrechter heeft het verzoek om opheffing van de OTS afgewezen.
1.20 Op 16 december 2024 dient verweerster nadere stukken in bij het gerechtshof, te weten de beschikking van de rechtbank van 13 december 2024.
1.21 Op 3 januari 2025 schrijft klagers advocaat in een e-mail aan het gerechtshof onder meer:
“Uit het roljournaal bleek dat onderhavige kwestie door uw Gerechtshof ambtshalve peremptoir op 17 december 2024 is geroyeerd.
De reden hiervoor wat dat geïntimeerde, ook na hersteltermijn, heeft verzuimd in viervoud het procesdossier bij uw Gerechtshof aan te leveren. (…)
Van uw griffier begreep ik dat onderhavige kwestie kan worden hervat/opnieuw kan worden aangebracht bij uw Gerechtshof.
Hierbij verzoek ik uw Gerechtshof de kwestie opnieuw in behandeling te nemen”
Tuchtrechtelijke zaken
1.22 Klager heeft drie keer eerder een tuchtklacht over verweerster ingediend, steeds over haar optreden voor de ex-partner in de procedures over het kind.
1.23 De eerste klacht dateert van 20 januari 2022. Deze klacht is op 31 augustus 2022 door de voorzitter van de raad van discipline kennelijk ongegrond verklaard (ECLI:NLTADRSGR:2022:147). Het door klager ingestelde verzet is op 16 januari 2023 ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRSGR:2023:13).
1.24 De tweede klacht dateert van 19 januari 2024. Deze klacht is op 17 april 2024 door de voorzitter van de raad van discipline kennelijk ongegrond verklaard (ECLI:NLTADRSGR:2024:84). Er is geen verzet ingesteld.
1.25 De derde klacht dateert van 2 februari 2024. Deze klacht is op 17 april 2024 door de voorzitter van de raad van discipline kennelijk ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRSGR:2024:85). Er is geen verzet ingesteld.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.
1) Verweerster heeft op 29 oktober 2024 een memorie van antwoord ingediend bij het gerechtshof. Klagers advocaat heeft verzocht om toezending van de memorie van antwoord, maar verweerster heeft op dat verzoek niet gereageerd. Zij ‘zwijgt met de ketenpartners en weigert alle medewerking’.
2) Verweerster is, samen met de Jeugd- en Kinderbescherming, medeplichtig aan kindermishandeling en het ontvoeren van het kind.
3) Verweerster heeft op 22 juli 2024 tegen de kinderrechter verteld dat ‘haar cliënt geen andere keuze dan heeft als haar gezag ook beindigd moet worden’. Verweerster wil dus geen compromissen met het gezag van of afspraken met klager. Zij verkoopt het kind aan de Jeugdbescherming en handelt in strijd met artikel 1:247 BW voor kinderhandel en commercieel pleegzorg.
4) Verweerster verspreidt leugens in haar memorie van antwoord aan het gerechtshof. Zij beschuldigt klager er onder meer van dat hij het kind zal ontvoeren, terwijl dat nergens op is gebaseerd. Ook stelt zij dat klager is veroordeeld, terwijl hij alleen voorwaardelijke voorwaarden heeft gekregen.
5) Verweerster moedigt haar cliënt aan een locatieverbod bij de politie te eisen, terwijl de politie dit niet adviseert en de strafrechter dit heeft afgewezen.
6) Verweerster laat het paspoort van het kind niet teruggeven aan klager, terwijl de rechtbank het verzoek heeft afgewezen om het paspoort permanent te houden.
7) Verweerster heeft niet tijdig gereageerd op klagers e-mail van 4 oktober 2024, waardoor het voor klager nodig was een nieuw verzoekschrift in te dienen bij de rechtbank. Verweersters handelwijze is in strijd met art. 1:247 BW, waarin staat dat ouders hun kind zelf moeten opvoeden. Verweerster laat de opvoeding van het kind aan derden over en handelt daarmee in strijd met dit artikel.
8) Verweerster heeft kinderbijslag en KGB aangevraagd zonder vooraf afspraken te maken.
9) Verweerster beschuldigt klager dat ‘hij haar cliënt adres heeft achterhaald’. Ook hier kleurt en verspreidt verweerster heftige leugens over klager.
10) Verweerster heeft niet aan het verzoek van het gerechtshof van 10 december 2024 voldaan om de stukken in viervoud toe te sturen. Klager en zijn advocaat hebben geen stukken gekregen.
11) Verweerster heeft geen verzoekschrift van klager of zijn advocaat ontvangen uit Bosnië. Zij heeft dit verzoekschrift direct ontvangen via de Jeugdbescherming en vertaald, zonder na te gaan of het verzoekschrift is ingediend bij de rechtbank in Bosnië. De Jeugdbescherming mocht het verzoekschrift niet delen (schending AVG).
12) Verweerster stuurt de beschikking van 13 december 2024 op 16 december 2024 aan het gerechtshof, terwijl ze te laat is met het indienen van de stukken.
13) Verweerster schrijft aan het gerechtshof dat zij en haar cliënte niets hebben aan de bevindingen van dokter G. Ze negeren het dubbele paspoort en nationaliteit van het kind en het recht op onafhankelijk onderzoek.
2.2 Klager stelt dat verweerster enorme schade toebreng aan een kind van zes jaar, samen met de ketenpartners die geen hulp en zorg inzetten, maar alleen meer problemen maken voor eigen geld gewin.

3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING
Overweging vooraf
4.1 De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter slechts oordeelt over de vraag of de beklaagde advocaat zich heeft gedragen zoals dat een behoorlijk handelen advocaat betaamt. De tuchtrechter oordeelt niet over het handelen en/of nalaten van andere betrokkenen. De verwijten die klager aan onder meer de ex-partner en de Jeugd- en of Kinderbescherming maakt, zullen daarom niet worden besproken.
Toetsingskader
4.2 Het gaat om een klacht over advocaat van de wederpartij van klager. Voorop staat dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
4.3 Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van de advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, zoals de belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure;
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan;
- het verloop van het geschil tot dan toe; en
- de kans op succes van een procedure in het oog houden.
Klachtonderdeel 1)
4.4 Klager verwijt verweerster dat ze een memorie van antwoord heeft ingediend, maar vervolgens niet heeft gereageerd op het verzoek om toezending van zijn advocaat. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht dat zij op 29 oktober 2024 om uitstel heeft gevraagd. Haar secretaresse heeft dat op 30 oktober 2024 aan klagers advocaat laten weten, in reactie op de vraag om de memorie. Op 7 november 2024 heeft verweerster de memorie ingediend bij het gerechtshof en heeft zij een kopie aan klagers advocaat gestuurd. Klagers verwijt daarmee mist feitelijke grondslag. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 2)
4.5 Klager verwijt verweerster dat zij medeplichtig is aan kindermishandeling en het ontvoeren van het kind. Klager heeft deze vergaande verwijten niet met stukken onderbouwd en er is nog geen begin van aannemelijkheid op dit punt. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 3)
4.6 Klager maakt verweerster een verwijt over wat zij ter zitting over de mogelijke gezagsbeëindiging heeft gesteld. Verweerster heeft ter zitting het standpunt van haar cliënte verwoord, zoals zij dat mocht doen als partijdig belangenbehartiger van haar cliënte. Het is duidelijk dat klager het daarmee oneens is. Dat maakt klagers verwijten nog niet terecht. Voor zover klager stelt dat de cliënte niet wist wat verweerster heeft gesteld, geldt dat dit door klager op geen enkele wijze is onderbouwd. Van klachtwaardig handelen van verweerster is dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 4)
4.7 Klager verwijt verweerster dat zij leugens verspreidt in haar memorie van antwoord. Ook hier geldt dat verweerster het standpunt van haar cliënte heeft verwoord, zoals zij dat mocht doen als partijdig belangenbehartiger. Dat sprake is van leugens, wordt door klager niet met stukken onderbouwd. Dat hij de zaken anders ziet, maakt niet dat sprake is van leugens. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 5)
4.8 Klager verwijt verweerster dat zij haar cliënte aanmoedigt een locatieverbod te eisen. Dit verwijt is niet met stukken onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt hiervan niet. Dit verwijt mist dan ook feitelijke grondslag en is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 6)
4.9 Klager verwijt verweerster dat zij het paspoort van het kind niet laat teruggeven. Voor zover het paspoort al aan klager zou moeten worden teruggegeven, is het aan de cliënte van verweerster om dit te doen. Verweerster kan op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 7)
4.10 Klager verwijt verweerster dat zij niet tijdig heeft gereageerd op klagers e-mail, waardoor hij genoodzaakt was een nieuwe procedure te starten. Klagers verzoek zag op toestemming om in de herfst- en kerstvakantie met het kind op vakantie te gaan. Hoewel uit de overgelegde stukken niet blijkt of verweerster heeft gereageerd, blijkt wel dat de Jeugdbescherming op 11 oktober 2024 een mail heeft gestuurd over de verdeling van de vakanties. Klager heeft diezelfde dag laten weten dat hij het er niet mee eens is en de rechtbank om een oordeel zal vragen. Dat klager zich genoodzaakt zag een procedure te starten, lijkt daarmee vooral ingegeven door de voorgestelde verdeling en niet door het mogelijke uitblijven van een reactie van verweerster. In het geval verweerster niet heeft gereageerd, is dat niet direct tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager had op zijn minst een herinnering kunnen sturen. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 8)
4.11 Klager verwijt verweerster dat zij kinderbijslag en/of KGB heeft aangevraagd. Uit de overgelegde stukken lijkt te volgen dat niet verweerster, maar haar cliënte, dit heeft gedaan. De feitelijke grondslag voor dit verwijt ontbreekt. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 9)
4.12 Klager verwijt verweerster dat zij hem beschuldigt dat hij het adres van haar cliënte heeft achterhaald. Klager laat na om dit te concretiseren en onderbouwen. Het is de voorzitter niet duidelijk of/wanneer verweerster deze stelling zou hebben ingenomen. Dit klachtonderdeel is bij gebrek aan feitelijke grondslag kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 10)
4.13 Klager verwijt verweerster dat ze niet aan het verzoek van het gerechtshof om toezending van het procesdossier in viervoud heeft voldaan. Deze klacht betreft de naleving van een procedurele regel die erop is gericht te bewerkstelligen dat het hof over voldoende fysieke kopieën van het dossier beschikt. Het gerechtshof ziet toe op de naleving van deze regel. Klager heeft niet onderbouwd waarom de eventuele niet naleving van deze regel tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 11)
4.14 Klager maakt verweerster verwijten over klagers Bosnische verzoekschrift. Verweerster heeft toegelicht dat klager in zijn processtukken heeft aangegeven dat hij een procedure is gestart in Bosnië. Verweersters cliënte heeft de stukken in bezit gekregen en verweerster heeft deze laten vertalen en naar het gerechtshof gestuurd. Van onbetamelijk handelen van verweerster is de voorzitter niet gebleken. Voor zover het verzoekschrift niet daadwerkelijk in Bosnië zou zijn ingediend, is het aan klager om dat in de procedure bij het gerechtshof aan te voeren. Voor zover klager stelt dat sprake is van smaad en laster, geldt dat hiervan niet is gebleken, nog los van het feit dat het in beginsel aan de strafrechter is om daarover een oordeel te geven. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 12)
4.15 Klager verwijt verweerster dat ze op 16 december 2024 te laat stukken indient bij het gerechtshof. De voorzitter kan dat op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen. Als sprake is van te late indiening, is het aan het gerechtshof om daar zo nodig consequenties aan te verbinden. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 13)
4.16 Klager maakt verweerster verwijten rondom de bevindingen van dokter G. Klager heeft een verklaring van deze dokter overgelegd. Het is de voorzitter niet duidelijk in welke procedure deze verklaring een rol speelt en wat verweerster daarover gezegd zou hebben. Klager heeft dit niet geconcretiseerd en toegelicht, terwijl het aan hem is om zijn klacht aannemelijk te maken. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Nieuwe verwijten
4.17 Voor zover klager in zijn aanvulling van 28 januari 2025 met nieuwe verwijten komt, geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel 46c van de Advocatenwet. Daarin is bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter zal nieuwe verwijten uit dit stuk daarom buiten beschouwing laten.
Misbruik van recht
4.18 De voorzitter stelt vast dat klager voor de vierde keer een klacht over verweerster heeft ingediend. Alle klachten houden verband met haar optreden voor de ex-partner in de procedures over het kind. Alle klachten zijn kennelijk ongegrond verklaard. Klager maakt verweerster daarbij vergaande verwijten, zoals kindermishandeling- en ontvoering, zonder dat concreet te onderbouwen.
4.19 De voorzitter overweegt daarom dat klager er rekening mee moet houden dat nieuwe klachten over (ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen (te weten: verweersters bijstand aan de ex-partner in de procedures over het kind) niet meer in behandeling zullen worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht.

BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.


Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 12 maart 2025