ECLI:NL:TADRSGR:2025:246 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-671/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:246 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-11-2025 |
| Datum publicatie: | 10-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-671/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De verwijten die klager verweerder maakt vloeien voort uit het huurgeschil met de verhuurder en uit het feit dat klager het niet eens is met de door verweerder namens de verhuurder ingenomen standpunten over het bestemmingsplan en de huurovereenkomst. Het stond verweerder echter vrij om deze standpunten in te nemen. De omstandigheid dat klager het met deze standpunten niet eens is, betekent niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daar komt bij dat de inhoudelijke beoordeling van de standpunten die klager en de verhuurder hebben ingenomen is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter heeft daar in het kader van een klachtprocedure geen ruimte voor. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 26 november 2025 in de zaak 25-671/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 2 oktober 2025 met kenmerk R 2025/090, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 17 oktober 2025 en van de e-mail met bijlage van verweerder van 21 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is verwikkeld in een huurgeschil met het Hoogheemraadschap van Rijnland
(hierna: Rijnland). Verweerder heeft Rijnland hierin tot 28 februari 2025 bijgestaan
als teamleider ad interim Juridische Zaken en Vastgoed van Rijnland.
1.2 Klager huurt van Rijnland een pand waarin hij woont en zijn onderneming exploiteert.
In september 2024 zijn huurachterstanden ontstaan.
1.3 Op 17 oktober 2024 heeft klager Rijnland een e-mail gestuurd waarin hij stelt
dat hij het pand illegaal van Rijnland huurt. Daarbij verwijst klager naar informatie
die hij van de gemeente Haarlemmermeer heeft gekregen.
1.4 Op 18 oktober 2024 heeft verweerder klager namens Rijnland telefonisch uitgenodigd
voor een gesprek. Dat gesprek heeft op 31 oktober 2024 plaatsgevonden op het kantoor
van Rijnland. Na het gesprek heeft klager dezelfde dag een e-mail aan Rijnland gestuurd.
Daarop heeft Rijnland een externe advocaat, mr. J., gevraagd om het standpunt van
de interne juristen van Rijnland over de huurovereenkomst met klager te toetsen.
1.5 Op 21 november 2024 heeft verweerder namens Rijnland een e-mail aan klager
gestuurd waarin Rijnland zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van ‘illegale’
bewoning of strijdigheid met het bestemmingsplan en dat geen sprake is van een gebrekkige
huurovereenkomst. Verder heeft verweerder in zijn e-mail vermeld dat Rijnland graag
met klager in gesprek blijft, ook over de huurachterstanden. Klager heeft op deze
e-mail gereageerd en vermeld dat hij bereid is om nader in gesprek te treden.
1.6 Op 6 december 2024 heeft verweerder klager gemaild dat Rijnland een externe
advocaat heeft geraadpleegd en dat deze advocaat namens Rijnland zal deelnemen aan
een vervolggesprek. Dat gesprek heeft op 18 december 2024 plaatsgevonden.
1.7 Op 3 januari 2025 heeft mr. J. een e-mail aan klager gestuurd. De daarna
volgende correspondentie is tussen mr. J. en klager gevoerd.
1.8 Op 10 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder
ingediend. Op 18 februari 2025 heeft klager zijn klacht verder toegelicht.
1.9 Op 24 februari 2025 heeft Rijnland klager gedagvaard voor de kantonrechter
te Haarlem. Rijnland heeft de ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd en betaling
van de huurachterstanden.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en in strijd heeft
gehandeld met gedragsregels (doelmatigheid), 7 (onnodig grievende uitlatingen), 8
(onjuiste informatie verstrekken), 12 (zorgvuldigheid) en 14 (verantwoordelijkheid
uitvoering opdracht). Klager verwijt verweerder dat hij een juridisch onhoudbaar standpunt
heeft ingenomen over de status van het bestemmingsplan, waarbij hij feiten en wetgeving
heeft verdraaid om de positie van zijn cliënt te beschermen. Verder heeft verweerder
cruciale bewijslast genegeerd waaruit blijkt dat de verhuur juridisch onrechtmatig
is. Verweerder heeft de verantwoordelijkheid bij de huurder in plaats van de verhuurder
gelegd en heeft gedreigd met juridische stappen vanwege een huurachterstand, terwijl
de huurovereenkomst juridisch nietig of vernietigbaar is.
2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen
en stukken van klager ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder op dat er een inhoudelijke
juridische discussie speelt over de huurovereenkomst tussen Rijnland en klager en
dat alleen de rechter over deze discussie kan oordelen. Volgens verweerder is daar
in het kader van deze klachtprocedure geen ruimte voor. Ook wijst verweerder op de
grote mate van vrijheid die hem toekomt als advocaat van Rijnland en betwist hij dat
sprake is van handelen in strijd met de gedragsregels. Tot slot voert verweerder aan
dat het door hem namens Rijnland ingenomen juridische standpunt zorgvuldig tot stand
is gekomen na overleg met interne juristen en met mr. J. Volgens verweerder maakt
het enkele feit dat klager zich niet in dat standpunt kan vinden niet dat het standpunt
van Rijnland onjuist is.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De voorzitter stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een
over een advocaat ingediende klacht het handelen van de advocaat waarover wordt geklaagd
moet toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Daarbij is de tuchtrechter
niet gebonden aan de gedragsregels. De gedragsregels kunnen, vanwege het open karakter
van de wettelijke normen, wel van belang zijn voor de invulling van de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen,
hangt echter steeds af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter
van geval tot geval beoordeeld.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
De klacht is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat de verwijten
die klager verweerder maakt voortvloeien uit het huurgeschil met Rijnland en dat klager
het niet eens is met de door verweerder namens Rijnland ingenomen standpunten over
het bestemmingsplan en de huurovereenkomst. Het stond verweerder echter vrij om deze
standpunten namens Rijnland in te nemen. De omstandigheid dat klager het niet eens
is met de door verweerder namens Rijnland ingenomen standpunten, betekent niet dat
verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daar komt bij dat de inhoudelijke
beoordeling van de standpunten die klager en Rijnland hebben ingenomen is voorbehouden
aan de civiele rechter. De tuchtrechter heeft daar in het kader van een klachtprocedure
geen ruimte voor. De voorzitter kan dan ook niet beoordelen of verweerder feiten en
wetgeving in het voordeel van Rijnland heeft verdraaid, of verweerder cruciale bewijslast
heeft genegeerd en of verweerder namens Rijnland een juridisch onhoudbare positie
heeft verdedigd. Dat kan alleen (en moet eerst) door de civiele rechter worden vastgesteld.
Verder is het de voorzitter uit de overgelegde stukken niet gebleken dat verweerder
zich op enig moment onnodig grievend over klager heeft uitgelaten, dat verweerder
informatie heeft gebruikt waarvan hij wist of redelijkerwijs kon weten dat die onjuist
was of dat verweerder zich in zijn bijstand aan Rijnland op zodanige wijze heeft gedragen
dat hij daarmee de belangen van klager onnodig of zonder redelijk doel heeft geschaad.
4.4 Uit het bovenstaande volgt dat de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j lid 1 Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond zal verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in
alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op
26 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 november 2025