ECLI:NL:TADRSGR:2025:245 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-654/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:245 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-11-2025 |
| Datum publicatie: | 10-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-654/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een VvE-kwestie. Klacht deels niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan een eigen, rechtstreeks betrokken belang en voor het overige kennelijk ongegrond. Niet gebleken van onder meer opzettelijke intimidatie, het nemen van onnodige juridische stappen, onnodig kwetsende uitlatingen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 26 november 2025 in de zaak 25-654/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de e-mail van 25 september 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk R 2025/088 en van de op de
inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 27. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen
van de aanvullende stukken van klaagster van 20 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is eigenaar van een appartementsrecht dat deel uitmaakt van een
vereniging van eigenaren (hierna: VvE).
1.2 V is volgens het register van de Kamer van Koophandel sinds 2013 bestuurder
van de VvE. In een mail d.d. 26 april 2018 heeft V geschreven dat zij heeft besloten
haar werkzaamheden neer te leggen. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel bleef
ongewijzigd.
1.3 Eind december 2021 is tussen klaagster en de overige VvE-leden een geschil
ontstaan, nadat zij toestemming van de VvE wenste voor een gerealiseerde verbouwing.
Volgens de overige VvE-leden is waterschade ontstaan door de verbouwing.
1.4 Op 5 januari 2022 heeft VvE-lid S klaagster aansprakelijk gesteld voor (vooralsnog)
€ 85.000,- wegens schade door de lekkage.
1.5 V heeft namens de VvE verweerder benaderd om de belangen van de VvE te behartigen.
Verweerder heeft met VvE-leden V, S en Van E overleg gevoerd.
1.6 Op 7 februari 2022 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van
de VvE plaatsgevonden. Daarbij was verweerder namens de VvE aanwezig. Klaagster werd
vertegenwoordigd door haar partner en twee advocaten. Tijdens de ALV heeft verweerder
diverse voorwaarden aan klaagster gesteld om toestemming van de VvE te krijgen, waaronder
vergoeding van de schade aan S.
1.7 Op 22 april 2022 heeft klaagster aan verweerder, met haar advocaten in de
cc, geschreven:
“Dear [verweerder], please note [advocatenkantoor] is not involved in a discussion
related to plumbing and therefore I invite you not to contact them in regard to this
topic. If you represent my neighbours in this matter please contact me directly or
have them contact me directly, as they prefer. I frankly see no benefit to have lawyers
involved in plumbing or architect matters that are not the speciality of lawyers.
(…)”
Klaagster heeft daarna met haar advocaten afgesproken dat alle onderhandelingen
via de advocaten bleef lopen en dat zij dat niet zelf ging doen.
1.8 Op 27 juni 2022 heeft een ALV plaatsgevonden. Namens klaagster waren hierbij
haar partner en één van de advocaten aanwezig. Ook was architect B op haar verzoek
aanwezig, die een toelichting over de bouwwerkzaamheden heeft gegeven. Deze ALV is
bij afwezigheid van V voorgezeten door S. Na stemming is besloten dat klaagster de
algemene ruimtes binnen twee maanden moest terugbrengen in de oorspronkelijke staat
en een standleiding moest (terug)plaatsen en is een procesvolmacht verleend aan het
bestuur om tegen klaagster te procederen.
1.9 Op 26 juli 2022 heeft een advocaat namens klaagster een verzoekschrift tot
vernietiging van de op de ALV genomen besluiten ingediend.
1.10 Op 3 november 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Daarin
heeft hij onder meer opgenomen:
“(…) 24. Partijen komen er niet uit. Aan de VvE ligt het niet, die heeft te maken
gehad met een illegale aanbouw, veel overlast, schade en een onwillige veroorzaker
en is toch nog onder voorwaarden bereid tot toestemming. (…)”
1.11 Bij beschikking van 17 februari 2023 heeft de kantonrechter de besluiten
over de algemene ruimtes en de standleiding vernietigd. De procesvolmacht is niet
vernietigd.
1.12 Op 18 september 2023 heeft verweerder in een processtuk geschreven:
“(…) anders is de woning straks verkocht, zit [klaagster] in Bergamo en heeft [S]
niets.”
1.13 Op 13 januari 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Daarin
heeft hij onder meer opgenomen:
“Bij iedere kik schakelt zij haar advocaat in, om weer nieuwe juridische wegen te
vinden om de VvE en daarmee de afzonderlijke eigenaren het leven zuur te maken. (…)
De algemene verwijzing naar redelijkheid en billijkheid is misplaatst. [Klaagster]
woont niet aan [het adres]. Zij heeft niet op dagelijkse basis te maken met de afvoer,
rioollucht. Onder het mom van redelijkheid en billijkheid wil zij haar particuliere
mening doordouwen ten koste van de eigenaren die wel daar wonen en al jaren te maken
hebben met de terreur van [klaagster]. Iedere redelijkheid aan haar kant is afwezig,
haar beroep op redelijkheid acht de VvE beschamend.”
1.14 Op 7 april 2024 heeft V zich uitgeschreven als bestuurder van de VvE. Op
15 juli 2024 heeft een ALV plaatsgevonden, waarin onder meer VvE-lid Van E is benoemd
tot voorzitter. Hiertegen is namens klaagster verzoekschrift tot vernietiging van
dat besluit ingediend. De kantonrechter heeft de verzoeken bij beschikking van 10
februari 2025 afgewezen.
1.15 Op 17 februari 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zich als advocaat van de VvE gesteld, terwijl daarvoor geen
toestemming was gegeven door een geldig bestuur en hij dat niet heeft geverifieerd.
b) Verweerder geeft onjuiste, misleidende en lasterlijke uitspraken gedaan over
klaagster die het geschil hebben doen escaleren, door:
1. opzettelijk intimidatie te ondersteunen;
2. onnodige juridische stappen te ondernemen;
3. beledigende en smadelijke uitspraken te doen;
4. klaagster te verzoeken om afstand te doen van haar eigendomsrechten;
5. het proces bij de notaris te belemmeren;
6. ongeautoriseerd gebruik te maken van VvE-gelden.
c) Verweerder maakt misbruik van zijn beroep op zijn geheimhoudingsplicht om
te verhullen dat hij geen geldig volmacht had om namens de VvE op te treden.
d) Verweerder heeft gedragsregel 15 geschonden door gelijktijdig de VvE als de
persoonlijke belangen van V, S en Van E te vertegenwoordigen.
2.2 Ter onderbouwing van haar klacht wijst klaagster op de gedragsregels 1, 2,
6, 7, 9, 16 en 19.
2.3 Klaagster verzoekt daarnaast om een schadevergoeding, alsmede om intrekking
en rectificatie van de beledigende uitspraken die verweerder namens de VvE heeft gedaan.
Klaagster wijst ten aanzien van haar schade op € 55.000,- aan juridische kosten, waarvan
€ 25.000,- wegens de onbevoegde vertegenwoordiging door verweerder, 27 maanden vertraging
in de verkoop van haar appartement, illegale verhogingen van de VvE-bijdrage en emotionele
en reputatieschade.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
Ontvankelijkheid
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
4.2 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in
lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten
uit het verleden.
4.3 Daarnaast heeft alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen
of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen het
recht om hierover een klacht in te dienen.
4.4 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
Klachtonderdelen a en b6: belangenbehartiging voor de VvE en facturatie
4.5 De voorzitter is van oordeel dat klaagster geen eigen, rechtstreeks betrokken
belang heeft bij klachtonderdelen a en b6. Beide klachtonderdelen ziet op de advocaat-cliëntrelatie
tussen verweerder en de VvE. Het is dan ook slechts aan (het bestuur van) de VvE om
daarover te klagen. Klaagster heeft daarbij als lid van de VvE slechts een afgeleid
belang en kan daarover dus niet via het tuchtrecht klagen. Als zij van mening is dat
de VvE verweerder niet als advocaat had mogen inschakelen, dan kan zij de VvE daarover
aanspreken. Dat geldt ook voor de kosten die de VvE daarvoor heeft gemaakt. Klachtonderdelen
a en b6 zijn kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b1: opzettelijke intimidatie
4.6 Klaagster maakt diverse verwijten aan verweerder op dit onderdeel. De voorzitter
zal deze verwijten hierna een voor een bespreken.
4.7 Klaagster verwijt verweerder de eis van € 85.000,- van S te ondersteunen,
terwijl verweerder op de ALV van 7 februari 2025 heeft verklaard dat die eis niet
namens de VvE maar van S in privé was.
De klacht is op dit onderdeel niet-ontvankelijk op grond van artikel 46g lid 1 onder
a van de Advocatenwet. Dit gaat over handelen van 7 februari 2022, zodat klaagster
daarover uiterlijk op 7 februari 2025 had kunnen klagen. Klaagster heeft dat pas gedaan
op 17 februari 2025. De voorzitter ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan
het artikel 46g, tweede lid, van de Advocatenwet, omdat klaagster tijdens deze ALV
is vertegenwoordigd door haar partner en twee advocaten en geacht kan worden dat zij
vóór 17 februari 2025 al door hen is geïnformeerd over hetgeen tijdens de ALV is besproken.
4.8 Klaagster verwijt verweerder te hebben geweigerd om de door klaagster ingeschakelde
architect een toelichting te laten geven op de ALV van 27 juni 2022.
Daargelaten dat verweerder niet de voorzitter was van deze ALV, is het de voorzitter
op basis van de notulen gebleken dat de architect een toelichting heeft kunnen geven.
De klacht is op dit onderdeel dus in strijd met de feitelijke gang van zaken en is
dus kennelijk ongegrond.
4.9 Klaagster verwijt verweerder geen vragen te hebben gesteld aan de in 2019
ingeschakelde ingenieur van de gemeente.
De klacht is op dit onderdeel kennelijk ongegrond. Verweerder is pas vanaf 2022
betrokken bij de kwestie, zodat hem ook niet kan worden verweten dat hij ruim 3 jaar
daarvoor geen vragen heeft gesteld aan de ingenieur van de gemeente.
4.10 Klaagster verwijt verweerder bij de rechtbank een verklaring te hebben ingediend
van [rioleringsbedrijf] als standpunt van de VvE, terwijl [rioleringsbedrijf] expliciet
heeft aangegeven niet in het geschil betrokken te willen worden. Ook heeft verweerder
de aanvullende bewijzen van klaagster genegeerd.
De voorzitter acht de klacht ook op dit punt kennelijk ongegrond. Verweerder heeft
namens zijn cliënte verweer mogen voeren tegen het verzoekschrift van klaagster, onder
meer door deskundigenverklaringen zoals van [rioleringsbedrijf] in te dienen. Als
[rioleringsbedrijf] geen toestemming zou hebben gegeven voor het indienen van die
verklaring, dan kan alleen zij (en niet klaagster) daarover een klacht indienen. Verweerder
was ook niet gehouden om de aanvullende bewijzen van klaagster te volgen. Hij mocht
namens zijn cliënten een afwijkend standpunt innemen. Klaagster had haar aanvullende
bewijzen zelf kunnen indienen in de procedure.
4.11 Klaagster verwijt verweerder tot slot intimidatie en pesterijen in de hand
te werken door namens de VvE te reageren op klaagsters communicatie, waardoor de andere
VvE-leden hun individuele verantwoordelijkheid konden ontlopen. Ook heeft verweerder
geweigerd met klaagster over de problemen met de pijp in gesprek te gaan en heeft
hij uitsluitend met de andere VvE-leden gecommuniceerd.
Het is niet klachtwaardig dat verweerder namens de andere VvE-leden reageert op
klaagsters berichten. Het behoort immers tot de belangenbehartiging van een advocaat
om namens de cliënt met wederpartijen te corresponderen. Waarom de VvE-leden daardoor
hun individuele verantwoordelijkheid zouden kunnen ontlopen, is de voorzitter niet
gebleken.
Het is de voorzitter verder niet gebleken dat verweerder ondoelmatig heeft gehandeld
door met klaagsters advocaten te blijven corresponderen ondanks haar bericht van 22
april 2022. Sterker nog, uit de aanvullende stukken van klaagster (waaronder een dekenstandpunt
van klaagsters klacht over een van haar eigen advocaten) volgt dat klaagsters advocaten
juist met haar hebben afgesproken dat alle onderhandelingen via de advocaten blijven
gaan en dus niet via klaagster.
Klachtonderdeel b2: onnodige juridische stappen
4.12 Klaagster verwijt verweerder haar onnodige juridische stappen te hebben
laten zetten tegen de VvE doordat verweerder onmogelijke voorwaarden voor toestemming
heeft gesteld, zoals het akkoord gaan met de vordering van S en een notariële verklaring
dat klaagster structurele schade zou hebben veroorzaakt.
4.13 De voorzitter ziet daarin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder
mag doorgeven onder welke voorwaarden zijn cliënte akkoord zou gaan met de toestemming.
Dat klaagster zich daar niet in kon vinden en zich genoodzaakt voelde om een procedure
te starten, kan verweerder niet worden aangerekend. Klachtonderdeel b2 is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel b3: beledigende en smadelijke uitspraken
4.14 Klaagster verwijt verweerder haar te hebben afgeschilderd als iemand die
naar Italië zou vluchten om haar aansprakelijkheid te ontlopen, een zeurpiet, gewelddadig,
agressief en zelfs als terrorist. Klaagster wijst op de termen “zij maakt het leven
zuur”, “de terreur van [klaagster]” en “onwillige veroorzaker”.
4.15 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft namens de VvE naar voren willen brengen
dat de bewoners veel overlast ervaren van klaagster. Dat heeft hij met de drie genoemde
citaten gedaan. Anders dan klaagster doet voorstellen, heeft verweerder haar geen
terrorist genoemd, maar dat haar handelen als terreur wordt ervaren. Hoewel dat als
kwetsend kan worden ervaren, heeft dat in het dagelijks taalgebruik een aanzienlijk
minder scherpe lading dan ‘terrorist’. Gelet op de context waarin verweerder dit heeft
gebruikt, was dit ondersteunend voor zijn betoog. Daarmee is hij binnen de aan hem
toekomende vrijheid gebleven. Datzelfde geldt ook voor zover klaagster wordt verweten
het leven van de andere VvE-leden zuur te maken of onwillig te zijn.
4.16 De voorzitter stelt verder vast dat verweerder enkel heeft geschreven “(…)
anders is de woning straks verkocht, zit [klaagster] in Bergamo en heeft [S] niets”.
Anders dan klaagster, leest de voorzitter daar niet in dat verweerder klaagster afschildert
als iemand die het land uit vlucht om aansprakelijkheid te ontlopen.
4.17 Uit het dossier blijkt de voorzitter verder niet dat verweerder klaagster
heeft afgeschilderd als een zeurpiet, gewelddadig of agressief. Klaagster verwijt
op dat punt naar productie 23 bij haar klacht, maar dat is een e-mailwisseling tussen
de VvE-leden waarbij verweerder niet betrokken was en waar de genoemde uitlatingen
ook niet uit volgen. De voorzitter maakt uit productie 16 op dat klaagster volgens
haar advocaat door de andere VvE-leden als ‘gewelddadig’ zou zijn bestempeld, maar
dit kan verweerder dus niet worden aangerekend. De klacht is in zoverre kennelijk
ongegrond.
4.18 Ook zou verweerder talloze valse uitspraken hebben gedaan in processtukken,
waaronder dat:
- klaagster de discussie in april 2022 had onderbroken, terwijl juist S niet
reageerde;
- klaagster misbruik maakte van het rechtssysteem;
- klaagster de pijp had afgesloten;
- klaagsters herhaalde pogingen om een ALV te beleggen, werden gekarakteriseerd
als theater voor de rechtbank.
De voorzitter is van oordeel dat het niet aan de tuchtrechter is om hierover te
oordelen, maar dat deze kwesties thuishoren in de procedure(s) bij de kantonrechter.
Als klaagster meent dat deze stellingen van verweerder onjuist waren, dan kon zij
dat aldaar bestrijden. Klaagster heeft dit klachtonderdeel verder ook onvoldoende
onderbouwd. Zij heeft gewezen op productie 24 bij haar klacht, maar dat betreft notulen
van een ALV en geen processtukken van verweerder. Ook op dit punt is de klacht kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel b4: verzoek om afstand te doen van eigendomsrechten
4.19 Klaagster verwijt verweerder haar te hebben verzocht om afstand te doen
om in haar eigen appartement te wonen.
4.20 De voorzitter ziet ook hierin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Verweerder heeft dit verzoek namens zijn cliënte kunnen doen en als klaagster het
daar niet mee eens was, dan kon zij dat afwijzen. Dat heeft ze kennelijk ook gedaan.
Klachtonderdeel b4 is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b5: belemmering van het proces bij de notaris
4.21 Klaagster verwijt verweerder het proces bij de notaris te hebben vertraagd,
omdat V de notaris had geïnformeerd dat de gewijzigde splitsingsakte volgens verweerder
niet correct was opgesteld en dat deze ongeautoriseerde wijzigingen bevatte.
4.22 De voorzitter ziet ook hierin geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Van verweerder mag worden verwacht dat hij zijn cliënte informeert als hij onjuistheden
in de gewijzigde splitsingsakte ziet. Dat het proces bij de notaris vervolgens langer
duurt, omdat die onjuistheden (eventueel) moeten worden rechtgezet, is nu eenmaal
een risico dat eigen is aan juridische procedures. Klachtonderdeel b5 is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel c: beroep op geheimhoudingsplicht
4.23 Klaagster verwijt verweerder onterecht een beroep te doen op zijn geheimhoudingsplicht
om te voorkomen dat boven water komt dat hij niet namens de VvE mocht optreden. Ze
wijst in dat verband op de transparantieverplichting in artikelen 5:124 en 5:125 van
het BW.
4.24 De voorzitter acht dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. Het is aan verweerder
te bepalen op welke wijze hij zijn verweer op de tuchtklacht wenst te voeren. Als
hij meent daarin beperkt te zijn omdat de informatie onder zijn geheimhoudingsplicht
valt, dan kan hij daarop een beroep doen. Hij hoeft bovendien geen verantwoording
af te leggen richting klaagster, maar slechts naar zijn eigen cliënte: de VvE. Voor
zover de VvE gehouden is om transparantie te verschaffen richting klaagster, is dat
iets wat speelt tussen klaagster en de VvE.
Klachtonderdeel d: schending gedragsregel 15
4.25 Klaagster verwijt verweerder in strijd te handelen met gedragsregel 15 door
gelijktijdig voor de VvE als haar individuele leden op te treden.
4.26 Het is vaste rechtspraak dat een wederpartij zich niet op deze gedragsregel
kan beroepen. Een cliënt behoort geheel vrij te zijn in de keuze van zijn advocaat,
zonder inmenging van de wederpartij daarin. Een beroep op deze gedragsregel komt een
wederpartij ook niet toe als hij stelt een belang te hebben bij het (niet) optreden
door de advocaat voor een of verschillende cliënten. Dat is slechts anders als die
wederpartij er in die zin bij betrokken is dat de wederpartij zelf een (voormalige)
cliënt van de advocaat (of een kantoorgenoot van de advocaat) is. Dat is klaagster
niet. Klaagster komt dus geen beroep toe op gedragsregel 15. Dit klachtonderdeel is
kennelijk niet-ontvankelijk.
Afsluitende opmerkingen
4.27 Voor zover klaagster ook bedoeld heeft te klagen over dat zij geen notulen
heeft ontvangen van de ALV van 7 februari 2022 of de opname daarvan, geldt dat het
aan de VvE en niet aan verweerder is om voor verspreiding daarvan zorg te dragen.
Mocht dit als klacht zijn bedoeld, dan is die kennelijk ongegrond.
4.28 Omdat de klachten niet gegrond zijn, ziet de voorzitter ook geen reden om
een schadevergoeding toe te wijzen.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdelen a, b6 en d, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel b1 deels niet-ontvankelijk, met toepassing van artikel 46g
lid 1 onder a Advocatenwet, en deels kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel
46j Advocatenwet;
- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 november 2025