ECLI:NL:TADRSGR:2025:243 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-625/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:243 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2025 |
| Datum publicatie: | 09-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-625/DH/DH |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klager heeft geen eigen, rechtstreeks belang bij de vraag of verweerster wel of geen toevoeging mocht aanvragen voor haar cliënte. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
19 november 2025
in de zaak 25-625/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 16 september 2025 met kenmerk K091 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 2 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is gescheiden.
1.2 Verweerster staat sinds 2023 de ex-vrouw van klager bij in diverse procedures.
Verweerster heeft daarvoor toevoegingen aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand
(RvR).
1.3 Op 17 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft met voorbedachten rade voor haar cliënt een of meer toevoegingen
aangevraagd bij de RvR, terwijl zij allang wist dat haar cliënte vermogend is door
een erfenis van haar vader.
2.2 Klager stelt dat verweerster geken of onvoldoende melding heeft gemaakt van
bestaand of potentieel te verkrijgen vermogen van haar cliënte in verband met een
aanzienlijke erfenis. Klager wijst op onder meer een uitspraak van het gerechtshof
uit 2017, het bewijs van overlijden van de vader van de ex-partner (akte) in 2014
en navraag bij een Spaanse bank over het saldo van de vader. Verweerster heeft dat
allemaal niet meegenomen in de aanvraag voor de toevoeging. Verweerster heeft de aanvraag
bewust niet juist doorgegeven aan de RvR. Indien zij informatie heeft achtergehouden
of heeft nagelaten een en ander te verifiëren, dan is dat in strijd met de zorgvuldigheid
en integriteit die een behoorlijk advocaat betaamt.
2.3 Klager stelt dat hij hierdoor wordt geraakt in zijn financieel belang. Hij
wordt herhaaldelijk geconfronteerd met dagvaardingen en procedures die grotendeels
mogelijk worden gemaakt door toevoegingen waarvoor onjuiste of onvolledig informatie
is verstrekt. Klager wordt hierdoor genoodzaakt zich op eigen kosten juridisch te
verdedigen, met grote financiële en psychische gevolgen. Het gaat bovendien om een
structureel patroon van dagvaardingen, verzoeken en procedures. Dit roept het ernstige
vermoeden op van procesmisbruik. Verweerster verzaakt haar plicht tot proportionaliteit
en doelmatigheid als advocaat.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het
algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om
te klagen.
4.2 De vraag of verweerster wel of geen toevoeging(en) voor haar cliënte mocht
aanvragen, is geen onderwerp waarbij klager een eigen, rechtstreeks belang heeft.
Dat rechtstreeks belang is er alleen voor degene namens wie de toevoeging wordt aangevraagd
of voor de RvR als verlener van de toevoeging. Ook kan de deken daarover zo nodig
in het algemeen belang klagen (zie onder meer RvD Amsterdam 3 maart 2025, ECLI:NL:TADRAMS:2025:44
en RvD 2 juli 2025, ECL:NL:TADRSGR:2025:125). Klager heeft slechts een afgeleid belang.
De klacht is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.