ECLI:NL:TADRSGR:2025:240 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-166/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:240 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2025 |
| Datum publicatie: | 10-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-166/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in een familierechtkwestie. Niet gebleken van intimiderende, dreigende of onprofessionele toon van verweerder in de correspondentie met klager. Het stond verweerder vrij om klager op de gevolgen te wijzen van het niet nakomen van de met de ex-echtgenote gemaakte afspraken zoals vastgelegd in het echtscheidingsconvenant, waarbij verweerder ook oog heeft gehad voor de financiële situatie van klager door namens zijn cliënte in te stemmen met uitstel van betaling en een tegenvoorstel te doen. Verder heeft verweerder gehandeld binnen de vrijheid die hem als advocaat van de wederpartij van klager in familierechtkwesties toekomt en overeenkomstig de afspraak die partijen over hun pensioenrechten in het convenant hebben vastgelegd. Klacht in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 24 november 2025
in de zaak 25-166/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. N. Desloover, advocaat te Rotterdam.
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 13 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/030 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Daarbij
waren klager, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Van de behandeling
is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 31. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van klager van 14 april 2025, de e-mail met bijlagen van
verweerder van 25 april 2025 en de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerder
van 15 mei 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de
op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager is met zijn ex-echtgenote (hierna: de ex-echtgenote) verwikkeld geweest
in een echtscheidingsprocedure. Verweerder heeft de ex-echtgenote hierin bijgestaan.
Klager is bijgestaan door mr. C. Klager en zijn ex-echtgenote hebben hun afspraken
over de (financiële) afwikkeling van de echtscheiding, waaronder de woning, vastgelegd
in een echtscheidingsconvenant.
2.2 In januari 2024 heeft verweerder zich bij klager gemeld met het bericht dat
de ex-echtgenote wil scheiden. Op 29 januari 2024 heeft verweerder een concept convenant
en een concept ouderschapsplan aan klager gemaild.
2.3 Op 9 april 2024 heeft mr. C. namens klager een referteverklaring aan verweerder
gemaild die ook bij de rechtbank is ingediend.
2.4 Op 10 mei 2024 heeft verweerder de echtscheidingsbeschikking aan mr. C. gemaild.
2.5 Op 13 juni 2024 heeft mr. C. verweerder gemaild dat klager vooralsnog niet
bereid is de akte van berusting te ondertekenen, omdat hij bezig is met de financiering
van de woning.
2.6 Op 14 juni 2024 heeft verweerder mr. C. gemaild dat partijen zijn overeengekomen
dat klager de woning binnen vier weken na ondertekening van het convenant zal overnemen
en dat deze vier weken ruimschoots voorbij zijn.
2.7 Op 4 juli 2024 heeft mr. C. verweerder bericht dat zij klager niet heeft
weten te overtuigen om de akte van berusting te ondertekenen.
2.8 Op 27 augustus 2024 heeft verweerder mr. C. gemaild dat de beschikking aan
klager dient te worden betekend vanwege ‘de weigerachtige houding’ van klager.
2.9 Op 28 augustus 2024 heeft verweerder mr. C. bericht dat de ex-echtgenote
een procedure gaat starten over de nakoming van de afspraken over de woning.
2.10 Op 29 augustus 2024 heeft mr. C. verweerder bericht dat zij klager niet
langer bijstaat.
2.11 Op 29 augustus 2024 heeft verweerder, die van mr. C. toestemming had gekregen
om zich verder rechtsreeks met klager te verstaan, aan klager gemaild:
‘Zojuist begreep ik van mr. [C.] dat zij u niet meer bijstaat. Vandaar dat ik u
nu rechtstreeks bericht.
Bijgaand stuur ik u een akte van berusting. Deze akte houdt in dat u afziet van
hoger beroep bij het gerechtshof. Met de getekende akte van berusting kan de echtscheiding
worden ingeschreven bij de gemeente. Ik dien de echtscheiding binnen zes maanden in
te schrijven, anders dient de gehele echtscheidingsprocedure namelijk te worden overgedaan.
Deze termijn nadert nu snel, reden waarom ik de beschikking ook bij u heb laten betekenen
door een deurwaarder zodat u formeel op de hoogte bent van de beschikking.
(…)
Ik ga ervan uit dat het daarna ook makkelijker zal zijn voor u om zaken met betrekking
tot de echtelijke woning te regelen. Mocht ik echter geen getekende akte van berusting
van u ontvangen, dan ben ik genoodzaakt een kort geding te starten om ervoor te zorgen
dat alles, ook voor u, goed wordt afgewikkeld zoals in de beschikking is opgenomen.
(…)
Ik hoop spoedig een getekende akte van berusting van u te mogen ontvangen. Mocht
ik komende maandag niet van u hebben vernomen, dan ga ik ervan uit dat u niet mee
wil werken en moeten we nadenken over een alternatieve route waarbij uw medewerking
alsnog wordt verkregen. (…)’
In reactie daarop heeft klager verweerder gemaild:
‘(…)
De akte van berusting heb ik niet laten opstellen door mevrouw [C.]. Dit omdat ik
niet financieel draagkrachtig was (…). Ook heb ik sterke principiële bezwaren tegen
de akte van berusting. Het initiatief voor scheiden lag immers bij [de ex-echtgenote].
Ik kan geen berusting voelen in een proces waar ik niet voor heb gekozen en waar
ik niet achter staat, het is me opgelegd. (…) De definitie van “berusting” weegt me
daarom te zwaar en is die niet getekend/opgesteld.
De betalingsafspraak betwist ik niet. Dat is ook meerdere keren aangegeven bij cliënte.
Op 2 juli heb ik een notaris benaderd voor de verdere afwikkeling van de echtelijke
woning. Op 2 augustus kreeg ik de vraag of ik de inschrijving van de scheiding in
de gemeente register kon aanleveren. Die is er tot op heden niet.
(…)
Ik heb de akte van berusting niet getekend uit principiële bezwaren zoals eerder
vermeld. Een aanvraag van non-appél kan kosteloos bij de rechtbank worden ingediend.
Ik heb aan alle verplichtingen voldaan die van mij verwacht werden, met uitgezonderd
van de betalingsafspraak zoals omschreven in het convenant.(…)’
2.12 Op 13 september 2024 heeft klager verweerder gemaild:
‘Op heden had ik een afspraak met [mr. L.] op uw kantoor om de akte van berusting
te ondertekenen.
Tot mijn spijt heb ik echter geen reactie van u ontvangen op mijn uitleg en verzoeken
betreffende het uitstel van de betalingsafspraak. Op 12 september heb ik hierover
uitgebreid uitleg gegeven en vandaag, 13 september, heb ik u nog een herinneringsmail
gestuurd waarin ik om bevestiging heb gevraagd voor het uitstel van de betalingsafspraak
met uw cliënte.
In eerdere correspondentie met mevrouw [C.] suggereerde u dat ik een weigerachtige
houding aanneem en niet meewerk in dit proces. In mijn brief aan u van 2 september
heb ik echter uw veronderstellingen en aannames weerlegd en deze met argumenten onderbouwd.
Ik ervaar nu enige tegenwerking vanuit uw kant, wat ik zeer betreur. Dit belemmert
de mogelijkheid om eventuele bezwaren te bespreken en tot een oplossing te komen,
wat schadelijk is voor de voortgang van deze zaak.
Ik verzoek u daarom vriendelijk om mijn eerdere verzoeken en correspondentie opnieuw
in overweging te nemen en mij zo spoedig mogelijk te berichten over de stand van zaken
en de mogelijkheden voor uitstel van de betalingsafspraak. (…)’
2.13 Op 14 september 2024 heeft klager verweerder gemaild:
‘Ik verwijs naar ons telefoongesprek van 13 september, 1930, waarin wij hebben gesproken
over de stand van zaken met betrekking tot de akte van berusting en mijn verzoek tot
uitstel van de betalingsafspraak.
Tijdens dit gesprek gaf u aan dat mijn medewerking niet langer nodig is voor het
ondertekenen van de akte van berusting. Zoals besproken, heb ik echter het exploot
van de gerechtelijke beschikking pas op 3 september 2024 ontvangen. Naar mijn inzicht
loopt de termijn voor hoger beroep vanaf dat moment, wat betekent dat ik nog steeds
binnen de wettelijke termijn van 3 maanden zit. Mocht mijn interpretatie onjuist zijn,
dan hoor ik graag uw toelichting.
Daarnaast gaf u aan dat u volgende week een voorstel zult doen met betrekking tot
mijn verzoek om uitstel van de betalingsafspraak rond week 50. Ik kijk uit naar uw
voorstel en hoop dat we hierin gezamenlijk tot een oplossing kunnen komen.
Op 12 en 13 september heb ik, zoals eerder besproken, een (herinnerings)mail gestuurd
met het verzoek om bevestiging van uitstel van de betalingsafspraak, gezien de urgentie
van de situatie. Ondanks deze herinnering heb ik geen bevestiging ontvangen, waardoor
ik op 13 september niet in staat was de akte van berusting te ondertekenen.
Ter bevestiging van ons gesprek en om eventuele misverstanden te voorkomen, verneem
ik graag uw reactie op de bovenstaande punten. (…)’
2.14 Op 16 september 2024 heeft verweerder als reactie op klagers e-mail van
14 september 2024 gemaild:
‘Hetgeen u hieronder schrijft kan ik niet bevestigen. U heeft met [de ex-echtgenote]
afgesproken dat u binnen 4 weken na 25 maart 2024 de woning zou overnemen voor € 530.000.
Dit betekent concreet dat u sinds 22 april 2024 van rechtswege in verzuim bent, te
weten 148 dagen!
Nakoming van deze afspraak alsook schadevergoeding kan worden gevorderd. Gelet op
voorgaande wordt uw voorstel voor verlenging van de termijn afgewezen; u bent rijkelijk
te laat. Cliënte behoudt zich ter zake van de schadevergoeding dan ook alle rechten
voor.
Cliënte doet u echter een tegenvoorstel. Zij kan instemmen met een uitstel van de
betaling mits u binnen veertien (14) dagen na akkoord een bedrag van € 5.000,- overmaakt
naar de rekening van cliënte. (…)
Mocht deze termijn worden overschreden zal de € 5.000,- niet in mindering worden
gebracht op de vordering. Cliënte wenst deze afspraak bij de notaris vast te leggen
op uw kosten zodat zij er zeker van is dat de afspraak wordt nagekomen.
Cliënte wilt wel opmerken dat het dit voorstel is of dat cliënte een procedure zal
starten. Er bestaat een kans dat de woning dan verkocht dient te worden. Dit is iets
wat u beide niet wenst omdat de kinderen hun eigen plek dienen te kunnen behouden.
(…)’
2.15 Op 18 september 2024 heeft klager verweerder een tegenvoorstel gemaild over
de betaling van een voorschot ten aanzien van de overname van de woning.
2.16 Op 25 september 2024 is namens het kantoor van verweerder een aantal data
aan klager gemaild voor het tekenen van de akte van berusting. Dezelfde dag heeft
klager geantwoord dat hij nog geen definitieve afspraak kan maken, omdat hij van verweerder
nog geen bevestiging heeft ontvangen van het akkoord van de ex-echtgenote over de
woningovername.
2.17 Op 30 september 2024 heeft verweerder telefonisch contact met klager opgenomen.
2.18 Op 3 oktober 2024 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand.
2.19 Op 28 november 2024 heeft de ex-echtgenote verweerder gevraagd de afwikkeling
van de pensioenverdeling met klager voor haar af te handelen.
2.20 Op 29 november 2024 heeft verweerder klager gemaild over de afwikkeling
van het pensioen:
‘In het kader van de correcte afwikkeling van het pensioen verzoek ik u vriendelijk
doch dringend om de bijgevoegde formulieren te ondertekenen en een kopie van uw identiteitskaart
aan mij retour zenden. Ik kan deze stukken vervolgens doorsturen naar haar pensioenverstrekker
om de verdere procedure voort te zetten.
(…)
Mocht u niet willen meewerken aan de melding ten behoeve van de pensioenverstrekker
zal ik cliënte adviseren rechtsmaatregelen te treffen. Cliënte zal dan de nakoming
van artikel 5 van het convenant vorderen.
Een spoedige afhandeling hiervan is van belang om onnodige vertragingen te voorkomen.’
Dezelfde dag heeft klager hierop gereageerd, met de ex-echtgenote in cc.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Volgens klager
heeft verweerder in strijd gehandeld met gedragsregels 6, 10a en 10c. In dat verband
verwijt klager verweerder het volgende:
a) verweerder heeft in zijn correspondentie herhaaldelijk een intimiderende en
dreigende toon aangeslagen. Verweerder heeft herhaaldelijk gedreigd met procedures
zonder een redelijke basis;
b) verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken
over termijnen en verplichtingen. Verweerder berekent termijnen niet correct en stelt
de positie van klager onjuist voor;
c) verweerder heeft niet gereageerd op verzoeken tot overleg;
d) verweerder heeft een onprofessionele toon gebruikt. Verweerder heeft taal
gebruikt die suggereert dat klager opzettelijk weigerachtig is zonder begrip te tonen
voor de (financiële) situatie van klager.
3.2 De raad zal hierna bij de beoordeling op de stukken en stellingen van klager
ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder op dat klager niet voldoet
aan zijn stel- en waarheidsplicht en dat de klachtonderdelen feitelijke grondslag
missen.
Verder voert verweerder aan dat hij zich in zijn communicatie met klager altijd
professioneel heeft opgesteld en dat zijn berichtgeving ook altijd functioneel was.
Volgens verweerder heeft hij zich daarbij niet onnodig grievend uitgelaten, heeft
hij altijd voldoende distantie gehouden tot zijn cliënte en is hij uitgegaan van de
door zijn cliënte verschafte inlichtingen.
Ook voert verweerder aan dat hij niet bekend is met onbeantwoorde pogingen van klager
tot overleg en waar dit overleg dan op zou zien. Verweerder merkt op dat uit de door
klager overgelegde correspondentie volgt dat zijn cliënte een voorstel aan klager
heeft gedaan om uit de impasse over de verkoop van de woning te komen en dat klager
daarmee zijn eigen klacht weerlegt. Daarbij wijst verweerder erop dat klager zich
heeft laten adviseren door een advocatenkantoor bij het tekenen van het ouderschapsplan
en het convenant.
Tot slot merkt verweerder op dat klager de tuchtrechtelijke procedure lijkt te gebruiken
om op een oneigenlijke wijze contact te zoeken met zijn ex-echtgenote.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over
een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de betamelijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen
tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden
verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdelen a) en d) zijn ongegrond
5.3 Klachtonderdelen a) en d) gaan in de kern over de toon die verweerder heeft
aangeslagen in zijn e-mails aan en contacten met klager. De raad zal deze onderdelen
daarom gezamenlijk beoordelen.
5.4 De raad is op grond van de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen verweerder
en klager van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar richting klager
heeft gehandeld. Uit de e-mails aan klager blijkt dat verweerder klager herinnert
aan de gemaakte afspraken over onder meer de overname door klager van de woning, dat
verweerder klager een tegenvoorstel heeft gedaan over de betaling van een voorschot
op de kosten van de overname van de woning en dat verweerder klager vraagt om een
formulier over de pensioenverdeling in te vullen. Daarbij is de raad niet gebleken
dat verweerder een intimiderende, dreigende of onprofessionele toon heeft aangeslagen.
Het stond verweerder in het belang van zijn cliënte vrij om klager op de gevolgen
te wijzen van het niet nakomen van de met de ex-echtgenote gemaakte afspraken zoals
vastgelegd in het echtscheidingsconvenant, waaronder het starten van een procedure,
waarbij verweerder ook oog heeft gehad voor de financiële situatie van klager door
namens zijn cliënte in te stemmen met uitstel van betaling en een tegenvoorstel te
doen. De omstandigheden dat klager zich door de e-mails en het contact met verweerder
bedreigd en/of geïntimideerd voelt en de door verweerder gekozen bewoordingen vervelend
vindt, kunnen niet tot de conclusie leiden dat verweerder als advocaat van de wederpartij
van klager klachtwaardig heeft gehandeld. Tot slot begrijpt de raad dat klager het
vervelend vindt dat verweerder hem op 30 september 2024, de verjaardag van klager,
heeft gebeld maar dat betekent niet dat verweerder daarmee klachtwaardig heeft gehandeld
als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klachtonderdeel a) en d) zijn dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b) is ongegrond
5.5 De raad kan op grond van de stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen
niet vaststellen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door bewust onjuiste
informatie aan klager te verstrekken over termijnen, verplichtingen en de positie
van klager. Ook van polariserende correspondentie van verweerder is de raad niet gebleken.
Verweerder heeft ter zitting toegelicht hoe het contact met klager over de akte van
berusting en de pensioenformulieren is verlopen. Deze toelichting wordt grotendeels
ondersteund door de door klager en verweerder overgelegde e-mailcorrespondentie. Daaruit
blijkt dat klager aanvankelijk meewerkte met de door de ex-echtgenote gewenste echtscheiding,
maar dat klager op enig moment, om hem moverende redenen, niet (meer) bereid was om
een akte van berusting te tekenen. Verder blijkt uit de stukken dat verweerder twee
pogingen heeft gedaan om in der minne een door klager getekende akte van berusting
te krijgen; een keer via e-mail en een keer via de inschakeling van zijn kantoorgenoot
omdat klager toen niet meer werd bijgestaan door mr. C. Naar het oordeel van de raad
stond het verweerder vrij om in het belang van zijn cliënte zo te handelen, omdat
klager de afspraak in het convenant over de overname van de woning al langere tijd
niet (meer) nakwam. Zoals ook uit de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken,
heeft verweerder zich hier terughoudend opgesteld door de echtscheidingsbeschikking
niet direct aan klager te laten betekenen, maar om uiteindelijk eerst voor minnelijk
overleg te kiezen. Een betekening van de beschikking door de deurwaarder had immers
juist verdere escalatie tussen partijen kunnen veroorzaken. Tot slot is het de raad
ook ten aanzien van de correspondentie over de pensioenverevening niet gebleken van
het verstrekken van onjuiste informatie of het veroorzaken van polarisatie door verweerder.
Verweerder heeft gehandeld binnen de vrijheid die hem als advocaat van de wederpartij
van klager in familierechtkwesties toekomt en overeenkomstig de afspraak die partijen
over hun pensioenrechten in het convenant hebben vastgelegd. Klachtonderdeel b) is
dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.6 De raad stelt op grond van de overgelegde e-mailcorrespondentie vast dat
verweerder op 16 september 2024 via e-mail inhoudelijk heeft gereageerd op de e-mails
van klager van 13 en 14 september 2024. Daarnaast blijkt uit de stukken dat op 13
en 30 september 2024 inhoudelijk telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen klager
en verweerder. In het licht van deze correspondentie en contacten heeft klager zijn
verwijt over het niet reageren van verweerder dan ook niet dan wel onvoldoende feitelijk
onderbouwd. Klachtonderdeel c) is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 november 2025