ECLI:NL:TADRSGR:2025:239 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-318/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:239 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2025 |
| Datum publicatie: | 10-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-318/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over het zonder toestemming en/of opdracht voor klager optreden. Verweerster heeft mede namens klager een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter, zonder daartoe strekkende opdracht van klager en zonder klager daarin te kennen. Klager is er pas veel later – ruim twee jaar later – achter gekomen dat er mede namens hem een procedure is gevoerd, terwijl hij in de veronderstelling was dat die procedure niet was gevoerd en de huurovereenkomst daarom inmiddels voor onbepaalde tijd was. Verweerster heeft daarmee onzorgvuldig en tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 24 november 2025
in de zaak 25-318/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 12 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K251 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van:
- de namens verweerster op 26 september 2025 gestuurde e-mail met bijlagen;
- de reactie daarop van klager van 27 september 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft per 1 oktober 2020 een bedrijfsruimte gehuurd. In de huurovereenkomst
van 3 september 2020 is onder meer opgenomen:
“Goedkeuring kantonrechter
17.1 Partijen zullen de kantonrechter gedurende de in art. 3.1 overeengekomen periode
van 23 maanden op de voet van artikel 7:291 BW gezamenlijk verzoeken goedkeuring te
verlenen voor het bepaalde in artikel 3.2 tot en met 3.4 voor zover dit ten nadele
van huurder afwijkt van semi-dwingendrechtelijke bepalingen.
17.2 In het verzoekschrift zal de kantonrechter tevens verzocht worden om een datum
voor de beëindiging en de ontruiming van het gehuurde vast te stellen, voor het geval
de kantonrechter het verzoek om goedkeuring ex art. 7:291 BW afwijst.”
2.3 Vanwege het eindigen van de huurovereenkomst per 1 september 2022 is een
allonge opgesteld om de huur voorlopig te verlengen. In de allonge, gedateerd 6 april
2022, is onder meer opgenomen:
“J. Partijen de kantonrechter gezamenlijk zullen verzoeken om goedkeuring te verlenen
voor de in deze Allonge opgenomen afwijkende afspraken in de zin van artikel 7:291
BW;”
2.4 Verweerster heeft daarna op verzoek van de verhuurder bij de kantonrechter
een gezamenlijk verzoekschrift ingediend strekkende tot goedkeuring van de in de huurovereenkomst
en allonge opgenomen afspraken. Verweerster heeft hierover geen contact gehad met
klager.
2.5 Bij beschikking van 22 september 2022 heeft de kantonrechter de in de huurovereenkomst
en allonge opgenomen afspraken goedgekeurd. In de beschikking is onder meer opgenomen:
“De kantonrechter heeft zich ervan gewist dat de huurder zich bewust is van de inhoud
van de afwijkende bedingen waarvan goedkeuring wordt verzocht en de consequenties
die deze voor haar hebben en dat de huurder er bewust voor heeft gekozen deze afwijkingen
te aanvaarden.”
2.6 Verweerster heeft zich per 1 mei 2023 laten uitschrijven als advocaat. Zij
is vanaf die datum niet meer werkzaam voor het kantoor waar zij aan verbonden was.
2.7 In oktober 2024 hebben klager en de verhuurder gecorrespondeerd. Op 25 oktober
2024 heeft klager aan de verhuurder onder meer geschreven:
“Allereerst stel ik vast dat sprake is van een huurovereenkomst voor onbepaalde
termijn. (…) Met de allonge op de huurovereenkomst is een andere constructie voorgesteld
maar die constructie hebben wij niet ter beoordeling en ter accordering voorgelegd
aan de kantonrechter. Zodoende kan de allonge niet als vertrekpunt gelden nu hierin
afspraken zijn opgenomen in strijd met dwingend recht, waarvan zonder toestemming
van de kantonrechter niet mag worden afgeweken”
2.8 Op 28 oktober 2024 heeft de verhuurder de beschikking van de kantonrechter
naar klager gestuurd.
2.9 Klager heeft vervolgens contact gezocht met het kantoor van verweerster om
inzage te krijgen in het dossier. Dit is hem geweigerd en hij is door het kantoor
verwezen naar de verhuurder.
2.10 Op 26 september 2025 is een (ongedateerde) verklaring van de (directeur
van de) verhuurder overgelegd, waarin onder meer staat:
“Bij het opstarten van de procedure was het voor [klager] duidelijk dat wij dit
verzoek door “onze” advocaat namens hem gingen doen. Vervolgens heb ik de opdracht
verstrekt aan [kantoor verweerster] om het verzoekschrift namens [verhuurder] en [huurder]
op te stellen. Uiteraard gebeurde dit met instemming van huurder.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) Verweerster heeft zonder toestemming en/of opdracht mede namens klager zich
tot de kantonrechter gewend om de in de huurovereenkomst van 3 september 2020 en allonge
van 6 april 2022 opgenomen afwijkende bedingen te laten goedkeuren.
b) Verweerster heeft het opgevraagde dossier niet aan klager verstrekt, zodat
klager niet heeft kunnen nagaan wat aan de rechtbank is voorgelegd, wat klagers positie
verder schaadt.
c) Verweerster heeft klagers individuele wensen en de gevolgen van het verzoek
niet vooraf aan klager kenbaar gemaakt.
3.2 Klager licht toe dat hij de beschikking van de kantonrechter pas op 28 oktober
2024 voor het eerst heeft ontvangen. Hij stelt dat de term ‘gezamenlijk verzoeken’
zoals opgenomen in de huurovereenkomst, niet impliceert dat zonder zijn expliciete
instemming daarvoor een advocaat kon worden ingeschakeld. Hij stelt dat verweersters
handelen mogelijk tot schade aan zijn huurpositie heeft geleid. Klager stelt dat hij
niet als cliënt wordt beschouwd en dat de relevante stukken tot op heden niet aan
hem zijn verstrekt, waardoor hij niet in staat is te controleren wat er daadwerkelijk
aan de rechtbank is gepresenteerd.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
4.2 Klachtonderdelen a) en c): Verweerster stelt dat tussen klager en haar kantoor
inderdaad geen opdracht tot dienstverlening bestond. Klager had echter op voorhand
wel toestemming verleend om zich samen met de verhuurder tot de kantonrechter te wenden
om de in de huurovereenkomst en allonge opgenomen afwijkende bedingen goed te laten
keuren. Deze afspraak volgt uit de huurovereenkomst (artikel 17) en is ook expliciet
opgenomen in de allonge. Beide overeenkomsten zijn door klager voor akkoord ondertekend.
De verhuurder heeft verweerster gevraagd het gezamenlijk verzoek namens partijen in
te dienen, waarbij hij aangaf dat klager ermee had ingestemd. De kosten zijn door
de verhuurder voldaan. Verweerster stelt dat haar cliënt mede namens klager opdracht
gaf en dat zij via haar cliënt een indirecte volmacht van klager heeft gekregen. Zij
mocht er bovendien gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar cliënt gevolmachtigd was
om namens klager deze volmacht te verstrekken, gelet op de verklaring van klager in
de huurovereenkomst en allonge. Zij had geen enkele aanleiding om daaraan te twijfelen,
gelet op hetgeen was afgesproken en het feit dat dit ook in het belang van beide partijen
was. Verweerster stelt dat de verhuurder recent nog kenbaar heeft gemaakt dat de huurder
op de hoogte was van het verzoek en dat de huurder er blij mee was dat ook de kosten
gemoeid met het verzoek door de verhuurder zouden worden gedragen.
4.3 Ter zitting heeft verweerster hier aan toegevoegd dat een gezamenlijk verzoekschrift
in dit soort situaties staande praktijk is.
4.4 Klachtonderdeel b) Verweerster stelt dat de klacht omtrent het dossier zich
niet tegen haar richt. Zij is al geruime tijd niet meer werkzaam bij het kantoor en
had ook feitelijk geen beschikking meer over het dossier.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in
de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Een advocaat dient zich te allen tijde
te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Klachtonderdelen a) en c)
5.2 Verweerster heeft in opdracht van de verhuurder een gezamenlijk verzoek (namens
de verhuurder én klager) ingediend bij de kantonrechter, strekkende tot goedkeuring
van de afspraken in de huurovereenkomst en allonge. Klager is hiervan door verweerster
niet op de hoogte gesteld, terwijl het verzoek wel mede namens hem is ingediend. Verweerster
heeft erkend dat zij van klager geen rechtstreekse opdracht hiertoe had gekregen.
Verweerster heeft dus mede namens klager een rechtshandeling verricht zonder daartoe
van klager strekkende opdracht. Ook al zou het indienen van een gezamenlijk verzoek
staande praktijk zijn, zoals verweerster ter zitting heeft benadrukt, dan nog is een
advocaat gehouden om zich ervan te vergewissen dat het verzoek daadwerkelijk door
beide partijen (verhuurder en huurder) wordt gedragen. De enkele verklaring van de
verhuurder dat klager ermee zou hebben ingestemd is daartoe onvoldoende. Artikel 17.1
van de huurovereenkomst is zeer ruim geformuleerd en kan niet worden begrepen als
een door klager gegeven volmacht voor het als advocaat ook namens klager indienen
van een verzoekschrift. Verweerster heeft zelf geen contact met klager opgenomen en
heeft klager niet gewezen op de gevolgen van een gezamenlijk verzoek. Verweerster
had minst genomen klager moeten informeren over het in te dienen verzoekschrift en
het vervolg van de procedure. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft klager zelfs geen
afschrift gestuurd van de beschikking van de kantonrechter. Daarvan kan haar een tuchtrechtelijk
verwijt worden gemaakt. Klachtonderdelen a) en c) zijn gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.3 Klager heeft – nadat hij de beschikking in oktober 2024 had ontvangen – contact
gezocht met het kantoor waar verweerster tot 2023 werkzaam was. Hij is door het kantoor
verwezen naar de verhuurder en heeft het dossier niet van het kantoor ontvangen. Verweerster
was op dat moment niet meer werkzaam bij het kantoor en had niet meer de beschikking
over het dossier. Aan verweerster kan geen verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel
is ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft mede namens klager een verzoekschrift ingediend bij de
kantonrechter, zonder daartoe strekkende opdracht van klager en zonder klager daarin
te kennen. Klager is er pas veel later – ruim twee jaar later – achter gekomen dat
er mede namens hem een procedure is gevoerd, terwijl hij in de veronderstelling was
dat die procedure niet was gevoerd en de huurovereenkomst daarom inmiddels voor onbepaalde
tijd was. Verweerster heeft daarmee onzorgvuldig en tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld.
6.2 Gezien het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerster is de raad van
oordeel dat in dit geval met een zakelijke terechtwijzing kan worden volstaan. De
raad legt daarom de maatregel van waarschuwing op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht
van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) en c) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 november 2025