ECLI:NL:TADRSGR:2025:214 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-588/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:214 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-10-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-588/DH/DH |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over cassatieadvocaat. De klacht is voor een deel niet-ontvankelijk, omdat klaagster ruimschoots na afloop van de klachttermijn van drie jaar over verweerder heeft geklaagd. De klacht is voor een deel kennelijk ongegrond, omdat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder bij het doorsturen van de aansprakelijkstelling aan zijn assurantietussenpersoon niet is gebleken. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 29 oktober 2025 in de zaak 25-588/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 29 augustus 2025 met kenmerk K210 2024 ia/nm, door
de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst inhoudelijk
genoemde bijlagen 03 tot en met 11 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde
bijlagen 1 tot en met 11.
Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van klaagster
en van verweerder van 8 september 2025.
Tot slot heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van verweerder
van 9 september 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster is met haar ex-echtgenoot verwikkeld in een geschil over partner-
en kinderalimentatie en over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Op
11 januari 2012 heeft het gerechtshof Den Haag een beschikking gegeven in het hoger
beroep over partner- en kinderalimentatie (hierna: de alimentatiebeschikking).
1.2 In februari 2012 heeft de toenmalige advocaat van klaagster verweerder gevraagd
om advies over het instellen van cassatie tegen de alimentatiebeschikking van 11 januari
2012. Begin april 2012 heeft klaagster een negatief cassatieadvies, gedateerd 4 april
2011, van verweerder ontvangen. Op uitdrukkelijk verzoek van klaagster heeft verweerder
in april 2012 toch cassatie ingesteld tegen de alimentatiebeschikking.
1.3 Op 27 september 2012 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat de voormalige
echtelijke woning (hierna: de woning) aan een derde moet worden verkocht.
1.4 Op 29 maart 2013 heeft verweerder klaagster gemaild dat de Hoge Raad het
cassatieberoep tegen de alimentatiebeschikking van 11 januari 2012 heeft verworpen.
1.5 Op 22 januari 2014 heeft het gerechtshof Den Haag een beschikking gegeven
over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Daarin heeft het gerechtshof
de beschikking van 27 september 2012 bekrachtigd. In randnummer 2 van de beschikking
zijn de verzoeken van klaagster opgesomd, waaronder het verzoek om toebedeling van
de woning aan de ex-echtgenoot met diverse nevenverzoeken. In randnummer 38 van de
beschikking is het standpunt van de man vermeld dat ‘op grond van de standpunten van
de vrouw kan worden aangenomen dat zij geen medewerking zal verlenen aan de verkoop
en levering van de woning.’
1.6 Op 27 januari 2014 heeft klaagster verweerder gemaild over de mogelijkheid
van cassatie tegen de beschikking van 22 januari 2014. Op 28 januari 2014 heeft verweerder
klaagster gemaild dat hij bereid is om de mogelijkheden van cassatie te onderzoeken.
1.7 Op 11 april 2014 heeft een toenmalige kantoorgenoot van verweerder, mr. Van
D., een negatief cassatieadvies gedateerd 10 april 2014 aan klaagster gemaild.
1.8 Op 21 september 2015 heeft verweerder klaagster gemaild met zijn kantoorgenoot
mr. Van D. in cc:
Inmiddels heb ik het dossier uit het archief gelicht waar het inderdaad naartoe
is verhuisd
omdat u dat, ondanks meerdere verzoeken daartoe, door u niet is opgehaald.
Uit de beschikking van 22 januari 2014 van het hof (waarop het negatieve advies betrekking
had), blijkt (in rov. 17 t/m 19) dat uw stellingen met betrekking tot de belastingschuld
zijn
verworpen om procesrechtelijke redenen. Rov 19:
(…) Mede gezien de uitdrukkelijke betwisting door de man dat in het kader van de vaststelling
van de draagkracht rekening is gehouden met de hypotheekrente is het hof van oordeel
dat er
geen redenen zijn om af te wijken van de hoofdregel dat beide partijen ieder voor
de helft
draagplichtig zijn voor de schuld aan de hypotheekbank.’
Het hof past de hoofdregel toe dat schulden ieder voor de helft aan partijen moet
worden
toebedeeld, omdat om procestechnische redenen de door u ingeroepen uitzondering
niet is
komen vast te staan. Dit lijkt op het voorbeeld dat ik u eerder schreef en maakt
dus dat er in
cassatie niets aan te doen valt.’
1.9 In oktober 2016 heeft klaagster bij de klachtenfunctionaris van het kantoor
van verweerder een klacht over verweerder ingediend.
1.10 Op 7 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag klaagster veroordeeld tot medewerking
aan de verkoop van de echtelijke woning.
1.11 Op 26 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter in Den Haag de ex-echtgenoot
gemachtigd de verkoop en levering van de echtelijke woning te bewerkstelligen. Tegen
dit vonnis in kort geding heeft klaagster hoger beroep ingesteld.
1.12 Op 1 februari 2022 heeft het gerechtshof Den Haag het verzoek van klaagster
om de werking van het vonnis in kort geding van 26 oktober 2021 te schorsen gedurende
de procedure in hoger beroep, afgewezen. In randnummer 8 heeft het gerechtshof overwogen:
‘8. Het hof is van oordeel dat de belangen van de man met betrekking tot de onmiddellijke
werking van het bestreden vonnis zwaarder wegen dan de belangen van de vrouw in deze.
De vrouw weet al sinds de beschikking van dit hof van 22 januari 2014 dat de voormalige
echtelijke woning moet worden verkocht. Inmiddels zijn acht jaar verstreken en de
vrouw heeft nog steeds geen medewerking verleend aan de verkoop van die woning. Uit
de genoemde beschikking van dit hof volgt dat de woning is verdeeld en wel in die
zin dat de woning moet worden verkocht. De vrouw is van voormelde beschikking van
dit hof niet in cassatie gegaan, derhalve staat de wijze van verdeling tussen partijen
vast, namelijk verkoop van de woning. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake
van een juridische misslag nu de woning in 2014 al verdeeld is. De vrouw heeft niet
aan haar stelplicht voldaan waaruit haar (financiële) noodtoestand bestaat indien
uitvoering moet worden gegeven aan het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter.
De vrouw weet al vele jaren dat zij de woning na de verkoop moet verlaten. De belangen
die de vrouw aanvoert om geen uitvoering te geven aan het bestreden vonnis wegen minder
zwaar dan het belang dat de man heeft bij de ten uitvoerlegging van het bestreden
vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken
- evenals de voorzieningenrechter - dat de vrouw rechterlijke beslissingen inzake
de verkoop van de woning steeds naast zich neerlegt. Naar het oordeel van het hof
dient de vrouw op een correcte wijze uitvoering te geven aan rechterlijke beslissingen.
De vordering van de vrouw tot schorsing van de onmiddellijke werking zoals door de
voorzieningenrechter is beslist, wordt afgewezen.’
1.13 Op 11 december 2023 heeft klaagster verweerder gemaild met de vraag hoe
zij de door haar geleden schade kan indienen bij zijn schadeverzekeraar en waar zij
het dossier ter behandeling naartoe kan sturen.
1.14 Op 12 december 2023 heeft verweerder klaagster gemaild dat hij haar e-mail
(met haar klacht) heeft doorgestuurd aan de assurantietussenpersoon van het kantoor.
1.15 Op 10 januari 2024 heeft verweerder klaagster gemaild dat de assurantietussenpersoon
kennelijk geen aanleiding ziet voor een reactie omdat er geen enkele reden is voor
aansprakelijkheid.
1.16 Op 16 oktober 2024 heeft verweerder klaagster gemaild:
‘Nu u steeds mr. […] in cc vermeldt en dus de mail ook aan hem stuurt, ga ik ervan
dat u deze zaak met hem als uw advocaat overlegt. Hij heeft u ook in hoger beroep
bijgestaan en kan u dus uitleggen hoe dat debat verlopen is.
U spreekt steeds over een ‘forfait overige eigenaarslasten van € 95,-“. Blijkens de
beschikking van de rechtbank van 21 april 2011 p. 7 stelt de rechtbank dat forfaitaire
bedrag
bij gebreke van voldoende betwisting vast. In uw beroepschrift van 28 juni 2011
klaagt u daar
niet over dat dit onjuist zou zijn. Sterker nog: in uw verweerschrift in incidenteel
appel p. 4
stelt u zelf dat ‘ter zake van de eigenaarslasten dient conform de Tremanormen te
worden
uitgegaan van € 95,00.=’. Hoezo cassatieberoep als u zelf dat standpunt hebt ingenomen?
Een zinnige klacht daarover was dus niet te formuleren. Ik ben ook helemaal niet
door de
rechtbank op de vingers getikt en er is helemaal geen schade die in enig causaal
verband
staat met mijn advisering van destijds.
Wat betreft de alimentatieprocedure verwijs ik u verder naar mijn eerdere mails.
Als gezegd acht ik de discussie gesloten.’
1.17 Op 16 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder
ingediend. Op 25, 28, 29 en 31 oktober 2024 heeft klaagster haar klacht verder toegelicht.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft ten onrechte geen cassatie ingesteld tegen de grieven die
door de advocaat van klaagster zijn geformuleerd en zijn opgenomen onder randnummer
2 van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 22 januari 2014. Volgens klaagster
wordt dit bevestigd in de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 1 februari
2022;
b) verweerder heeft de e-mail van klaagster, waarin zij een klacht over verweerder
heeft geformuleerd, pas op 12 december 2023 naar de assurantietussenpersoon van zijn
kantoor doorgestuurd.
2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen
en stukken van klager ingaan.
3 VERWEER
3.1 Primair doet verweerder een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de klacht.
In dat verband merkt verweerder op dat hij in 2012 cassatieadvies aan klaagster heeft
gegeven en voor klaagster cassatieberoep heeft ingesteld dat uitsluitend ging over
de alimentatieprocedure. Verweerder wijst erop dat klaagster daarover destijds een
klacht heeft ingediend en dat die klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond
is verklaard (ECLI:NL:TADRSGR:2017:122). Ook wijst verweerder erop dat de klachttermijn
van drie jaar is overschreden. Tot slot merkt verweerder op dat het cassatieadvies
over de boedelscheiding in 2014 door zijn toenmalige kantoorgenoot aan klaagster is
gegeven en dat klaagster hier destijds ook over heeft geklaagd (ECLI:NL:TADRSGR:2017:226).
3.2 Subsidiair voert verweerder inhoudelijk verweer tegen de klacht. Verweerder
merkt op dat hij zijn werk als cassatieadvocaat naar eer en geweten heeft gedaan.
In zijn verweer is verweerder ingegaan op zes punten uit de klacht van klaagster.
Verder betwist verweerder dat sprake is van een beroepsfout door geen cassatieberoep
voor klaagster in te stellen tegen het arrest van het gerechtshof uit 2014. Tot slot
merkt verweerder op dat aan klaagster is meegedeeld dat geen sprake is van aansprakelijkheid
en er dus verder niets over valt mede te delen aan klaagster, ook niet door zijn assuradeur.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klachtonderdeel a) is niet-ontvankelijk
4.1 De voorzitter stelt voorop dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend
binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de
feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet
gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn
is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het
recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie
beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen
van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht
om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel
46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte
van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het
verleden.
4.2 De voorzitter stelt op grond van het uitgebreide klachtdossier vast dat verweerder
in april 2012 een cassatieadvies aan klaagster heeft gegeven ten aanzien van de alimentatiebeschikking
van 11 januari 2012. Verder stelt de voorzitter vast dat verweerder weliswaar met
klaagster heeft gemaild over de mogelijkheden voor cassatieberoep tegen de beschikking
van 22 januari 2014 over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zie de
e-mail van verweerder van 28 januari 2014, maar dat het uiteindelijke (negatieve)
cassatieadvies is gegeven door mr. Van D., de kantoorgenoot van verweerder. Los van
het feit dat klaagster haar klacht over verweerder van 16 oktober 2024 dus ruimschoots
na verloop van de klachttermijn van drie jaar, en dus te laat, bij de deken heeft
ingediend, richt de klacht zich niet op de door verweerder verrichte cassatiewerkzaamheden.
Ook in het geval ervan uit zou worden gegaan dat verweerder het cassatieadvies van
april 2014 al dan niet samen met mr. Van D. aan klaagster heeft gegeven, heeft klaagster
haar klacht te laat bij de deken ingediend. Klaagster wist immers al op of omstreeks
11 april 2014 dat het cassatieberoep tegen de beschikking van 22 januari 2014 was
afgewezen en dat de door het gerechtshof bepaalde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap,
inclusief de verkoop van de echtelijke woning, daarmee onherroepelijk was geworden.
Van redenen voor verlenging van de vervaltermijn op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet
is de voorzitter niet gebleken. Tot slot ziet de voorzitter in het dossier ook geen
bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar is.
Klachtonderdeel a) is niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.3 De voorzitter is op grond van de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen
klaagster en verweerder van oordeel dat verweerder ten aanzien van de aansprakelijkstelling
door klaagster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft
de e-mail van klaagster van 11 december 2013 een dag later, op 12 december 2023, doorgestuurd
aan de assurantietussenpersoon van zijn kantoor. Daarmee heeft verweerder aan zijn
verplichting op dat punt voldaan. Bovendien blijkt dat verweerder klaagster op 10
januari 2024 nog heeft bericht dat de assurantietussenpersoon kennelijk geen aanleiding
ziet voor een reactie op de door klaagster gestelde schade, omdat er geen enkele reden
is voor aansprakelijkheid. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet,
niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 oktober 2025