ECLI:NL:TADRSGR:2025:210 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-275/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:210 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-275/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in een familierechtkwestie. Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke als advocaat van de wederpartij van klager niet overschreden. Hoewel het de voorkeur had verdiend om zich minder scherp en ferm uit te drukken, is gelet op de context waarin verweerder de bewuste bewoordingen heeft gebruikt en uitlatingen heeft gedaan geen sprake van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen. Verweerder heeft de bewoordingen mogen gebruiken en de uitlatingen mogen doen om de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen en te reageren op de advocaat van klager. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025
in de zaak 25-275/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam
over:
verweerder
gemachtigde: mr. M.R. de Kok, advocaat te Rotterdam.
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 4 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk A 2024/257 kh
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 25 augustus 2025. Daarbij
waren klager en verweerder met hun gemachtigden aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen A1 tot en met A12 en B13 tot en met B24.
Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlage van de gemachtigde van klager
van 7 mei 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de
op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager is met zijn ex-partner (hierna: de ex-partner) verwikkeld in een procedure
over de beëindiging van hun samenlevingscontract. Verweerder staat de ex-partner hierin
bij. Klager wordt bijgestaan door mr. S.
2.2 Op het kantoor van verweerder is mevrouw B. werkzaam als paralegal. Mevrouw
B. is de zus van de ex-partner van klager.
2.3 De ex-partner heeft aangifte tegen klager gedaan van zedenfeiten tegen haar
en een van hun dochters.
2.4 Op 5 december 2024 heeft bij de rechtbank Rotterdam een kort geding plaatsgevonden
tussen klager en de ex-partner. In dat verband heeft verweerder namens de ex-partner
een conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie (hierna: conclusie
van antwoord) ingediend. Daarin heeft verweerder het volgende opgenomen:
‘9. (…) De man was weinig thuis en droeg geen zorg voor de kinderen. Zodra de man
thuis was, was er een gespannen sfeer in huis. De kinderen hadden daardoor almaar
meer last van gedragsproblemen.’
‘34. (…) Immers:
• de man vindt het kennelijk nodig om coke te snuiven waar de kinderen bij zijn
(productie 12)
• de man gebruikt overmatig alcohol waarop meer dan eens niet-consensuele seks met
de vrouw volgt
(…)
• zelfs nu – bij het telefonische contact tussen vader en dochters – beeldbelt de
man met zijn dochtertje terwijl er een fles glijmiddel in het zicht op zijn bureau
staat (productie 14). De gelegitimeerde vraag van de vrouw is dan ook – mede in de
context van de in de Veilig Thuis melding geuite zorgen betreffende de man – hoe zij
het gedrag van de man moet duiden.
Uit de reactie op berichten van de vrouw aan de man – zo blijkt uit de Whatsapp
berichten die als productie worden overgelegd – kan niet blijken dat de man deze handelingen
ontkent en betwist, integendeel. Hieruit volgt eerder een bevestiging door de man
van hetgeen de vrouw heeft geconstateerd.’
‘38. Hierbij komt nog dat de zorg die de man heeft betracht voor de kinderen immer
zeer beperkt/ marginaal is geweest, Alle/ de zorg voor de minderjarige kinderen kwam
en komt gewoon overwegend neer opl bij de vrouw, De man ontbeert eenvoudig de interesse
en vaardigheden om de kinderen het nodige te kunnen bieden, Dit heeft zeker te gelden
voor [de dochter] die extra aandacht en begeleiding nodig heeft in verband met de
bij haar gediagnosticeerde autismespectrumstoornis.’
’47. [De dochter] heeft vanwege haar ASS (autismespectrumstoornis) (productie 16)
en daarmee gepaard gaande OCD en angsten speciale zorg nodig die de man niet kan bieden.
Zijn betrokkenheid bij de kinderen is altijd zeer gering/ marginaal geweest. De vrouw
heeft sedert jaren de voltijdse zorg voor de kinderen gehad en heeft deze nog steeds,
en de man was/is doorgaans bezig met zijn werk en andere dingen (uitgaan, drinken,
hobby's, vrienden etc.)’
‘60. De man acht zichzelf klaarblijkelijk ook niet in staat om de zorg te dragen
voor de kinderen. Op 4 september 2024 omstreeks 18:00 uur liep de vrouw langs de computer
en zag dat de man op ChatGPT over zijn kinderen schreef. De vrouw schrok van de inhoud
van dit bericht (productie 18). Uit de vraag aan ChatGPT blijkt dat de man zich weinig
competent toont in het dragen van de zorg voor de kinderen en zeer zeker de extra
zorg die zijn autistische dochter nodig heeft.’
‘62. Dat de man stelt dat hij vaker alleen voor de kinderen zorg heeft gedragen,
is behoudens enige incidenten onjuist. De man heeft nimmer in substantiële mate zorg
gedragen voor de kinderen. De man stelt dit wel in zijn schriftelijke verklaring aan
Veilig Thuis maar dit is apèrt onjuist. De vrouw heeft moeten constaterend dat gehele
reactie door de man is geschreven met behulp van/door Al (ChatGPT). Op deze wijze
- zo is voor te stellen - heeft de man een verklaring kunnen schrijven waarmee hij
mooi voor de dag kon komen (productie 19). De vrouw is ermee bekend dat de man bij
voortduring vragen omtrent beslissingen in zijn leven stelt aan ChatGPT en dat hij
ChatGPT zelfs als zijn vriend beschouwd.’
‘65. De man kan (thans) geen veilige en rustige omgeving bieden aan de kinderen
en heeft geen ervaring om de kinderen voor langer dan een korte tijdsduur te verzorgen.
Het gedrag van de man, al dan niet onder invloed van drank en drugs is onberekenbaar.
De man heeft suïcidale gedachten en heeft seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoond
jegens de kinderen en de vrouw waartoe thans onderzoek loopt.’
2.5 Als bijlagen bij de conclusie van antwoord heeft verweerder onder meer een
verzoekschrift voorlopige voorzieningen overgelegd waarbij een fragment van een whatsappconversatie
tussen klager en zijn ex-partner als bijlage is gevoegd.
2.6 In het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2024 is het volgende
opgenomen over de verklaring van verweerder:
‘De man doet alsof zijn neus bloedt. De man kan niet ontkennen dat hij alcohol en
cocaïne gebruikt. En dat hij vrouw heeft verkracht. Is wel gebeurd. Minder van belang
omdat het over omgangsregeling gaat, maar geeft wel weer hoe de man is.’
2.7 Op 10 december 2024 heeft klager bij de politie aangifte tegen zijn ex-partner
gedaan van cybercrime/computervredebreuk. Ook heeft klager bij de Autoriteit Persoonsgegevens
een klacht ingediend over een privacyschending met betrekking tot onrechtmatige toegang
tot zijn persoonlijke gegevens.
2.8 Op 15 april 2025 heeft de officier van justitie aan klager bericht dat klager
niet verder wordt vervolgd voor ‘verkrachting, aanranding partner en seksueel misbruik
kind’, omdat daarvoor onvoldoende bewijs is.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord en zijn pleidooi tijdens de
zitting van
5 december 2024 informatie gebruikt die op onrechtmatige wijze is verkregen uit
de persoonlijke communicatie, een ChatGPT-account, van klager. Dat is in strijd met
artikel 10a Advocatenwet;
b) verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord en zijn pleidooi tijdens de
zitting van
5 december 2024 gesteld dat er een lopend zedenonderzoek tegen klager is en dat
er een vermeende tweede melder zou zijn, terwijl klager niet als verdachte is aangemerkt
of op enige manier op de hoogte is gesteld over een dergelijk onderzoek. Het noemen
van deze onbewezen uitspraken heeft de reputatie van klager ernstig geschaad en lijkt
een poging om de positie van klager in de civiele procedure te ondermijnen. Er is
sprake van strijd met gedragsregel 36;
c) binnen het kantoor van verweerder is mogelijk sprake van belangenverstrengeling,
omdat de zus van de ex-partner daar werkzaam is;
d) verweerder heeft in de conclusie van antwoord en zijn pleidooi tijdens de
zitting van
5 december 2024 producties ingediend die bewust uit hun context zijn gehaald, waardoor
een onjuist en misleidend beeld wordt geschept van klager en zijn handelen. Het bewust
selectief presenteren van bewijs met de kennelijke bedoeling om klager in een kwaad
daglicht te stellen, draagt bij aan onnodige reputatieschade en vormt een schending
van gedragsregel 8.
Volgens klager hebben de handelingen die hij verweerder verwijt, geleid tot minder/geen
omgang met zijn kinderen en tot emotionele en reputatieschade.
3.2 De raad zal hierna bij de beoordeling op de stukken en stellingen van klager
ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder dat navraag is gedaan
naar de herkomst van de informatie en dat daaruit is gebleken dat de gebruikte informatie
is verkregen doordat klager zijn computer/tablet op automatisch inloggen had ingesteld
waardoor toegang werd verkregen tot de betreffende informatie. Volgens verweerder
was een tablet voor algemeen gebruik (familie/kinderen) en is geen sprake van kunstgrepen
waarmee de informatie werd verkregen. Daarbij merkt verweerder op dat klager verantwoordelijk
is voor de inhoud van de teksten omdat klager die zelf heeft geschreven.
Verder voert verweerder aan dat geschreven is dat aangifte tegen klager is gedaan
van zedenfeiten jegens de ex-partner en een van hun kinderen, maar dat niet is gesteld
dat klager een misdrijf heeft gepleegd of daartoe is veroordeeld. Volgens verweerder
was het in het belang van de ex-partner en de kinderen om dit gedrag van klager aan
de kaak te stellen. Daarbij merkt verweerder op dat gedragsregel 36 niet bestaat.
Daarnaast merkt verweerder op dat geen sprake is van enige belangenverstrengeling.
Verweerder wijst op zijn partijdigheid als advocaat van zijn cliënte en merkt op dat
het feit dat de zus van de ex-partner op zijn kantoor werkzaam is als paralegal klager
niet regardeert.
Tot slot voert verweerder aan dat geen feitelijke informatie is verstrekt waarvan
hij wist althans behoorde te weten dat deze onjuist is. Daarbij merkt verweerder op
dat een voor de procedure relevante passage uit deze Whatsappconversatie is afgedrukt.
Verweerder benadrukt dat van onrechtmatige verspreiding geen sprake is; er zijn feiten
aan de rechtbank gepresenteerd die blijken uit door klager geschreven stukken of apps
al dan niet met of aan de cliënte van verweerder.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over
een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de betamelijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen
tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden
verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.3 De raad kan niet vaststellen of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld door in zijn conclusie van antwoord en zijn pleidooi op 5 december 2024
onrechtmatig verkregen informatie van klager te gebruiken. Partijen verschillen immers
van mening over de wijze waarop de cliënte van verweerster aan de betreffende informatie
is gekomen en over de vraag van welk apparaat van klager deze informatie afkomstig
is. Ook als de raad wel zou kunnen vaststellen dat de informatie op onrechtmatige
wijze is verkregen door de cliënte van verweerder, leidt dat niet meteen tot de conclusie
dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is aan de civiele
rechter om te beoordelen of een bewijsstuk toelaatbaar is, waarbij hij rekening zal
houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Een advocaat die een hem door
zijn cliënte ter beschikking gesteld bewijsstuk in het geding brengt, zal dan ook,
behoudens bijzondere omstandigheden, in het algemeen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen. Het is de raad niet gebleken dat van dergelijke bijzondere omstandigheden
sprake is. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b) is ongegrond
5.4 De raad is van oordeel dat verweerder de grenzen van het betamelijke als
advocaat van de wederpartij van klager niet heeft overschreden. De door verweerder
gekozen bewoordingen en uitlatingen in de conclusie van antwoord en tijdens de zitting
van
5 december 2024 zijn behoorlijk scherp geformuleerd en de raad begrijpt dat klager
deze bewoordingen en uitlatingen als grievend heeft ervaren. Hoewel het de voorkeur
had verdiend om zich minder scherp en ferm uit te drukken, is gelet op de context
waarin verweerder de bewuste bewoordingen heeft gebruikt en uitlatingen heeft gedaan
geen sprake van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen. Verweerder heeft de
bewoordingen mogen gebruiken en de uitlatingen mogen doen om de standpunten van zijn
cliënte naar voren te brengen en te reageren op de advocaat van klager. Klachtonderdeel
b) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.5 De raad stelt voorop dat een advocaat, behoudens bijzondere omstandigheden,
niet mag optreden tegen een cliënt of een voormalige cliënt. De advocaat mag zich
immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn (voormalig)
cliënt in een belangenconflict te raken. Daarnaast moet de (voormalig) cliënt er volledig
op kunnen vertrouwen dat (vertrouwelijke) gegevens over zijn zaak, zijn persoon of
zijn onderneming die de (voormalig) cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter
beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Deze binnen
de beroepsgroep algemeen aanvaarde norm is uitgewerkt in gedragsregel 15.
5.6 De raad is van oordeel dat van een situatie als bedoeld in gedragsregel 15
geen sprake is, omdat klager geen cliënt of voormalige cliënt van verweerder is geweest.
Een mogelijke belangenverstrengeling is dan ook niet aan de orde. Daarbij merkt de
raad op dat verweerder als advocaat van de ex-partner partijdig is en uitsluitend
de belangen van zijn cliënte dient te behartigen. Hoewel de raad begrijpt dat klager
het vervelend vindt dat de zus van de ex-partner van klager op het kantoor van verweerder
werkzaam is terwijl verweerder de ex-partner bijstaat, betekent dat enkele feit niet
dat verweerder als advocaat van de ex-partner klachtwaardig ten opzichte van klager
heeft gehandeld. Van polariserend optreden van verweerder, zoals de gemachtigde van
klager ten aanzien van dit klachtonderdeel ter zitting heeft gesteld, is de raad ook
niet gebleken. Daarbij komt dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt
in te zien welk eigen belang klager bij deze klacht kan hebben, nu hij zelf geen cliënt
van verweerder is. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel d) is ongegrond
5.7 De raad is op grond van de overgelegde stukken en ter zitting afgelegde verklaringen
van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door bij
de conclusie van antwoord een verzoekschrift bij te voegen waarbij als bijlage een
fragment van WhatsAppberichten die klager met zijn ex-partner heeft gewisseld is gevoegd.
Het stond verweerder vrij deze producties over te leggen om het standpunt van zijn
cliënte te onderbouwen. De omstandigheid dat klager het daar niet mee eens is en vindt
dat hij daarmee in een kwaad daglicht wordt gesteld, betekent niet dat verweerder
deze WhatsAppberichten niet heeft mogen overleggen. Klachtonderdeel d) is dan ook
ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, en mrs. M. van Eck,
E.A.L. van Emden, D.G.M. van den Hoogen en A.N. Kampherbeek, leden, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden 20 oktober 2025