ECLI:NL:TADRSGR:2025:209 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-254/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:209 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-254/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in strafzaken. De klacht is in alle onderdelen ongegrond. Niet gebleken is dat verweerder klagers belagen niet adequaat heeft behartigd, dat klager onbehoorlijk is geïnformeerd of dat hij anderszins gebrekkig is begeleid. Hoewel klager op momenten langer dan gebruikelijk op een reactie heeft moeten wachten, blijkt niet dat verweerders communicatie daadwerkelijk onvoldoend was. Onbetwist is gesteld dat de communicatie op cruciale momenten wel voldoende was. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025
in de zaak 25-254/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 september 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 14 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K194 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 19 april 2023 heeft klager contact opgenomen met het kantoor van verweerder
voor bijstand in een strafzaak. Verweerder heeft klager vervolgens bijgestaan.
2.3 Op 25 mei 2023 heeft verweerder (in de zaak met parketnummer 96/132042-21)
aan de officier van justitie gemaild:
“In de zaak met opgemeld parketnummer is het besluit genomen om cliënt te dagvaarden
(dagvaarding is nog niet uitgebracht) omdat - zo begrijpt de verdediging - cliënt
niet is verschenen na een oproep voor een OM-zitting. Cliënt heeft mij te kennen gegeven
dat hij de oproep niet heeft ontvangen. Hij wenst echter graag alsnog de kans te krijgen
om te beproeven of deze zaak buiten de rechter om op een OM-zitting kan worden afgedaan.
Ik verzoek u hem daarom nogmaals uit te nodigen voor een OM-hoorgesprek.”
2.4 In juli 2023 is klager door het OM gedagvaard om te verschijnen voor de politierechter.
2.5 Bij brief van 1 september 2023 heeft verweerder de officier van justitie
verzocht twee personen als getuigen op te roepen voor de op 13 september 2023 geplande
zitting, om de verklaring van klager dat hij alsnog wilde meewerken aan het bloedonderzoek
te verifiëren.
2.6 Op 13 september 2023 is de zaak door de politierechter behandeld. Verweerder
heeft klager ter zitting bijgestaan. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat
het onderzoek is aangehouden, zodat een aanvullend proces-verbaal kon worden opgemaakt.
De volgende zitting werd bepaald op 20 december 2023.
2.7 Op 20 december 2023 is de behandeling van de zaak hervat door een andere
politierechter. Verweerder heeft klager ter zitting bijgestaan. Klager is door de
politierechter veroordeeld voor overtreding van art. 163 lid 6 Wegenverkeerswet (het
weigeren van medewerking aan bloedonderzoek na verdenking van rijden onder invloed
van drugs) tot een werkstraf van 30 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid
van 6 maanden.
Het klachtdossier bevat alleen de eerste pagina van het proces-verbaal van deze
zitting.
2.8 Op 2 januari 2024 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter
van 20 december 2023.
2.9 Op 15 januari 2024 hebben klager en verweerder via WhatsApp onder meer de
volgende berichten uitgewisseld:
Verweerder: “Mijne inziens moeten we de twee verbalisanten als getuigen oproepen
waarvan jij hebt verklaard dat je aan hen hebt aangegeven dat je alsnog wenste mee
te werken.”
Klager: “Bestuurder aandragen aangezien daar vragen over zijn en nog altijd geen
duidelijkheid over is?”
Verweerder: “Daar ziet de verdediging uiteindelijk niet op, de verdenking is de
weigering om mee te werken aan een onderzoek naar rijden onder invloed.”
Klager: “Waarom sprak de rechter op het einde dan over bestuurderschap? Ik word
in feite gestraft voor niets. Hij had daar tussendoor tijdens de zitting ook vragen
over. Dus ik zou niet weten waarom het niet relevant zou zijn” (…)
Verweerder: “Uiteindelijk hoeft een rechter niet vast te stellen of jij wel of geen
bestuurder bent geweest. Er mag medewerking aan een onderzoek worden bevolen als er
een verdenking (een redelijk vermoeden) van het rijden onder invloed bestaat. Daarvoor
staat m.i. voldoende in het PV. Belangrijke vraag blijft of jij binnen de onderzoekstijd
alsnog jouw medewerking hebt willen verlenen. Daar is de rechter te makkelijk overheen
gestapt.”
(…)
Klager: “In de uitgebreide tenlastelegging/verdenking staat ook het deel in de geest
van ‘tegen wie de verdenking is gerezen een voertuig te hebben bestuurd’ heeft niet
voldaan aan het bevel of zich onderworpen aan een bloedonderzoek. Of zeg ik nu iets
dat niet klopt?”
(…)
Verweerder: “Tegen wie de verdenking is gerezen: dat is waar ik op doelde. Er moet
een verdenking zijn om een bevel af te geven. De feiten en omstandigheden die genoemd
zijn in het pv. waarom ze jou verdenken zijn m.i. voldoende om het bevel te geven.
Omdat de zaak nu gaat over de weigering hoeven ze niet te bewijzen dat jij bestuurder
was. Dat had pas gehoeven op het moment dat jij had meegewerkt en er uit onderzoek
zou volgen dat je onder invloed was.
(…)
Klager: “Maar wat als ik kan bewijzen dat ik niet de bestuurder was icm met hun
pv. Ze hebben niets verklaard noch wat gezien van de bestuurder.”
(…)
Verweerder: “Ze hebben in het PV de omstandigheden geschetst waardoor de verdenking
tegen jou ontstond. Dat is voldoende om jou te bevelen mee te werken aan het onderzoek.
Zoals gezegd, als je had meegewerkt en als daar middelen gebruik uit volgde dan was
de vraag relevant geworden of jij daadwerkelijk bestuurder was. Maar vanwege de weigering
(waar jij op terug bent gekomen) hoeft de vraag of jij bestuurder was niet meer te
worden bewezen. Zelfs als je dat aantoont zal je niet worden vrijgesproken van de
weigering.”
(…)
Klager: “Dit stuk is voor mij helder. Echter snap ik niet waarom de rechter dat
stuk over bestuurderschap toch ter sprake bracht in zijn vonnis. Zijn beredenering
over het weigeren is ook aan te vallen in hb neem ik aan?”
2.10 In de appelschriftuur van 16 januari 2024 heeft verweerder samengevat aangevoerd
dat klager binnen de termijn is teruggekomen op zijn eerdere weigering, waarmee geen
sprake is van een voltooide weigering in de zin van art. 163 lid 6 WVW. Verweerder
heeft in de appelschriftuur opgenomen dat hij niet beschikt over een uitgewerkt proces-verbaal
en uitgewerkt vonnis.
2.11 Klager is in een andere zaak (parketnummer 08/293182-20) uitgenodigd voor
een OM-hoorzitting op 2 april 2024.
2.12 Op 19 februari 2024 laat klager via WhatsApp aan verweerder weten dat hij
een afspraak met de reclassering heeft ingepland. Klager vraagt in zijn bericht of
het normaal zo is dat de advocaat hierbij aanwezig is of dat klager daar zelfstandig
naartoe hoort te gaan.
2.13 Verweerder heeft diezelfde dag via WhatsApp gereageerd: “Bij een gesprek
met de reclassering is geen advocaat aanwezig.” Klager heeft dit bericht beantwoord
met een ‘duimpje omhoog’.
2.14 Klager stuurt vervolgens via WhatsApp verschillende berichten aan verweerder,
waaronder:
Op 14 maart 2024: “Wanneer heb jij tijd om het te hebben over de komende OM-zitting?”
Op 18 maart 2024: “Zojuist was ik op zoek naar de dagvaarding van de OM-zitting.
Deze kan ik helaas niet terugvinden. Ik verneem graag nog van je om een bespreking
in te plannen. Ik geloof dat de OM-zitting ergens in april stond.”
Op 20 maart 2024:“Ik wil je middels dit bericht graag herinneren aan mijn voorgaande
berichten. Ook heb ik zojuist een rapport ontvangen vanuit Reclassering dat mij verontrust.
Hier zou ik het graag met je over willen hebben op korte kortermijn, gezien volgens
het rapport de zitting plaats moet vinden op 2 april 2024.”
2.15 Op 20 maart 2024 reageert verweerder via WhatsApp en stelt voor de volgende
dag contact te hebben. Klager stuurt daarop via WhatsApp het reclasseringsadvies en
zijn reactie daarop aan verweerder.
2.16 Op 26 maart 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder: “Ik heb zojuist
verlof gevraagd voor 2 april as., ik ben er dus gewoon bij. Zullen we misschien samen
daarheen gaan?”
2.17 Op 29 maart 2024 is er telefonisch contact geweest tussen klager en verweerder.
2.18 Op 2 april 2024 (om 9.25 uur) stuurt verweerder via WhatsApp de intrekking
voor de hoorzitting van die dag aan klager.
2.19 Op 9 april 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder: “Ik kwam zojuist
te weten over het adolescentenrecht art 77 Sv. Mogelijk dat dit een goede (aanvullende)
gronden zijn om al mijn zaken op te baseren. Verneem graag van je of je hier mee bekend
bent en wanneer je hierover kunt sparren”
2.20 Bij brief van 23 mei 2024 heeft het OM klager geïnformeerd dat in zaak 08/293182-20
is besloten om klager niet meer te vervolgen, omdat hiervoor onvoldoende bewijs is
(kennisgeving sepot).
2.21 Op 24 mei 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder of het een idee
is om het binnenkort over het adolescentenstrafrecht te hebben met het oog op de hoger
beroep zaken.
2.22 Op 25 mei 2024 stuurt klager via WhatsApp aan verweerder: “Goedemiddag,
De brief met daarin de kennisgeving sepot is naar mijn ouderlijk huis gestuurd
Het OM heeft dus een fout adres gebruikt, daar ben ik eigenlijk niet over te spreken.
Is hier nog wat aan te doen?”
2.23 Op 6 juni stuurt klager een ondertekend verzoekschrift aan verweerder.
2.24 Op 28 juni 2024 is de behandeling van klagers zaken overgenomen door mr.
C.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
1) Niet adequaat behartigen van klagers belangen: Verweerder is tekortgeschoten
in het adequaat voorbereiden en vertegenwoordigen tijdens cruciale zittingen, wat
resulteerde in een suboptimale verdediging van klagers belangen. Dit heeft klagers
vertrouwen in de juridische vertegenwoordiging ernstig geschaad.
2) Tegen klagers wil handelen: Verweerder heeft ten onrechte klagers standpunten
niet meegenomen in de gekozen processtrategie , waardoor cruciale verdedigingsgronden
niet zijn meegewogen in klagers zaak. Dit heeft geleid tot een onterechte veroordeling
en ongunstige strafmaatregelen.
3) Onbehoorlijke voorlichting: Het nalaten van tijdige en relevante communicatie
over veranderingen in de rechtbank en de inhoudelijke beoordeling van klagers zaak
heeft geleid tot een ongegronde negatieve beoordeling door de rechter en verdere schade
aan klagers zaak.
4) Gebrekkige begeleiding in andere zaken: Het onterechte advies om een strafbeschikking
te accepteren en de inadequate beoordeling van het reclasseringsrapport wijzen op
een tekortkoming in de zorgvuldige begeleiding van klagers zaken.
5) Nalaten te reageren op hulpvragen: Het gebrek aan adequate communicatie en
opvolging bij belangrijke vragen heeft klagers vermogen om geïnformeerde beslissingen
te nemen ernstig belemmerd en klagers juridische positie ernstig verzwakt.
6) Verkeerde adressering afdoeningsbrief: Het verzenden van belangrijke juridische
documenten naar een verkeerd adres heeft geleid tot een inbreuk op klagers privacy
en een ongemakkelijke situatie met zijn familie.
7) Ontbreken van schriftelijke verslagen en documentatie: Het ontbreken van schriftelijke
verslagen van de zittingen heeft geleid tot verwarring en onzekerheid over de voortgang
en uitkomsten van klagers zaken, wat zijn rechtspositie heeft benadeeld.
8) Belangenverstrengeling: De tijdsdruk en de mogelijke belangenverstrengeling
door de werklast van verweerder hebben geleid tot een inadequate behandeling van klagers
zaak en een ondermijning van de kwaliteit van de rechtsbijstand.
9) Onvoldoende opvolging en verzuim in het verkrijgen OM-zitting: Het verzuim
om de uitnodiging voor de OM-zitting adequaat op te volgen heeft geleid tot extra
juridische complicaties en kosten, wat duidt op een gebrek aan doelmatigheid in de
rechtsbijstand.
3.2 Klager stelt dat sprake is van schending van gedragsregels 1, 5, 9, 11, 13,
14 en 15.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
4.2 Klachtonderdeel 1): Verweerder voorzag op 19 december 2023, een dag voor
de zitting van 20 december 2023, dat hij mogelijk niet tijdig bij de rechtbank in
Den Haag zou kunnen zijn voor de zitting van klager vanwege een andere zaak. Verweerder
heeft dit, en de mogelijkheid van waarneming door een kantoorgenote, telefonisch met
klager besproken. Verweerder heeft klager ook voorgehouden dat het verzoeken om aanhouding
tot de mogelijkheden behoorde. Klager gaf aan beide oplossingen onwenselijk te vinden.
Verweerder heeft daarna in andere zaken afspraken gemaakt, waardoor hij tijdig weg
kon. Daardoor heeft verweerder klager alsnog zelf kunnen bijstaan op de zitting van
20 december 2023. Verweerder betwist dat hij zich gebrekkig had voorbereid en dat
hij onvoldoende aandacht had voor de zitting.
4.3 Klachtonderdeel 2): Verweerder heeft de wijze van verdediging toegelicht.
Hij stelt dat het bestuurderschap in de voorbereiding op de zittingen is besproken
en dat uiteindelijk is gekozen voor een strategie waarin het terugkomen op de initiële
weigering, waardoor geen sprake was van een voltooide weigering, centraal stond. Die
keuze volgt ook uit het gegeven dat de onderzoekswensen voor de zitting van 13 september
2023 daarop zijn toegespitst en er op die zitting ook vooral daarover is gesproken.
Ook via WhatsApp is daarover gesproken en ook de appelmemorie is op die manier ingestoken.
Verweerder beschikt niet over het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2023.
Voor zover hij inderdaad heeft aangegeven dat ‘het bestuurderschap niet ter discussie
stond’ heeft hij daarmee bedoeld aan te geven dat de zaak daar niet over gaat omdat
het bestuurderschap niet bewezen hoeft te worden. Verweerder stelt niet expliciet
het standpunt te hebben betrokken dat klager zou hebben gereden.
4.4 Klachtonderdeel 3): Verweerder heeft toegelicht dat een zaak na aanhouding
niet automatisch door dezelfde rechter wordt behandeld. Aan advocaten wordt niet op
voorhand kenbaar gemaakt wie de rechter zal zijn. Ook als op voorhand bekend was geweest
dat een andere rechter de zaak zou doen, was de zaak niet anders voorbereid.
4.5 Klachtonderdeel 4): Verweerder stelt dat in de zaak met parketnummer 08-293182-20
telefonisch is gesproken over de uitnodiging voor de OM-hoorzitting op 2 april 2024.
In dat telefoongesprek is het accepteren van een strafbeschikking als een van de mogelijke
uitkomsten besproken. Verweerder heeft klager, na bestudering van het dossier, op
25 maart 2024 geadviseerd en aangegeven dat het dossier voldoende handvatten bevatte
voor een pleitbaar verzoek voor een bewijssepot. Met betrekking tot het reclasseringsadvies
heeft verweerder aangegeven dat klager hem niet heeft gevraagd aanwezig te zijn bij
het gesprek met de reclasseringsmedewerker. In de optiek van verweerder was het rapport
niet overwegend negatief.
4.6 Klachtonderdeel 5): Verweerder kan klager deels volgen in dit verwijt. Klager
heeft soms lang op antwoord moeten wachten. Verweerder heeft de omstandigheden die
daartoe hebben geleid toegelicht. Verweerder stelt dat hij op de momenten dat het
ertoe deed, rondom de zittingen, adequate bijstand heeft verleend en dat binnen de
geldende termijnen onderzoekswensen zijn ingediend en tijdig beroep is ingesteld.
4.7 Klachtonderdeel 6): Verweerder heeft toegelicht dat het OM dergelijke brieven
verstuurt naar het BRP-adres van de betrokkene. Verweerder heeft hier geen betrokkenheid
bij gehad.
4.8 Klachtonderdeel 7): Verweerder heeft toegelicht dat hij alleen beschikt over
een proces-verbaal van de zitting van 13 december 2023. Verweerder beschikt niet over
het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2023. Klager heeft niet om het proces-verbaal
verzocht. Als klager bepaalde stukken had willen ontvangen, had verweerder dat graag
vernomen en had hij die verstrekt.
4.9 Klachtonderdeel 8): Gedragsregel 15 ziet niet op de situatie die klager beschrijft.
Dat klager door drukte soms langer op antwoord heeft moeten wachten, is spijtig. Verweerder
verwijst naar zijn reactie bij klachtonderdeel 5.
4.10 Klachtonderdeel 9): Verweerder heeft de officier van justitie bij e-mail
van 25 mei 2023 verzocht om de zaak weer op een OM-hoorzitting te plaatsen en daarbij
aangegeven dat klager de oproep niet had ontvangen. Het OM heeft daaraan geen gevolg
gegeven.
4.11 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de (eigen)
advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit
duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening
met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden
gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De
tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de
gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij
die toets.
Klachtonderdeel 1) – niet adequaat behartigen belangen
5.3 Dit verwijt ziet op de zitting van 20 december 2023. Verweerder heeft toegelicht
dat hij een dag voor de zitting voorzag dat hij, vanwege een andere zaak, klager mogelijk
niet bij de zitting kon bijstaan. Hij heeft dit telefonisch met klager besproken en
de mogelijkheid van bijstand door een kantoorgenoot voorgelegd. Voorstelbaar is dat
dit voor klager tot onzekerheid heeft geleid. Dat maakt echter niet dat sprake is
van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder. Een advocaat heeft nu eenmaal
meer cliënten. Verweerder heeft het zo geregeld dat hij alsnog bij de zitting kon
zijn en hij heeft klager ter zitting ook bijgestaan. Dit verwijt is daarom ongegrond.
5.4 Dat verweerder de zitting gebrekkig had voorbereid en dat hij onvoldoende
aandacht had voor de zitting is door klager onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit
dat verweerder ook een andere zaak had diezelfde dag (of kort daarvoor) is daarvoor
onvoldoende. Verweerder heeft betwist dat zijn optreden ter zitting onvoldoende was.
De raad kan de juistheid van dit verwijt niet vaststellen. Ook dit verwijt is ongegrond.
Klachtonderdeel 2) – onvoldoende verdedigen van belangen
5.5 Dit verwijt ziet eveneens op de zitting van 20 december 2023. De politierechter
heeft klager kennelijk expliciet gevraagd naar het bestuurderschap van het voertuig.
Wat door verweerder precies is gezegd, kan de raad niet vaststellen. Klager heeft
alleen de eerste pagina van het proces-verbaal van de zitting overgelegd en daaruit
blijkt niet dat deze vraag is gesteld en wat daarop het antwoord was. Dat verweerder
heeft erkend dat klager bestuurder was, is niet gebleken. Voor zover verweerder heeft
opgemerkt dat het bestuurderschap niet ter discussie stond, is dat geen erkenning
van het bestuurderschap als zodanig. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat een
redelijk vermoeden van schuld dat klager de bestuurder was voldoende was voor de gekozen
processtrategie. Dit bleek volgens verweerder uit het proces-verbaal. Verweerder stelt
de strategie, gericht op de stelling dat geen sprake was van een voltooide weigering
om medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek, met klager besproken te hebben.
Hoewel dit niet expliciet blijkt uit het klachtdossier, ziet de raad daarvoor voldoende
bevestiging in verweerders brief van 1 september 2023 en de wijze waarop de zitting
van 13 september 2023, waarbij klager aanwezig was, is verlopen. Bovendien is dezelfde
strategie gevoerd in de namens klager ingediende appelmemorie. Dat een cruciaal punt
over het hoofd is gezien, blijkt niet. Dat klager door de politierechter is veroordeeld,
betekent niet dat verweerder tekort is geschoten in de verdediging van klagers belangen.
Ook deze verwijten zijn ongegrond.
Klachtonderdeel 3) – onbehoorlijke voorlichting
5.6 Klager verwijt verweerder dat hij niet vooraf op de hoogte is gesteld van
het feit dat de rechter op 20 december 2023 een ander was dan de rechter die de zaak
op 13 september 2023 had behandeld. Hoewel verweerder vooraf met klager de mogelijkheid
had kunnen bespreken dat een andere rechter de zitting van 20 december 2023 zou doen,
maakt dat niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Op voorhand
was, ook voor verweerder, niet te voorspellen hoe een andere rechter naar de zaak
zou kijken. De voorbereiding van de zaak veranderde daardoor ook niet. Dat klager
er niet van op de hoogte was, is voor klager misschien vervelend, maar hij is daardoor
niet in zijn belangen geschaad. Dit verwijt is ongegrond.
Klachtonderdeel 4) – gebrekkige begeleiding in andere zaken
5.7 Dit klachtonderdeel ziet allereerst op het volgens klager gegeven advies
om een strafbeschikking te accepteren. De raad begrijpt dat verweerder telefonisch
de opties heeft toegelicht die bij een OM-hoorzitting mogelijk zijn, waaronder het
accepteren van een strafbeschikking. Dat hij op dat moment daadwerkelijk heeft geadviseerd
een strafbeschikking te accepteren, blijkt niet. Dat kan ook pas op het moment dat
de officier van justitie tijdens de OM-hoorzitting een strafbeschikking aanbiedt.
Zo ver is het niet gekomen. Verweerder heeft verder toegelicht dat hij na bestudering
van het dossier heeft geadviseerd te verzoeken om een sepot. Klager heeft dit niet
betwist. De raad kan dan ook niet vaststellen dat verweerder heeft geadviseerd een
strafbeschikking te accepteren. Dit verwijt mist daarmee feitelijke grondslag en is
ongegrond.
5.8 Klager verwijt verweerder verder dat hij hem onvoldoende heeft begeleid in
het traject met de reclassering. Uit de WhatsApp-gesprekken blijkt dat klager verweerder
heeft gevraagd of het normaal is dat een advocaat meegaat naar een gesprek met de
reclassering. Verweerder heeft daarop laten weten dat een advocaat daar niet bij is.
Klager heeft daarop gereageerd met een ‘duimpje omhoog’ emoticon, waarmee klager te
kennen gaf akkoord te zijn met het antwoord van verweerder. Verweerder heeft een andere
visie op het reclasseringsrapport dan klager. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Verweerder heeft bovendien onbetwist gesteld dat uiteindelijk een bewijssepot is gevolgd.
Niet gebleken is dat het reclasseringsrapport en klagers reactie daarop daarvoor relevant
zijn geweest. Ook dit verwijt is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 5) – nalaten tijdig te reageren
5.9 Hoewel verweerder heeft toegelicht dat en waardoor klager soms langer dan
gebruikelijk moest wachten op een reactie, blijkt uit het klachtdossier niet dat verweerders
communicatie daadwerkelijk onvoldoende was. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat
hij op cruciale momenten wel (voldoende) heeft gecommuniceerd en tijdig onderzoekswensen
en beroep heeft ingesteld. Op grond van de in het klachtdossier aanwezige WhatsApp-correspondentie
kan de raad alleen vaststellen dat klager in april/mei 2024 langer op een reactie
heeft moeten wachten. Voor de geplande OM-hoorzitting van 2 april 2024 is wel contact
geweest en verweerder heeft klager de ochtend van de zitting geïnformeerd dat de zitting
toch niet doorging. Dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij op momenten
wat langer op een reactie heeft moeten wachten, is de raad niet gebleken. Dit verwijt
is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 6) – verkeerde adressering afdoeningsbrief
5.10 Het is duidelijk dat de brief van het OM van 23 mei 2024 naar het verkeerde
adres (de ouders van klagers in plaats van naar klager) is gestuurd. Zoals verweerder
terecht opmerkt is hij niet betrokken bij de adressering en het op de post doen van
een brief van het OM. De onjuiste adressering is dan ook niet aan verweerder te wijten.
Voor zover klager verweerder ook verwijt dat verweerder hierop niet adequaat heeft
gereageerd, geldt dat klager niet concreet aan verweerder heeft gevraagd hierop actie
te ondernemen. Dit verwijt is ongegrond.
Klachtonderdeel 7) – ontbreken schriftelijke verslagen
5.11 Verweerder erkent dat hij het proces-verbaal van de zitting van 13 september
2023 niet met klager heeft gedeeld. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat klager
daar (eerder) ook niet om heeft verzocht. Klager was bij de zitting aanwezig en wist
dus wat er besproken was. Dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij niet
het proces-verbaal beschikte, is de raad niet gebleken. Inmiddels beschikt hij overigens
wel over dit proces-verbaal.
5.12 Verweerder stelt dat hij niet over het proces-verbaal van de zitting van
20 december 2023 beschikt. Klager stelt dat uit het dossier van zijn opvolgend advocaat
blijkt dat het proces-verbaal van die zitting wel degelijk beschikbaar is. Dat betekent
naar het oordeel van de raad niet dat verweerder daarover ook de beschikking had.
De raad kan niet vaststellen wanneer het proces-verbaal is opgesteld, maar gebruikelijk
is dat dit bij politierechterzaken pas gebeurt nadat hoger beroep is ingesteld. In
de appelschriftuur is in ieder geval vermeld dat het proces-verbaal op dat nog moment
nog niet beschikbaar was. Nu de raad niet kan vaststellen dat verweerder over het
proces-verbaal beschikte, kan hem ook niet verweten worden dat hij dit niet aan klager
heeft verstrekt. Deze verwijten zijn ongegrond.
Klachtonderdeel 8) - belangenverstrengeling
5.13 Klager verwijt verweerder belangenverstrengeling, waarmee klager bedoelt
dat de behandeling van zijn zaak heeft geleden onder het feit dat verweerder ook veel
andere zaken had en het druk was op zijn kantoor. Gedragsregel 15 ziet niet op deze
situatie, maar op het optreden tegen een oud-cliënt. Zoals hiervoor al overwogen heeft
een advocaat nu eenmaal meer cliënten. Dat verweerder de zaak inadequaat heeft behandeld
en/of ondermaatse kwaliteit heeft geleverd, is de raad niet gebleken. Dit verwijt
is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 9) – OM-zitting
5.14 Klager verwijt verweerder onvoldoende opvolging bij c.q. verzuim in het
verkrijgen van een OM-zitting. Verweerder heeft de officier van justitie op 25 mei
2023 echter wel degelijk verzocht om alsnog een OM-zitting te plannen, nadat klager
de oproep kennelijk niet had gekregen. Verweerder kan niet verweten worden dat de
officier van justitie vervolgens heeft besloten klager toch de dagvaarden. Verweerder
heeft met zijn verzoek aan de officier van justitie voldoende gedaan op dit punt.
Ook dit verwijt is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, G. Sarier, M.F.H. Broekman en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025