ECLI:NL:TADRSGR:2025:208 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-194/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:208 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-194/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over belangenverstrengeling. Verweerder heeft opgetreden tegen (de moedermaatschappij van) zijn oud-werkgever. De raad is van oordeel dat verweerders optreden in dit geval de grens van het betamelijke overschrijdt. Klacht is gegrond. Geen maatregel. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025
in de zaak 25-194/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: [F]
over
verweerder
gemachtigde: mr. K.H.L. van Waasbergen
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 19 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/034 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij
waren de gemachtigde van klaagster, verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail met bijlagen van verweerder van 22 april 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder is van 27 augustus 2018 tot (en met) september 2020 in dienst
geweest bij klaagster in de functie van commercieel medewerker (Teammember Commerce).
2.3 [FFH] BV (hierna: FFH BV) is (via een holding) de moedermaatschappij van
klaagster. De gemachtigde van klaagster is tevens bestuurder van FFH BV.
2.4 Op 15 juli 2024 heeft mr. M, namens [S] B.V. (hierna S BV), FFH BV gedagvaard
in verband met een geschil over een door S BV vanaf 2016 aan FFH BV verstrekte geldlening.
De dagvaarding maakt onderdeel uit van het klachtdossier.
2.5 Verweerder is op 26 juli 2024 beëdigd als advocaat. Hij was daarvoor al enige
maanden als jurist werkzaam bij het kantoor waar hij nu advocaat is. De zaak tegen
FFH BV is in het voorjaar van 2024 via een bekende van verweerder (dhr. T) bij verweerder
en, via hem, bij zijn kantoorgenoot mr. M terechtgekomen. Verweerder heeft vanaf
het begin aan de zaak tegen FFH BV meegewerkt, onder leiding van mr. M en/of zijn
patroon mr. W.
2.6 In de zomer van 2024 is schikkingsoverleg gevoerd tussen S BV en FFH BV.
Daarbij is het punt van verweerders betrokkenheid aan de orde gekomen.
2.7 Op 27 november 2024 heeft mr. M. aan de rechtbank laten weten dat verweerder
de nieuwe advocaat van S BV is.
2.8 Op 12 december 2024 heeft klaagster deze klacht ingediend bij de deken.
2.9 Op 5 februari 2025 heeft de advocaat van FFH BV verzocht om aanhouding van
de op 13 februari 2025 geplande zitting vanwege de tegen verweerder ingediende klacht.
Dit verzoek is afgewezen.
2.10 Op 5 maart 2025 is door de rechtbank een (tussen)vonnis gewezen in de zaak
van S BV tegen FFH BV. Dit vonnis maakt onderdeel uit van het klachtdossier.
2.11 De deken heeft zich in zijn visie van 18 maart 2025 op het standpunt gesteld
dat verweerder – door als advocaat te procederen tegen zijn voormalig werkgever –
in strijd met de kernwaarden handelt. Verweerder heeft gelet op dat standpunt de behandeling
van de zaak daarna overgedragen aan een andere advocaat.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder dat hij als voormalig werknemer misbruik maakt van vertrouwelijke informatie.
3.2 Klaagster heeft toegelicht dat verweerder een voormalig werknemer is van
klaagster en dat hij nu als advocaat optreedt tegen een groepsmaatschappij van klaagster.
Verweerder maakt daarmee tijdens zijn werk als advocaat misbruik van vertrouwelijke
informatie die hij enkel uit hoofde van zijn eerdere dienstverband bij klaagster heeft
verkregen. Deze vertrouwelijke informatie betreft essentiële kennis over de groep,
de organisatie, de onderneming en over de uiteindelijke belanghebbende (UBO). Klaagster
stelt dat verweerder daarmee handelt in strijd met de vertrouwelijkheid en loyaliteit
die voortvloeien uit zijn voormalig dienstverband. Gezien zijn vertrouwelijke kennis
over de zaken van klaagster, lijkt het klaagster onverenigbaar dat hij nu tegen haar
groepsmaatschappij optreedt.
3.3 Klaagster heeft concreet aangevoerd dat verweerder en de gemachtigde (bestuurder)
van klaagster destijds hebben samengewerkt aan diverse procedures, waardoor verweerder
de bestuurder van klaagster op een andere manier kent dan normaal het geval is bij
een advocaat van de wederpartij. In zijn rol als juridisch onderlegd sparring partner
heeft verweerder destijds zeker toegang gehad tot informatie die relevant is voor
de procedure(s) die nu wordt/worden gevoerd. Zo weet hij onder meer welke afwegingen
een rol speelden bij het wel of niet aangaan van bepaalde contracten en welke overwegingen
belangrijk waren bij de keuze om al dan niet te procederen of verweer te voeren. Daarmee
beschikt verweerder over strategische informatie over (de groep van) FFH BV en over
de gemachtigde van klaagster als UBO, die een andere advocaat niet heeft. Alle medewerkers
van de groep werkten samen op dezelfde locatie, in hetzelfde pand, zodat het feit
dat verweerder in dienst was bij klaagster en niet bij FFH BV wat betreft zijn kennis
over de groep geen relevante rol speelt. De informatie die verweerder over de gemachtigde
van klaagster en over diens opstelling in geschillen heeft, is volgens de gemachtigde
van klaagster daardoor wel degelijk ook relevant voor de zaak tegen FFH BV. Verweerder
is uit hoofde van zijn dienstverband bekend met de familie van klaagsters gemachtigde
en – bijvoorbeeld – met het bestaan van een persoonlijke holding van de echtgenote
van de bestuurder. Die informatie wordt nu in de procedure tegen FFH BV gebruikt.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat S BV hem
op 14 mei 2024 telefonisch heeft benaderd voor juridisch advies over een door haar
met FFH BV gesloten overeenkomst van geldlening. Op 26 juli 2024 is verweerder beëdigd
als advocaat. Toen de eerste procedures namens S BV tegen FFH BV aanhangig zijn gemaakt,
was verweerder nog geen advocaat. Om die reden heeft verweerders kantoorgenoot (mr.
M) in eerste instantie als behandelend advocaat namens S BV opgetreden. Verweerder
merkt op dat S BV zijn cliënte is en dat hij, onder begeleiding van zijn patroon,
vanaf het begin aan deze zaak gewerkt heeft. In goed overleg met S BV heeft verweerder
zich op 27 november 2024 als opvolgend behandelend advocaat gesteld.
4.2 Verweerder stelt dat hij geen vertrouwelijke informatie tot zijn beschikking
heeft gekregen over FFH BV en zeker geen vertrouwelijke informatie die een rol zou
kunnen spelen in de procedure waarin hij als advocaat namens S BV tegen FFH BV optreedt.
Hij stelt dat alle voor de procedure gebruikte informatie afkomstig is van zijn cliënt
en/of uit openbaar te raadplegen bronnen. Verweerder wijst er bovendien op dat hij
ten tijde van zijn dienstverband met klaagster geen advocaat was en nog niet eens
was afgestudeerd. Verweerder stelt dat het belang van een vrije advocaatkeuze moet
worden meegewogen.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in
de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Een advocaat dient zich te allen tijde
te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Beoordeling klacht
5.2 In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder in de gegeven omstandigheden,
zonder schending van de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit, als advocaat
mag optreden tegen (de moedermaatschappij van) zijn oud-werkgever. Verweerder was,
in de tijd dat hij bij klaagster werkte, geen advocaat. Dat is echter niet relevant,
omdat het nu gaat om de vraag of verweerders huidige optreden als advocaat tuchtrechtelijk
toelaatbaar is of niet.
5.3 De raad stelt voorop dat op de vraag of een advocaat tuchtrechtelijk laakbaar
handelt als hij zich als advocaat stelt in een zaak tegen zijn oud-werkgever geen
eenduidig antwoord valt te geven. Het antwoord op die vraag hangt af van alle omstandigheden
van het concrete geval. Verweerder heeft het voorbeeld aangevoerd van een AH-vakkenvuller
die later als advocaat tegen Ahold optreedt. In die situatie is het optreden als advocaat
tegen Ahold met het oog op de omvang van het bedrijf en de (niet adviserende) rol
die de betrokkene tijdens zijn dienstverband heeft gehad in beginsel niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar. Dat is echter een kwestie die zich aan de ene kant van het spectrum bevindt.
De andere kant van het spectrum is de advocaat die voor een cliënt optreedt tegen
zijn eigen voormalige kantoor voor een door hemzelf tijdens zijn dienstverband gemaakte
beroepsfout. Dat is een schending van de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit
(zie Raad van Discipline ’s-Hertogenbosch 27 januari 2020, ECLI:NL:TADRSHE:2020:10).
5.4 Voor de beoordeling van deze zaak zijn naar het oordeel van de raad de volgende
omstandigheden relevant:
- Verweerder heeft ruim twee jaar als commercieel medewerker voor klaagster gewerkt.
Zijn werkzaamheden zagen op onder meer het afsluiten van in- en verkoopcontracten,
het incasseren van handelsfacturen en de dossiervorming van de incassowerkzaamheden
om die data vervolgens over te dragen aan de huisadvocaat van klaagster.
- Alle medewerkers van klaagster en haar groepsmaatschappijen (waaronder FFH
BV) werkten samen op één locatie, in hetzelfde pand (totaal ongeveer 58 medewerkers).
Verweerder had een manager boven zich en daarboven stond de gemachtigde (bestuurder)
van klaagster (die tevens de bestuurder van FFH BV is). Vanwege zijn juridische belangstelling
had verweerder direct en persoonlijk contact met de gemachtigde van klaagster.
- Het geschil tussen S BV en FFH BV dateert van na het vertrek van verweerder
als werknemer. Het geschil betreft de terugbetaling van een al langer bestaande geldlening
van S BV aan FFH BV.
- Verweerder kreeg de hulpvraag in de zaak tegen klaagster (c.q. FFH BV) voorgelegd
ruim drie en een half jaar nadat hij bij klaagster was vertrokken.
5.5 Naar het oordeel van de raad maken de voornoemde omstandigheden dat verweerder
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid diende af te wegen of hij zich in de zaak
wel als behandelend advocaat kon stellen zonder schending van de kernwaarden onafhankelijkheid
en integriteit. Dat hij bij klaagster formeel alleen werkzaam is geweest als commercieel
medewerker en daar al ruim drie en een half jaar weg was, zijn weliswaar omstandigheden
die maken dat die afweging positief kan uitvallen, maar die omstandigheden kunnen
in dit geval niet wegnemen dat verweerder, door met name de kleinschaligheid van het
bedrijf, zijn bemoeienissen met betalingen en facturen en zijn directe (persoonlijke)
band met de gemachtigde/bestuurder van klaagster, ten minste de schijn op zich heeft
geladen dat hij beschikt over inside information over (de financiële positie en bedrijfsstrategie
van) zijn wederpartij en dus van en over zijn wederpartij meer weet dan een onafhankelijk
aangezochte advocaat zou kunnen en behoren te weten. Reeds die schijn maakt dat verweerder
bij het aannemen van de zaak terughoudendheid diende te betrachten, temeer nu het
daarbij ging om een incasso-opdracht ten laste van de moedermaatschappij van zijn
oud-werkgever ter zake van een al langer (reeds ten tijde van zijn dienstverband)
bestaande geldlening. Verweerder heeft er bij het aannemen van de zaak geen blijk
van gegeven voldoende oog te hebben gehad voor het feit dat een advocaat de schijn
van een belangenconflict te allen tijde moet voorkomen, terwijl niets eraan in de
weg stond om de zaak aan een andere (bevriende) advocaat ter behandeling over te dragen,
zoals hij na ontvangst van de dekenvisie ook heeft gedaan. In de gegeven omstandigheden
had een zorgvuldige afweging verweerder ervan moeten weerhouden om zich in de zaak
als behandelend advocaat te stellen. De raad is van oordeel dat zijn keuze om dat
wel te doen in dit geval de grens van het betamelijke overschrijdt. De klacht is gegrond.
5.6 Klaagster heeft in de toelichting op haar klacht aangevoerd dat mr. W als
patroon van verweerder medeverantwoordelijkheid draagt voor diens laakbare optreden.
Hoewel de raad voor het standpunt van klaagster wel begrip kan opbrengen is tegen
mr. W geen eigen klacht gericht. In het kader van deze klachtprocedure zal dan ook
niet verder op dat standpunt worden ingegaan.
5.7 Hetzelfde geldt voor de in de toelichting op haar klacht naar voren gebrachte
stelling van klaagster dat het kantoor van verweerder profiteert van de vermeende
onrechtmatige gedragingen van verweerder. Voor zover die stelling moet worden begrepen
als een tegen het gehele kantoor van verweerder gerichte klacht is deze niet-ontvankelijk
omdat in beginsel alleen advocaten en niet (tevens) hun kantoor aan tuchtrechtspraak
zijn onderworpen. Klaagster heeft geen omstandigheden gesteld die maken dat dat in
het onderhavige geval anders zou zijn.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft bij het aannemen van een nieuwe zaak een verkeerde afweging
gemaakt. Als het gaat om de kernwaarden van de advocatuur dient te allen tijde te
gelden: bij twijfel niet oversteken. Verweerder was pas net beëdigd als advocaat-stagiaire
en heeft bij die afweging van zijn patroon klaarblijkelijk onvoldoende handvatten
gekregen voor het maken van een verstandiger keuze. Op de zitting van de raad heeft
verweerder er echter blijk van gegeven uit (de gang van zaken rond) de klacht lering
te hebben getrokken. De raad is van oordeel dat in dit geval daarom kan worden volstaan
met alleen gegrondverklaring van de klacht en legt daarnaast dus geen maatregel op.
7 GRIFFIERECHT
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar
vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster
geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, G. Sarier, M.F.H. Broekman en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025