ECLI:NL:TADRSGR:2025:207 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-122/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:207 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-122/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025
in de zaak 25-122/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 23 april 2025 op de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. O. Planten
over:
verweerster
gemachtigde: mr. M.L. Batting
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 19 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K134 2024
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 23 april 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde
dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 24 april 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij
waren klager en verweerster, beiden vergezeld van hun gemachtigde, aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager stelt dat zijn belangrijkste klacht over de valse beschuldiging van verbale
agressie van de kant van verweerster aan klagers adres niet wordt besproken. De belangrijkste
passages uit de door klager overgelegde stukken die zijn klacht ondersteunen, worden
niet in de beslissing weergegeven en de argumenten die klager ter ondersteuning van
zijn klacht heeft aangevoerd blijven eveneens onbesproken. Klager stelt dat de beslissing
van de voorzitter (daarmee) ondeugdelijk is vanwege het ontbreken van de meest relevante
informatie uit de door klager overgelegde stukken en het ontbreken van een bespreking
van de meest relevante klachten over verweerster.
2.2 Klager wijst er specifiek op dat de volgende feiten, passages en/of argumenten
ontbreken:
- de passage over verbale agressie uit de schriftelijke waarschuwing van de directeur
bedrijfsvoering van 11 april 2023 (1.15);
- de passage uit het besluit van het College van Bestuur van 30 mei 2023 dat
deze waarschuwing diende te worden ingetrokken;
- de passage uit het intrekkingsbericht van de decaan van 14 juli 2023 met de
gronden voor de intrekking;
- de feitelijke en juridische grondslag van de dagvaarding, de reden waarom een
bedrag van € 10.000,- is toegekend, het feit dat daarnaast ook € 18.150,- aan advocaatkosten
aan klager is vergoed;
- het gegeven dat de poging om met een onrechtmatige waarschuwing een werknemer
in een verbetertraject te dwingen strafbaar is (poging tot dwang).
2.3 Ook ontbreekt in de beslissing van de voorzitter dat verweerster geen verweer
heeft gevoerd tegen de door klager gestelde feiten. Nu zij de feiten niet heeft betwist,
kon de voorzitter ervan uitgaan dat verweerster welbewust valse informatie heeft verstrekt
aan de directeur bedrijfsvoering, op basis waarvan de schriftelijke waarschuwing aan
klager is opgelegd.
2.4 Klager stelt verder dat hij van mening is dat ook zijn aanvullende klacht
(onderdeel 9) gegrond is en door verweerster niet is betwist.
2.5 Tegen de vaststaande klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
4.3 De raad overweegt dat de voorzitter op grond van het klachtdossier een selectie
maakt van de voor de beoordeling relevante feiten. Er is geen rechtsregel die de voorzitter
verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet
(voldoende) weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak op te nemen. Er is evenmin
een rechtsregel die verplicht om berichten of e-mails integraal weer te geven. De
raad acht de door de voorzitter gemaakte selectie niet onvolledig. Duidelijk is dat
de voorzitter kennis heeft genomen van de schriftelijke waarschuwing van 11 april
2023 (1.15) en het besluit van het College van Bestuur van 30 mei 2023 (1.19). Hoewel
het intrekkingsbericht van 14 juli 2023 niet is genoemd, heeft de voorzitter wel het
bericht van de directeur bedrijfsvoering van 7 juni 2023 (1.22) genoemd. Uit dat bericht
blijkt reeds dat de waarschuwing wordt ingetrokken en dat onderkend is dat het proces
beter had gemoeten. De raad ziet verder niet in waarom de (feitelijke en juridische)
grondslag van klagers dagvaarding en het feit dat ook een bedrag aan advocaatkosten
is vergoed van belang zijn voor de beoordeling van de tegen verweerster gerichte klacht.
De reden dat een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding aan klager
is betaald, staat niet concreet in de VSO vermeld (anders dan een verwijzing naar
een randnummer uit de dagvaarding, terwijl deze dagvaarding geen onderdeel uitmaakt
van het klachtdossier). De voorzitter kon dit dan ook niet in de beslissing vermelden.
Overigens ziet de raad ook hier niet in waarom dit van belang zou zijn voor de beoordeling
van de tegen verweerster gerichte klacht. Dat de voorzitter deze punten niet in de
beslissing heeft opgenomen, maakt dan ook niet dat in redelijkheid aan de juistheid
van de beslissing hoeft te worden getwijfeld.
4.4 Anders dan klager stelt, is het enkele feit dat geen verweer zou zijn gevoerd
tegen de gestelde feiten, niet automatisch grond om van de gestelde feiten uit te
gaan. De juistheid van de gestelde feiten moet voldoende blijken uit de in het klachtdossier
aanwezige stukken. De voorzitter heeft overwogen dat de gedragingen die klager verweerster
verwijt op grond van het klachtdossier niet onomstotelijk zijn vast te stellen (4.4).
Dat dat oordeel van de voorzitter onjuist is, is de raad niet gebleken. Daarmee is
de voorzitter ook niet toegekomen aan de door klager gestelde poging tot dwang, voor
zover dat oordeel al aan de tuchtrechter zou zijn. Het is de raad verder duidelijk
dat de voorzitter de eerste acht klachtonderdelen gezamenlijk heeft besproken, waaronder
ook de klacht over valse beschuldigingen van verbale agressie (onderdeel 3). De raad
heeft daarmee in redelijkheid geen twijfel over de juistheid van de beslissing van
de voorzitter.
4.5 Wat betreft klachtonderdeel 9 heeft klager niet duidelijk gemaakt waarom
het oordeel van de voorzitter op dat punt onjuist is, anders dan dat klager van mening
is dat zijn klacht wel gegrond is. Dat leidt niet tot gegrond verzet.
4.6 Klagers (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van een viertal getuigen is
door de voorzitter afgewezen (4.8). Klager heeft in zijn verzet het verzoek herhaald.
De raad sluit zich aan bij (de toetsingswijze voor) de afwijzing van het verzoek door
de voorzitter en verwijst daarnaar.
4.7 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, G. Sarier, M.F.H. Broekman en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025