ECLI:NL:TADRSGR:2025:203 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-017/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:203 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-017/DH/RO |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzetbeslissing. Geen aanleiding om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing te twijfelen. Klaagster heeft haar verzet tegen de beslissing van de voorzitter niet gemotiveerd en uit haar pleitnota kan de raad ook geen verzetgronden afleiden. De raad stelt vast dat de voorzitter bij de beoordeling van de onderdelen van de klacht de juiste toetsingskaders heeft toegepast en dat de voorzitter rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit het klachtdossier blijken. Het verzet slaagt dan ook niet. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025
in de zaak 25-017/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de
plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 16 april 2025
op de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 In 2020 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Na een bemiddelingsgesprek
zijn tussen klaagster en verweerder onderlinge (financiƫle) afspraken gemaakt, waarna
de deken het klachtdossier op 1 oktober 2021 heeft gesloten.
1.2 Op 31 maart 2024 heeft klaagster de deken via het klachtenformulier gevraagd
om het onderzoek naar haar klacht van 2020 over verweerder te heropenen. De deken
heeft het klachtenformulier aangemerkt als nieuwe klacht.
1.3 Op 9 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/121
van de deken ontvangen.
1.4 Op 16 april 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel
b) kennelijk ongegrond. Deze beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.5 Op 8 mei 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum digitaal ontvangen.
1.6 De raad heeft de behandeling van het verzet aanvankelijk bepaald op de zitting
van
25 augustus 2025. Verweerder en klaagster hebben de raad op 25 augustus 2025 bericht
niet op de zitting te (kunnen) verschijnen. Daarop heeft de raad besloten op grond
van de stukken op het verzet te beslissen.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van de pleitnota die
klaagster bij haar bericht van 25 augustus 2025 heeft gevoegd.
2 VERZET
2.1 In haar verzetschrift heeft klaagster, zakelijk weergegeven, gesteld dat
zij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter van 16 april 2025. Klaagster
vraagt om herziening daarvan. Verder verwijst klaagster in haar verzetschrift naar
haar klachten over mr. Van W. en de deken.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHTOMSCHRIJVING
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing
te twijfelen. Klaagster heeft haar verzet tegen de beslissing van de voorzitter niet
gemotiveerd en uit haar pleitnota kan de raad ook geen verzetgronden afleiden. De
raad stelt vast dat de voorzitter bij de beoordeling van de onderdelen van de klacht
de juiste toetsingskaders heeft toegepast en dat de voorzitter rekening heeft gehouden
met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit het klachtdossier
blijken. Het verzet slaagt dan ook niet.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M. van Eck,
E.A.L. van Emden, D.G.M. van den Hoogen en A.N. Kampherbeek, leden, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter