ECLI:NL:TADRSGR:2025:202 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-574/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:202 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-574/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in strafzaken. Klacht is deels niet-ontvankelijk, vanwege tijdverloop. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond, nu het klachtdossier geen aanknopingspunten bevat voor de juistheid van die klacht. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
15 oktober 2025
in de zaak 25-574/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 21 augustus 2025 met kenmerk K072 2025 ia/lb, door de raad ontvangen op 21 augustus 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 1 tot en met 8 (procedureel) en 03 tot en met 07 (inhoudelijk).
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Een (toenmalige) kantoorgenoot van verweerder heeft klager in 2018 bijstand
verleend in een strafzaak. Klager is door de rechtbank vrijgesproken.
1.2 Een andere (toenmalige) kantoorgenoot van verweerder heeft namens klager
een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens de ten onrechte in voorlopige hechtenis
doorgebrachte tijd. Bij beschikking van 29 maart 2018 heeft de rechtbank het gevorderde
bedrag ter hoogte van € 11.765,- toegewezen.
1.3 Op 27 april 2018 is dit bedrag overgemaakt op de derdengeldenrekening van
het (toenmalige) kantoor van verweerder.
1.4 Op 2 mei 2018 heeft het (toenmalige) kantoor van verweerder een bedrag van
€ 9.485,- overgeboekt aan een bankrekening die op naam van klager staat. Daarnaast
heeft een (toenmalige) kantoorgenoot van verweerder verklaard op verzoek van klager
een bedrag van € 2.000,- te hebben gepind en contant aan hem te hebben overhandigd.
Op 1 mei 2018 schrijft die kantoorgenoot hierover aan het secretariaat:
“Ik heb € 2000,- overgemaakt van de derdenrekening naar de ING inzake [naam klager]
en pin dat weer van de rekening tbv [klager]. Verwerk jij dit? Is een kruispost want
het is voor [klager] zelf.”
1.5 Op 3 juni 2023 is de vriendin van klager in een ziekenhuis in Amsterdam overleden.
1.6 Op 4 juni 2023 is het lichaam van de vriendin van klager in beslag genomen
en overgedragen aan een forensisch arts. Die heeft geconstateerd dat er sprake was
van natuurlijk overlijden.
1.7 Klager heeft het ziekenhuis gevraagd om het autopsierapport, omdat hij zich
niet wilde neerleggen bij de conclusies van het ziekenhuis dat sprake zou zijn van
een natuurlijk overlijden. Aan klager is meegedeeld dat er in het geval van een natuurlijke
dood geen autopsie wordt verricht en het onderzoek stopt na de schouw. Klager bleef
hierover contact opnemen met het ziekenhuis. Verschillende ziekenhuismedewerkers hebben
tegen klager aangifte gedaan wegens belaging en bedreiging door klager.
1.8 Op 10 juli 2023 is klager in verband met deze aangiften aangehouden en in
bewaring gesteld. Klager heeft verweerder ten tijde van de aanhouding om rechtsbijstand
verzocht. Verweerder heeft tot 16 januari 2024 aan klager bijstand verleend. Daarna
heeft een andere advocaat (mr. P) de behandeling van de zaak overgenomen. Verweerder
heeft het dossier van klager aan mr. P overgedragen.
1.9 Tussen verweerder en mr. P heeft op 23 augustus 2024 de volgende e-mailwisseling
plaatsgevonden. Mr. P heeft verweerder om 14:53 uur naar aanleiding van een e-mail
van verweerder het volgende geschreven:
“Geen probleem. Ik heb geen reden om eraan te twijfelen dat mij het hele dossier
is toegestuurd.
Helaas heb ik hem nog niet zelf hierover gesproken. 22 augustus heeft hij wel naar
mijn kantoor gebeld en de boodschap doorgegeven dat ik een dossier van lijkschouwarts
(…) inzake de longembolie van zijn geliefde bij u op zou kunnen vragen.
Hopelijk stopt hij nu met uw kantoor te bellen. Als hij weer belt zal ik uitleggen
dat verder aandringen geen zin heeft.”
1.10 Om 17:05 uur heeft verweerder aan mr. P als volgt geantwoord:
“Dank voor uw antwoord. Gisteren vernam ik van mijn kantoorgenoot (…), dat [klager]
telefonisch contact met hem had opgenomen. Hij vroeg om stukken ("de lijst van de
lijkschouwer") en zei dat hij mij daar al heel vaak om had gevraagd, maar dat ik niet
reageerde en dat hij een klacht zou gaan indienen. Waarover weet ik niet precies.
Ik heb [klager] al vele malen uitgelegd dat er geen separaat lijkschouwingsverslag
is. Alle stukken dienaangaande maken deel uit van het strafdossier en dat heb ik op
16 januari 2024 aan u overgedragen. Ik heb niets achter gehouden. Wilt u hem vragen
om mij en/of mijn kantoorgenoot niet meer lastig te vallen en op te houden met zijn
dreigementen met klachten etc.”
1.11 Op 25 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.12 Verweerder heeft naar aanleiding van de klacht bij de administratie van
zijn (toenmalig) kantoor navraag gedaan over het overmaken van de schadevergoeding
aan klager. Het antwoord hierop van 8 april 2025 luidt, voor zover relevant:
“Er is inderdaad ruim € 9000 naar client overgemaakt en € 2000 naar ons. Maar ik
kwam onderstaande e-mail tegen in een ander dossier van [klager] (RvD: dit betreft
de e-mail van 1 mei 2018 weergegeven onder 1.4). Ik neem aan dat dit over de € 2000
in deze zaak gaat. Heb geen beslissing kunnen vinden helaas. Hoop dat je hier verder
mee kunt.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft van de aan klager toegekende schadevergoeding slechts een
bedrag van € 9.990,- aan klager uitbetaald. Dat is € 5.000,- te weinig;
b) verweerder heeft in verband met de autopsie op de vriendin van klager buiten
klager om een procesafspraak gemaakt met het Openbaar Ministerie (het OM) en het autopsierapport
achtergehouden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat van de aan hem toegekende
schadevergoeding slechts een bedrag van € 9.990,- is uitbetaald. Dat is € 5.000,-
te weinig, aldus klager.
4.3 De voorzitter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klager ontvankelijk
is in dit klachtonderdeel. Om de klacht inhoudelijk te kunnen beoordelen moet deze
namelijk worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs
kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet).
Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als
deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat de klager een klacht heeft ingediend,
vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als de klager pas na de
driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken),
die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In
dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat de klager van de informatie
kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). Alleen onder (zeer) bijzondere
omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar zijn. De achterliggende
gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening
hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.4 De voorzitter stelt vast dat het verwijt in dit klachtonderdeel betreft de
uitbetaling van de schadevergoeding die bij beschikking van 29 maart 2018 aan klager
is toegekend. Met deze beschikking was klager er in ieder geval mee bekend dat aan
hem kort daarna via het (toenmalige) kantoor van verweerder een bedrag van € 11.765,-
aan schadevergoeding overgemaakt zou worden. Klager erkent dat aan hem een betaling
is verricht. Klager stelt echter dat hij niet het volledige bedrag heeft ontvangen.
Volgens klager heeft hij slechts een bedrag van € 9.990,- ontvangen en komt hij €
5.000,- te kort. Hoewel de voorzitter deze bedragen niet (helemaal) kan rijmen met
de gegevens in het klachtdossier, maar klager wel erkent dat op 2 mei 2018 geld aan
hem is overgemaakt, gaat de voorzitter ervan uit dat klager op die datum in ieder
geval bekend mag worden verondersteld met het handelen of nalaten waarover hij klaagt,
te weten dat aan hem destijds te weinig geld zou zijn overgemaakt). Door hierover
pas op 25 maart 2025 een klacht in te dienen, heeft klager de hiervoor in rov. 4.3
genoemde wettelijke termijn van drie jaar (ruimschoots) overschreden.
4.5 Van een verlenging van deze termijn op grond van het bepaalde in lid 2 van
dit artikel, is de voorzitter niet gebleken. Evenmin is de voorzitter gebleken van
(zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar
(verschoonbaar) zou kunnen worden geacht. Hieruit volgt dat klachtonderdeel a) op
grond van artikel 46g lid 1 onder a niet-ontvankelijk is en de voorzitter niet toekomt
aan een inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel b)
4.6 Klager verwijt verweerder dat hij in verband met de autopsie op zijn vriendin
buiten hem om een procesafspraak heeft gemaakt met het OM. De forensisch arts heeft
een andere doodsoorzaak geconstateerd dan uit de politiebevindingen valt af te leiden.
Klager meent dat verweerder de originele lijkschouwing met een andere uitkomst heeft
achter gehouden. Daarmee is klager onrecht aangedaan.
4.7 Naar het oordeel van de voorzitter slaagt dit klachtonderdeel niet. Verweerder
heeft allereerst onderbouwd toegelicht dat er geen andere rapporten of verklaringen
over het overlijden van de vriendin van klager zijn, dan het rapport van de forensisch
arts. Omdat de vriendin van klager een natuurlijke dood is gestorven, is er geen autopsie
verricht, maar het onderzoek gestopt na de schouw. Dat dit anders is gegaan dan verweerder
heeft aangevoerd, heeft klager niet aangetoond. Verder heeft verweerder gemotiveerd
weerlegd dat hij heimelijke afspraken zou hebben gemaakt met het OM of zaken voor
klager zou hebben achtergehouden. Ook voor dit verwijt biedt het klachtdossier geen
aanknopingspunten. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is de voorzitter dan ook
niet gebleken. Gelet hierop is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet,
niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 16 oktober 2025