ECLI:NL:TADRSGR:2025:201 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-572/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:201 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-572/DH/DH |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat niet-ontvankelijk, omdat de klacht te laat is ingediend. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
15 oktober 2025
in de zaak 25-572/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 21 augustus 2025 met kenmerk K044 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft in het verleden een winkelruimte gehuurd van verhuurder R (hierna:
de verhuurder). Op enig moment heeft de verhuurder de huurovereenkomst opgezegd per
10 juli 2021.
1.2 Verweerster heeft de verhuurder bijgestaan. Op 12 juli 2021 heeft zij klager,
namens de verhuurder, gedagvaard.
1.3 Op 15 november 2021 heeft verweerster een conclusie van repliek ingediend
bij de rechtbank. De conclusie is diezelfde dag per e-mail aan klager gestuurd.
1.4 Op 16 februari 2022 heeft de kantonrechter van de rechtbank vonnis gewezen
en de vorderingen van de verhuurder afgewezen.
1.5 Op 18 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft klager als wanbetaler weergegeven en heeft geen moeite gedaan
de boel zelf te onderzoeken.
2.2 Klager stelt dat uit het op 18 februari 2022 ontvangen vonnis blijkt dat
hij vanaf 2017 (ingang huur) een wanbetaler zou zijn. Het geproduceerde bewijs hiervoor
is zijn administratieve klantenkaart zonder ook maar enig bewijs van een ontvangst
datum met rekening aanduiding. Uit dit vonnis blijkt dus dat klager wanbetaler zou
zijn. Maar uit dit vonnis blijkt ook dat de verhuurder niet aangetoond heeft dat klagers
bedrijfsvoering niet juist zou zijn. De verhuurder heeft klager leugenachtig weergegeven
en dat is door verweerster ingebracht zonder eventuele controle op waarheid.
2.3 Klager stelt voorts dat Den Haag van mening is dat, indien een procedure
onder de rechter is, de deken zich er niet mee zal bemoeien. “Vandaar dat mijn net
geen 3 jaar na vonnis, binnen de norm zal vallen.”
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt zich op het
standpunt dat de klacht niet-ontvankelijk is, omdat de klacht te laat is ingediend
en omdat klager geen belang heeft bij zijn klacht. Voor zover de klacht ontvankelijk
zou zijn, heeft verweerster zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de klacht
ongegrond is.
4 BEOORDELING
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
4.2 De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in
lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten
uit het verleden.
4.3 De voorzitter stelt vast dat de klacht feitelijk ziet op door verweerster
in de procedure ingenomen stellingen en standpunten. De dagvaarding is op 12 juli
2021 aan klager betekend, zodat hij op die datum kennis heeft genomen (of redelijkerwijs
kon nemen) van de stellingen. Verweersters conclusie van repliek is op 15 november
2021 ingediend en diezelfde dag per e-mail aan klager gestuurd, zodat hij toen kennis
kon nemen van die stellingen. Het vonnis van de rechtbank is niet van belang voor
het moment waarop klager kennis heeft genomen van de door verweerster ingenomen stellingen.
De hiervoor genoemde driejaarstermijn is dan ook op 12 juli 2021 c.q. 15 november
2021 aangevangen. Door hierover pas op 18 februari 2025 een klacht in te dienen, heeft
klager de driejaarstermijn overschreden.
4.4 Klager stelt zich, zoals weergegeven in 2.3, op het standpunt dat hij wel
degelijk op tijd heeft geklaagd. De voorzitter kan klager hier niet in volgen. De
Advocatenwet is duidelijk en voor de beoordeling van de driejaarstermijn is niet relevant
of er nog een procedure bij de rechter loopt. Klager heeft zijn klacht niet binnen
de driejaarstermijn ingediend en van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding
rechtvaardigen is niet gebleken. De klacht is te laat en daarmee niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 oktober 2025