ECLI:NL:TADRSGR:2025:162 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-201/DH/RO/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:162 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-08-2025 |
| Datum publicatie: | 13-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | 24-201/DH/RO/D |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Eindbeslissing na tussenbeslissing. Kantoororganisatie die langdurig niet heeft voldaan aan de basisverplichtingen die gelden voor de advocatuur. Aanwijzingen van de deken worden niet tot nauwelijks opgevolgd. De deken uit terechte zorgen over het dossierbeheer van verweerster. Verweerster lijkt het belang van goede waarneming ten behoeve van cliënten niet in te zien. Fundamenteel gebrek aan inzicht in de verantwoordelijkheden en verplichtingen van advocaten. Schrapping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 11 augustus 2025
in de zaak 24-201/DH/RO/D
naar aanleiding van de klacht van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam
deken
over:
verweerster
gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 15 maart 2024 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerster.
1.2 Op 6 augustus 2024 is namens verweerster een verweerschrift ingediend.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 4 november 2024. Daarbij
waren de deken, bijgestaan door zijn stafjurist, en verweerster, bijgestaan door haar
gemachtigde, aanwezig.
1.4 Bij tussenbeslissing van 23 december 2024 heeft de raad een vooronderzoek
gelast, waarin de Haagse deken (hierna: de vooronderzoeker) is opgedragen om een kantoorbezoek
te verrichten (ECLI:NL:TADRSGR:2024:226).
1.5 Op 7 februari 2025 heeft de vooronderzoeker een kantoorbezoek verricht bij
verweerster. Hiervan is een conceptverslag opgesteld dat aan partijen is voorgelegd.
Verweerster heeft bij brief van 7 maart 2025 op het conceptverslag gereageerd. Deze
reactie is in zijn geheel aan het conceptverslag gehecht.
1.6 Op 10 maart 2025 heeft de vooronderzoeker het definitieve verslag uitgebracht
van het vooronderzoek.
1.7 Op 23 april 2025 heeft de raad de deken en verweerster in de gelegenheid
gesteld om aanvullend te reageren op het verslag van de deken. Van deze mogelijkheid
is geen gebruik gemaakt.
1.8 De klacht is nader behandeld op de zitting van de raad van 16 juni 2025.
Daarbij waren aanwezig de deken, bijgestaan door zijn stafjurist, en verweerster,
bijgestaan door haar gemachtigde. Ook was de vooronderzoeker aanwezig, bijgestaan
door haar stafjurist.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Voor de feiten van vóór 31 juli 2024 verwijst de raad naar de opgenomen feiten
in de genoemde tussenbeslissing.
Nader onderzoek na tussenbeslissing
2.3 Bij tussenbeslissing van 23 december 2024 heeft de raad een vooronderzoek
gelast dat door de vooronderzoeker is uitgevoerd.
2.4 Uit het verslag van de vooronderzoeker volgt, voor zover relevant voor de
klacht, het volgende:
“Op 7 februari jl. om 10:00 uur heb ik samen met de stafjurist, [naam], het kantoor
van [verweerster] bezocht aan [adres]. De gemachtigde van [verweerster], mr. Sanders,
was daar ook bij aanwezig. Hoewel [verweerster] naar aanleiding van uw tussenbeslissing
wist waar mijn bezoek aan haar kantoor betrekking op had bleek al snel dat [verweerster]
geen dossiers op haar kantoorlocatie had en ook geen computer waarop zij inzage kon
verstrekken in haar dossiers en zaaksysteem. Zowel de papieren dossiers als de computer
bevonden zich op haar huisadres. Op de kantoorlocatie bevond zich enkel een bureau
met enkele afsluitbare kasten. In de kasten zaten volgens [verweerster] alleen archiefdossiers.
Met [verweerster] is vervolgens afgesproken om eerst enkele zaken door te nemen op
haar kantoorlocatie om vervolgens een bezoek te brengen aan haar huisadres om dossiers
in te zien. Bij het bezoek aan haar huisadres was de gemachtigde, mr. Sanders, niet
aanwezig wegens andere verplichtingen.
(…).
Activiteiten [naam verweerster] International B.V. en naamgeving kantoor
Voorafgaand aan het bezoek heb ik de Kamer van Koophandel geraadpleegd. Uit het
uittreksel van de Kamer van Koophandel (bijlage 7) is gebleken dat [verweerster] een
tweetal activiteiten had geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, te weten: Bemiddeling
bij handel, huur of verhuur van onroerend goed (Het bemiddelen bij transacties met
betrekking tot onroerende goederen en schepen en de financiering daarvan) en Advocatenkantoren,
bewindvoerders en curatoren. Ik heb [verweerster] om een toelichting gevraagd betreffende
de vermelding ‘activiteiten ter zake van bemiddeling in onroerende goederen en schepen
en de financiering daarvan’. [verweerster] heeft aangegeven dat zij in het verleden
een scheepsmakelaardij had maar dat zij die activiteiten al zo’n 20 jaar niet meer
verricht. [Verweerster] wist niet dat die activiteit nog stond geregistreerd en heeft
toegezegd dit binnen twee weken na 7 februari 2025 aan te passen bij de Kamer van
Koophandel.
Ook is [verweerster] verzocht aan te geven onder welke naam zij haar praktijk voert,
nu zij meerdere kantorennamen hanteert. Zo staat bij de Kamer van Koophandel geregistreerd:
[naam verweerster] International B.V. (zie bijlage 7) Dit is de enige naam die geregistreerd
staat bij de Kamer van Koophandel. Bij BAR staat zij ingeschreven onder de naam Advocatenkantoor
[naam verweerster] (bijlage 8) en op haar website hanteert zij de naam: [naam verweerster]
Advocatuur (bijlage 9). Volgens de algemene voorwaarden wordt de opdracht aangegaan
met: [naam verweerster] International B.V. (bijlage 10). Ik heb [verweerster] te kennen
gegeven dat zij één kantoornaam dient te hanteren waarmee zij naar buiten toe optreedt
om verwarring/onduidelijkheid te voorkomen. Zij gaf te kennen dat dit Advocatenkantoor
[naam verweerster] is. Zij zegde toe deze naam in al haar uitingen door te voeren
en de naam ook als handelsnaam te laten registreren bij de Kamer van Koophandel. Ik
heb [verweerster] verzocht mij binnen twee weken na 7 februari 2025 een gewijzigd
uittreksel KvK toe te zenden, alsmede de statuten van [naam verweerster] International
B.V., de besloten vennootschap van waaruit zij de praktijk voert.
Overigens viel het mij op dat [verweerster] op haar website ook vermeld heeft staan
dat zij op twee locaties kantoor houdt, te weten: in [plaats 1] en in [plaats 2] (zie
bijlagen 9 en 12), dit terwijl zij de enige advocaat is en zij op grond van het gestelde
in artikel 12 Advocatenwet slechts op één locatie kantoor mag houden.
Klachtenregeling
[verweerster] beschikt over een kantoorklachtenregeling die is opgenomen in de algemene
voorwaarden (bijlage 11). Ik heb [verweerster] gewezen op de gewijzigde regelgeving
omtrent de klachtenfunctionaris per 1 januari jl. Zij zal haar vervanger vragen om
als klachtenfunctionaris op te treden en zou de gewijzigde klachtenregeling binnen
twee weken toezenden.
(…) Geheimhoudingsovereenkomsten
Op de vraag of [verweerster] de geheimhoudingsovereenkomsten kon laten zien gaf
[verweerster] te kennen dat zij haar zus een overeenkomst had toegezonden maar dat
die de overeenkomst nog niet had getekend. De verhuurder van het pand weigerde de
overeenkomst te tekenen met de mededeling dat het uitgangspunt is dat zij geen toegang
hebben tot de kantoorruimte tenzij sprake is van een calamiteit en dat zij voor die
gevallen zelf maatregelen zal moeten nemen. Uit die emailcorrespondentie met de verhuurder
van het pand blijkt dat [verweerster] pas op 4 februari jl. contact heeft gezocht
met de verhuurder. Ook haar zus heeft zij onlangs pas verzocht de overeenkomst te
tekenen terwijl uw beslissing toch al van 23 december 2024 dateert. De boekhouder
ATBF-administratie heeft wel een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, deze heb
ik ook ingezien. [Verweerster] heeft aangegeven verder geen gebruik te maken van diensten
van derden.
Waarnemingsovereenkomst
Gebleken is dat [verweerster] geen schriftelijke vervangingsregeling heeft gesloten.
Wel gaf [verweerster] aan dat zij mr. [HB] bereid had gevonden als haar vervanger
op te treden, maar mr. [HB] had de waarnemingsovereenkomst nog niet getekend. Mr.
[HB] heeft de rechtsgebieden personen- en familierecht en arbeidsrecht in het rechtsgebiedenregister
geregistreerd, maar geen huurrecht terwijl [verweerster] geregistreerd staat op de
rechtsgebieden algemene praktijk, arbeidsrecht, huurrecht en personen-en familierecht.
Vastgesteld kan dan ook worden dat [verweerster] geen waarnemingsovereenkomst heeft
gesloten die betrekking heeft op alle door [verweerster] beoefende rechtsgebieden,
althans alle door haar geregistreerde rechtsgebieden. In het kader van de rechtsgebiedenregistratie
gaf [verweerster] te kennen dat zij geen zaken meer heeft op het gebied van huurrecht
en arbeidsrecht. Op mijn vraag waarom ze dan nog op die rechtsgebieden ingeschreven
staat, moest zij het antwoord schuldig blijven. Ze kan haar inschrijving op die gebieden
dan beter doorhalen dan hoeft ze op dat punt ook geen vervanging te regelen.
Hoewel [verweerster] in haar CCV-opgave 2023 heeft aangegeven dat zij haar inschrijving
in het rechtsgebiedenregister via het daarvoor verplichte gestelde model op haar website
heeft geplaatst vond ik die informatie niet op haar website terug. De website bevatte
wel een opsomming van rechtsgebieden maar zij heeft de registratie in het rechtsgebiedenregister
niet conform het daartoe voorgeschreven model op haar website staan. Ik heb haar verzocht
hiervoor alsnog zorg te dragen. Bij e-mail d.d. 7 februari jl. heb ik haar verwezen
naar het model voor de registratie. [Verweerster] heeft toegezegd ervoor zorg te dragen
dat die informatie op haar website komt te staan.
Privacyverklaring
De privacyverklaring staat op de website van [verweerster] (bijlage 14). Ik heb
[verweerster] erop gewezen dat die verklaring mijns inziens niet voldoet. De verklaring
is gericht op het verzamelen van gegevens van bezoekers van de website terwijl zij
toch allerlei persoonsgegevens van cliënten verzamelt. Ik heb [verweerster] erop gewezen
dat zij daar nog verder aandacht aan zal moeten besteden.
(…)Dossier(s)(beheer)/zakenadministratie en archief
Tijdens het bezoek aan het huisadres van [verweerster] heb ik het volgende geconstateerd.
We werden ontvangen in een kleine kantoorruimte met daarin een bureau waarop een computer
stond en enkele kasten. In een houten antieke kast met glasdeuren troffen wij dossiers
aan. De kast was van onder tot boven gevuld met doorzichtige insteekhoezen met allerlei
papieren. Als je voor de kast staat is er niet te zien welk dossier het betreft. Pas
als je een mapje met papieren uit de kast haalt zie je welk dossier het betreft, er
is echter niet uit af te leiden in welk stadium het dossier zich bevindt. Van twee
dossiers hebben we het insteekmapje bekeken, daarin trof ik handgeschreven aantekeningen
aan en de identificatie van cliënten. [Verweerster] gaf aan geen zakensysteem te hebben,
ook geen zakenlijst in Word of een ander programma. In haar Postvak IN in Outlook
heeft zij van ieder dossier een submap gemaakt. Per dossier bevinden zich in de submap
alle stukken, althans de correspondentie met cliënten en andere partijen met uitzondering
van de identificatie van cliënten en haar handgeschreven aantekeningen. Ik heb vastgesteld
dat zowel de digitale dossiers als de papieren dossiers niet compleet zijn. In de
papieren dossiers bevinden zich stukken die zich niet in het digitale dossier bevinden
en andersom. Van twee dossiers hebben we zowel de digitale submap bekeken als de papieren
in het insteekhoesje. Het betreffen de dossiers [naam] en [naam]. In beide dossiers
is een summiere bevestiging van de opdracht aan client aangetroffen. In de ene bevestiging
stond een omschrijving van de zaak vermeld, een inschatting van het aantal uren, de
mededeling dat client had aangegeven niet voor een toevoeging in aanmerking te komen
en haar uurtarief. De algemene voorwaarden zijn niet van toepassing verklaard noch
zijn deze aan client overhandigd, althans dat is niet uit het dossier gebleken. [Verweerster]
gaf aan dat zij in sommige gevallen vergeet om dat in de opdrachtbevestiging op te
nemen. [De stafjurist] heeft [verweerster] erop gewezen dat als zij algemene voorwaarden
hanteert zij die wel van toepassing zal moeten verklaren, omdat ze anders niet van
toepassing zijn. In het andere dossier stond wel vermeld dat de algemene voorwaarden
van toepassing waren. [Verweerster] gaf te kennen geen gebruik te maken van een vast
sjabloon voor de opdrachtbevestiging. Ik vond de opdrachtbevestiging, zoals reeds
eerder door de deken Rotterdam geconstateerd, zeer summier. In de dossiers heb ik
mails aangetroffen aan client met een declaratie en een urenspecificatie. (…)
Het lijkt erop dat [verweerster] geen wijzigingen heeft aangebracht in haar werkwijze
aangaande haar dossierbeheer en dossieradministratie naar aanleiding van de aanbevelingen
die tijdens de vorige bezoeken aan haar kantoor meermaals zijn gedaan.
Voor de urenregistratie maakt [verweerster] gebruik van Monicon. Verder maakt ze
geen gebruik van een zakensysteem. Voor alimentatieberekeningen maakt zij gebruik
van het programma Ina. Voor het archief maakt [verweerster] ook gebruik van submappen
in het Postvak IN. Daaruit blijkt echter niet wanneer een zaak is gearchiveerd en
op welk moment dat dossier moet worden vernietigd. [Verweerster] beschikt niet over
een archieflijst. Op mijn vraag hoe lang zij dossiers bewaart gaf zij te kennen dat
zij voorheen dossiers altijd heeft bewaard en nog steeds doet, al heeft ze in het
dossier [naam] in een afsluitende mail aan client wel staan dat het dossier ‘minimaal
8 jaar in het archief wordt bewaard.’ Ik heb [verweerster] er reeds op gewezen dat
zij geen minimale termijn moet noemen, maar gewoon zal dienen op te nemen dat dossiers
8 jaar worden bewaard. Na afloop van die 8 jaar kan zij de dossiers dan vernietigen.
Zij zal mijns inziens dan wel een archieflijst moeten gaan bijhouden waarop staat
vermeld op welke datum welk dossier is gearchiveerd. Ook heb ik haar erop gewezen
dat zij na afloop van die termijn dan zowel de digitale als de papieren dossiers dient
te vernietigen.
Nadere reactie en stukken
Bij e-mail d.d. 7 februari jl. heeft de stafjurist [verweerster] en haar gemachtigde
een bevestiging gestuurd van de aanpassingen die [verweerster] uiterlijk op 21 februari
2025 moest doorvoeren en welke stukken zij nog diende aan te leveren (bijlage 15).
9 Bij e-mail d.d. 20 februari jl. heeft [verweerster] gereageerd op mijn e-mail d.d.
7 februari jl. en de door mij verzochte stukken toegezonden (bijlage 16). [Verweerster]
heeft met mr. [B] een waarnemingsovereenkomst gesloten op 15 februari 2025. Hoewel
dit niet uit de waarnemingsovereenkomst kan worden afgeleid ga ik ervan uit dat de
overeenkomst is gesloten met mr. [B] van het kantoor [naam] te [plaats]. Mr. [B] staat
in het rechtsgebiedenregister ingeschreven op de rechtsgebieden: algemene praktijk,
personen- en familierecht en strafrecht. Uit de registratie in het rechtsgebiedenregister
blijkt dat [verweerster] nu staat ingeschreven op de rechtsgebieden: algemene praktijk,
arbeidsrecht, ondernemingsrecht en personen- en familierecht (bijlage 17), hetgeen
nu als zodanig ook op haar website vermeld staat. Of mr. [B] ook thuis is in de rechtsgebieden
arbeidsrecht en ondernemingsrecht is mij niet bekend, dit blijkt in ieder geval niet
uit de rechtsgebiedenregistratie. Mr. [B] treedt ook op als haar klachtenfunctionaris,
zoals nu ook staat vermeld in de kantoorklachtenregeling op haar website.
Ook zond [verweerster] een gewijzigd uittreksel van de Kamer van Koophandel, waaruit
blijkt dat de handelsnaam Advocatenkantoor [naam verweerster] is toegevoegd en de
activiteit Bemiddeling bij handel, huur of verhuur van onroerend goed (Het bemiddelen
bij transacties met betrekking tot onroerende goederen en schepen en de financiering
daarvan) is verwijderd. Overigens is de kantoornaam Advocatenkantoor [naam verweerster]
tot op heden nog niet op alle plekken op de website doorgevoerd.
Ten aanzien van de derdengeldenstichting heeft [verweerster] mij een afschrift toegezonden
van haar e-mail d.d. 28 december 2023 aan de Rotterdamse Orde waarin zij reeds kenbaar
had gemaakt dat zij als bestuurder van de Stichting Beheer Derdengelden [mr. De J]
Advocaat en Procureur op 9 maart 2022 is uitgeschreven. Dit blijkt ook uit het bij
die e-mail gevoegde uittreksel van de Kamer van Koophandel. Daaruit blijkt dat mrs.
[De J] en [Van der B] bestuurders zijn van die stichting.
Eén van de bijlagen bij de e-mail van 20 februari jl., naar ik vermoed de statuten
van [naam verweerster] International B.V., kon niet worden geopend, zodat [verweerster]
is verzocht die bijlage nogmaals toe te zenden. Zij heeft dit direct gedaan. Echter
was de bijlage dan nog niet te openen. [verweerster] heeft de bijlage vervolgens nogmaals
aangeleverd (bijlage 18). Uit artikel 2 van de statuten van de besloten vennootschap:
[naam verweerster] International B.V. blijkt als doelomschrijving van de B.V. het
bemiddelen bij transacties met betrekking tot onroerende goederen en schepen, de financiering
daarvan en alles wat hiermede in de ruimste zin in verband staat. De doelomschrijving
heeft geen betrekking op het uitoefenen van de rechtspraktijk.
Conclusie
Hoewel [verweerster] reeds meerdere malen is gewezen op hetgeen wat van haar wordt
verwacht qua kantoororganisatie is gebleken dat zij die aanbevelingen tijdens het
bezoek aan haar kantoor in ieder geval nog altijd niet, althans niet volledig had
opgevolgd. Ik vraag me ook sterk af in hoeverre zij nog wel bereid is/in staat is
om al die aanbevelingen op te volgen. Illustrerend hiervoor is het feit dat zij pas
een week voor mijn bezoek aan haar kantoor aan de slag gaat met de punten die in uw
tussenbeslissing onder 5.4 vermeld staan en veel zaken nog altijd niet, althans niet
volledig heeft geregeld/aangepast. [Verweerster] heeft op mijn verzoek dan wel enkele
zaken aangepast/aanpassingen doorgevoerd, maar het belangrijkste punt de wijze van
dossierbeheer/zaakadministratie laat nog altijd te wensen over. Ik heb niet de indruk
dat [verweerster] de ernst van de situatie inziet. (…)”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken heeft
het volgende ten grondslag gelegd aan zijn dekenbezwaar.
3.2 Na de kantoorbezoeken van 2023 en 2024 heeft de deken de stellige indruk
gekregen dat verweerster de eerder geadresseerde problematiek rond haar praktijkvoering
niet weet op te lossen. Tekortkomingen die in 2013 en 2014 al gesignaleerd waren,
zijn zich blijven voordoen of hebben zich opnieuw voorgedaan. Verweersters reactie
daarop is afwijzend of ontkennend en dat baart de deken zorgen.
3.3 Hierbij acht de deken de poging van verweerster tot verhaal van de door de
tuchtrechter opgelegde proceskostenveroordeling op de klaagster bizar. Juist de gegrondverklaring
van de klacht en de oplegging van de maatregel van een berisping, bevestigt de juistheid
achter de indiening van de klacht waarvan de kosten dan ook door de beklaagde advocaat
gedragen dienen te worden.
3.4 In het verslag van het kantoorbezoek uit 2023 is opgenomen dat verweerster
niet beschikt over een kantoorhandboek en er geen waarnemingsovereenkomst is overgelegd.
Voorafgaand aan het kantoorbezoek in 2024 heeft verweerster nadere bewijsstukken overgelegd.
Het kantoorhandboek ontbrak wederom. De daarbij overgelegde waarnemingsovereenkomst
was niet ondertekend. Navraag bij de beoogd waarneemster leerde dat zij slechts bereid
was om zaken in het personen- en familierecht waar te nemen onder de voorwaarde dat
de dossiers goed op orde waren. Dat was echter niet in de waarnemingsovereenkomst
opgenomen.
3.5 De belangrijkste conclusies uit het kantoorbezoek in 2024 bij verweerster
thuis zijn dat de dossiervoering in de lopende zaken ver beneden de maat is. Fysieke
dossiers zijn niet of slecht geordend en raadpleging van de opgeslagen bestanden in
de computer leverde ook geen overzichten van en de gebeurtenissen in de zaken op.
Verweerster gebruikt geen CRM-systeem of heldere mappenstructuur. Feitelijk is voor
een buitenstaander niets eenvoudigs te traceren. Verweerster lijkt niet te begrijpen
wat het belang van een overzichtelijk geordende en eenvoudig toegankelijke dossiervoering
is en zet (daarom) geen concrete stappen tot verbetering.
3.6 De deken maakt zich ernstig zorgen over de wijze waarop de praktijk wordt
gevoerd. Verweerster heeft die duidelijk niet op orde en heeft in de afgelopen maanden
niets, dan wel volstrekt onvoldoende ondernomen om haar werkwijze te veranderen en
de aanwijzingen van de deken op te volgen.
3.7 Het is in de ogen van de deken zeer zorgwekkend dat verweerster gedurende
een aantal jaren achtereen diverse tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd heeft gekregen
waarvan de zwaarte steeds toeneemt en die betrekking hebben op vergelijkbare tekortkomingen
in de praktijkvoering. Tevens ziet de deken geen gezonde zelfreflectie en een wil
tot verbetering van haar gedrag. Verweerster trekt uit de tuchtzaken volgens de deken
in elk geval onvoldoende lering. Verweerster heeft de wijze van praktijkvoering gedurende
de afgelopen jaren niet aangepast, terwijl de kantoorbezoeken in 2013 en 2014 al zorgwekkende
resultaten hadden opgeleverd. Het is ook mogelijk dat verweerster na 2014 geleidelijk
is teruggevallen in oude patronen. Het is schadelijk voor de cliënten die zij bijstaat.
De deken meent daarom dat een maatregel noodzakelijk is, die wat de deken betreft
vanwege de ernst en hardnekkigheid van haar gedrag en het gebrek aan inzicht of gevoel
van urgentie tot verbetering bestaat uit een onvoorwaardelijke schorsing van substantiële
duur, zo schrapping van het tableau niet al aan de orde is.
4 VERWEER
Verweer op het dekenbezwaar
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij wijst erop dat de
deken het dekenbezwaar rauwelijks voor de tuchtrechter heeft gebracht, hetgeen haar
enigszins zorgen baart. Zij betwist dat zij niet bereid was om met de deken in gesprek
te gaan. Evenmin heeft zij voorwaarden verbonden of eisen gesteld aan een bespreking
met de deken. Haar advocaat was op het door de deken genoemde tijdstip verhinderd,
maar dit heeft geleid tot een miscommunicatie met de deken. Verweerster heeft niet
geprobeerd het dekenaal toezicht te vertragen of te frustreren.
4.2 Verweerster wijst erop dat er tussen de eerste twee kantoorbezoeken in 2013
en 2014 zo’n tien jaar zijn verstreken zonder dat er vervolg is gegeven aan de kantoorbezoeken.
Ook geeft de deken aan dat hem reeds vanaf 2018 klachten over het functioneren van
verweerster hebben bereikt. Het is verweerster niet duidelijk geworden waarom het
gesprek bij de deken niet enkele dagen kon wachten tegenover dat ruime tijdsverloop.
Ook had verweerster op 22 januari 2024 al inhoudelijk gereageerd op de terugkoppeling
van de deken op de bevindingen van het kantoorbezoek en heeft zij een groot aantal
stukken ter onderbouwing meegestuurd.
4.3 Voor zover de deken het tuchtrechtelijk verleden van verweerster aanhaalt,
stelt verweerster dat zij niets anders kan doen dan te erkennen dat die beslissingen
er zijn. Daar is zij niet trots op en zij had het liever anders gezien, maar zij heeft
er wel lering uit getrokken. Wel wijst verweerster erop dat een aantal beslissingen
van langere tijd geleden zijn. Ook heeft de deken achterwege gelaten dat aan verweerster
in de beslissing van 17 oktober 2022 geen maatregel is opgelegd, omdat zij ter zitting
besef heeft getoond van de financiële regels die gelden voor advocaten en de gewraakte
factuur had ingetrokken. Verweerster is ruim 20 jaar advocaat en kan zich niet aan
de indruk onttrekken dat er op dit moment advocaten in Nederland praktijk voeren met
een veel zwaarder wegend tuchtrechtelijk verleden.
4.4 Verweerster wijst erop dat in de meeste klachten van haar (voormalig) cliënten
de achterliggende aanleiding van de klacht een geschil over de vergoeding van de door
haar verrichte werkzaamheden is geweest. Een rode draad daarbij is dat de cliënten,
eenmaal aangesproken op betaling, de vlucht naar voren nemen door het indienen van
een tuchtklacht bij de deken. Discussie met cliënten over de honorering en ook het
blootstaan aan klachten behoren bij de inherente risico’s van de beroepsuitoefening,
maar verweerster stelt helaas vast dat cliënten in dat opzicht in de afgelopen jaren
in toenemende mate vooral uitgaan van hun rechten en niet de financiële plichten die
zij als opdrachtgever óók hebben. Het merendeel van de kwesties is echter dusdanig
gedateerd en afgehandeld dat de vraag rijst waarom de deken daar nu plotseling mee
op de proppen komt. Anders dan de deken stelt, is geen sprake van tuchtrechtelijke
maatregelen ‘waarvan de zwaarte steeds toeneemt’.
4.5 Over de kantoorbezoeken stelt verweerster vast dat er 17 concrete aanwijzingen,
een aanbeveling en twee afspraken zijn gedaan dan wel gemaakt. Een aanwijzing is volgens
verweerster vergelijkbaar met een last onder dwangsom, zodat er een redelijke begunstigingstermijn
geboden had moeten worden. Dat is niet gedaan. Verweerster is, anders dan de deken
meent, wel aan de slag gegaan met de aanwijzingen. Het resultaat daarvan heeft zij
in haar e-mail van 28 december 2023 genoemd, voorzien van bewijsstukken.
4.6 Verweerster betwist gelet op het voorgaande dat zij geen zelfreflectie toepast
of wil tot verbetering heeft, haar praktijkuitoefening niet heeft aangepast en/of
de aanwijzingen niet heeft opgevolgd. Zij verzoekt het dekenbezwaar dan ook ongegrond
te verklaren. Mocht het dekenbezwaar toch tot een gegrondverklaring leiden, dan verzoekt
verweerster om er rekening mee te houden dat zij voornemens is haar praktijk af te
bouwen dan wel te verkopen.
Aanvullend verweer na vooronderzoek
4.7 Verweerster heeft ter zitting, en in en onder verwijzing naar haar reactie
op het conceptverslag, diverse verweren gevoerd. Deze verweren zien met name op de
door de deken en vooronderzoeker gevolgde procedure en worden hierna bij de beoordeling
van de klacht behandeld.
4.8 Volgens verweerster blijft er van het dekenbezwaar weinig steekhoudends over.
Verweerster handhaaft haar standpunt dat haar digitale dossiers de toets der kritiek
kunnen doorstaan en dat het vooronderzoek daar geen ander licht op heeft laten schijnen.
Zij heeft verder aangetoond niet meer bij een stichting derdengelden te zijn aangesloten,
heeft haar opdrachtbevestiging en statuten aangepast, heeft geheimhoudingsafspraken
gemaakt voor zover de betrokkenen daarmee wilden instemmen, beschikt over een waarnemingsovereenkomst
met een externe klachtenbehandelaar, heeft aantoonbaar voldaan aan haar opleidingsverplichtingen
over 2023 en 2024 en beschikt over een privacyverklaring die ook ziet op haar dienstverlening.
5 BESLISSING
Toetsingskader
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid
en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen
te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemeen belang, waaronder
het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van
de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting
gezocht.
Beoordeling
Onttrekken aan het dekentoezicht
5.2 De raad ziet dat in de periode rondom de indiening van het dekenbezwaar,
waarin verweerster door de deken is uitgenodigd om naar het Ordebureau te komen, onvoldoende
voor het oordeel dat verweerster zich (doelbewust) heeft onttrokken aan het dekentoezicht.
Verweerster heeft daarover toegelicht dat zij het gesprek eerst met haar gemachtigde
wenste te bespreken. Daarover had verweerster weliswaar duidelijker met de deken kunnen
communiceren, maar de raad beschouwt dit als een valse start. Andersom ziet de raad
ook niet in dat het dekenbezwaar rauwelijks is gedaan, gelet op die gang van zaken.
Van een schending van gedragsregel 29 is op basis van het voorgaande geen sprake.
Kantoorbezoeken in 2013-2024
5.3 Uit de verslagen van de kantoorbezoeken van de dekens in 2013 tot en met
2024 volgt een beeld dat de kantoororganisatie van verweerster structureel tekortschiet.
Daarin wordt, in de woorden van de (toenmalige) deken, al in 2013 opgemerkt dat sprake
is van minder ernstige tekortkomingen over bijvoorbeeld de archivering, maar ook ernstige
tekortkomingen zoals een deugdelijke cliënten- en dossieradministratie of een correcte
informatieverschaffing. Zowel in de recentere verslagen uit 2023 en 2024 als uit de
toelichting die de stafjurist van de deken bij de eerste zitting van de raad heeft
gegeven, wordt gemotiveerd uiteengezet hoe verweerster haar dossiers feitelijk beheert.
Volgens de deken is het voor een potentiële waarnemer ondoenlijk om bij uitval van
verweerster op korte termijn een gedegen overzicht te hebben en te krijgen van de
dossieradministratie van verweerster. Hierdoor worden cliënten van verweerster blootgesteld
aan het risico dat hun belangen bij haar uitval niet adequaat behartigd kunnen worden
omdat bijvoorbeeld termijnen door een waarnemer niet bewaakt kunnen worden of de waarnemer
zich niet binnen redelijke termijn een overzicht van de zaak kan vormen.
5.4 Verweerster heeft zich hiertegen verzet. Zij meent dat haar dossieradministratie
wel op orde is. Daarbij is volgens haar ten onrechte als uitgangspunt genomen dat
de fysieke dossiers in de kast in haar huis leidend zijn. De digitale dossiers zijn
volgens haar leidend. Bij de eerste zitting heeft verweerster echter niet kunnen verhelderen
hoe het dossierbeheer er concreet uitziet. Mede gelet daarop heeft de raad op initiatief
en na instemming van partijen een nader onderzoek gelast naar de wijze waarop verweerster
haar dossiers op dit moment beheert. Daarvoor heeft de raad een vooronderzoeker aangewezen.
De vooronderzoeker heeft van haar kantoorbezoek een verslag opgesteld, dat op 10 maart
2025 is uitgebracht.
Bezwaren tegen het verslag van de vooronderzoeker
5.5 Verweerster heeft diverse formele bezwaren geuit tegen de wijze waarop de
vooronderzoeker het kantoorbezoek heeft verricht en het verslag dat zij daarvan heeft
opgesteld. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerster daarover desgevraagd verklaard
dat het niet de bedoeling is dat het verslag terzijde gelegd moet worden, maar moet
worden gelezen in het licht van de bezwaren. De raad zal het dekenbezwaar dan ook
mede beoordelen aan de hand van het verrichte vooronderzoek en in het licht van de
geuite bezwaren.
5.6 Samengevat heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat de vooronderzoeker
haar rol als vooronderzoeker onvoldoende juist, objectief en onbevooroordeeld heeft
verricht en zich niet heeft gehouden aan de aan haar opgedragen taak.
5.7 Als uitgangspunt dient te gelden dat de vooronderzoeker, wordt geacht onafhankelijk
te zijn, mede gelet op wat is bepaald in artikel 46m van de Advocatenwet. Uit de bezwaren
die door verweerster naar voren zijn gebracht, ziet de raad geen aanleiding om aan
die onafhankelijkheid te twijfelen.
5.8 De raad gaat voorbij aan het bezwaar van de gemachtigde van verweerster dat
hij niet is betrokken bij het plannen van het kantoorbezoek. Verweerster wordt als
advocaat in staat geacht om haar eigen advocaat te betrekken bij het doorgeven van
de verhinderdata als zij wenste dat haar advocaat bij het kantoorbezoek aanwezig zou
zijn. Niet is gebleken dat haar gemachtigde om een alternatieve datum heeft gevraagd
vanwege zijn verplichtingen elders, toen bleek dat het onderzoek in het huis van verweerster
moest worden voortgezet. Hierbij is voor de raad doorslaggevend dat het huisbezoek
enkel noodzakelijk was omdat verweerster haar (digitale) dossiers niet beschikbaar
had op de kantoorlocatie. Verweerster wist gelet op de inhoud van de tussenbeslissing
van de raad waarop het kantoorbezoek in het kader van het vooronderzoek betrekking
had. Echter, verweerster had op het kantoor geen dossiers en geen computer beschikbaar,
waarop zij inzage kon verstrekken in haar dossiers en zaaksysteem. Het kan de vooronderzoeker
niet worden aangerekend dat verweerster onvoldoende voorbereid was en haar gemachtigde
daardoor verstek moest laten gaan. Dit komt dan ook voor rekening en risico van verweerster.
5.9 Een ander bezwaar van verweerster is dat de vooronderzoeker tijdens het kantoorbezoek
verweerster ongevraagd een dringend advies heeft gegeven, namelijk om zich vrijwillig
te laten schrappen van het Tableau. De vooronderzoeker heeft daarover ter zitting
toegelicht dat verweerster zelf melding maakte van de voorgenomen verkoop van haar
praktijk. Daarop heeft de vooronderzoeker gevraagd of het niet beter was om, zoals
zij als deken vaker ziet, de zaken over te dragen aan een nieuwe advocaat en daarmee
te verrekenen. De vooronderzoeker heeft toegelicht dat dit een natuurlijk verloop
van het gesprek was, ook gelet op de leeftijd en langdurige carrière van verweerster.
De raad ziet met die toelichting geen reden om eraan te twijfelen of de vooronderzoeker
onbevooroordeeld was.
5.10 Verweerster meent dat hoor en wederhoor door de vooronderzoeker is geschonden
omdat haar opmerkingen niet in het conceptverslag zijn verwerkt. De raad volgt verweerster
niet in haar bezwaar, omdat de opmerkingen van verweerster integraal aan het conceptverslag
zijn gehecht en de raad dus van alle opmerkingen kennis heeft kunnen nemen. Ook is
niet gesteld en is de raad niet gebleken dat verweerster vanwege een naar haar mening
te korte reactietermijn niet alle gewilde opmerkingen heeft kunnen maken. Verweerster
is tijdens de zitting niet teruggekomen op de opmerking over bijlage 18, de statuten
van de B.V. van verweerster, die de vooronderzoeker ten tijde van het conceptverslag
niet kon openen, zodat de raad ervan uitgaat dat verweerster dit bezwaar niet langer
heeft gehandhaafd. Overigens heeft de vooronderzoeker uit deze bijlage alleen artikel
2: het doel van de BV in haar verslag opgenomen en geconstateerd dat dit een andere
is dan die van het voeren van een advocatenpraktijk.
5.11 Verder volgt de raad verweerster niet in haar betoog dat de vooronderzoeker
buiten de omvang van haar opdracht is getreden. Aan de vooronderzoeker is bij tussenbeslissing
opgedragen een kantoorbezoek te verrichten op de door haar gebruikelijke wijze, maar
met bijzondere aandacht voor een specifiek aantal punten. De opdracht was dus niet
beperkt tot de specifieke onderdelen, maar strekte tot het verrichten van een gebruikelijk
kantoorbezoek. Dat de vooronderzoeker aspecten heeft gesignaleerd die nog niet eerder
aan bod zijn gekomen en daarover verslag heeft gedaan, valt dus binnen de opdracht.
5.12 De raad stelt vast dat de vooronderzoeker zich in het verslag heeft beperkt
tot het vastleggen van haar eigen waarnemingen, vragen en opmerkingen en de antwoorden
van verweerster daarop. Slechts aan het einde van haar verslag komt de vooronderzoeker
tot een conclusie over haar bevindingen, die bovendien in concept aan verweerster
zijn voorgelegd. De bevindingen van de vooronderzoeker en haar uiteindelijke conclusie
zijn gescheiden. Voor zover verweerster bedoeld heeft er bezwaar tegen te hebben dat
de vooronderzoeker op welke wijze dan ook eigen conclusies heeft getrokken in haar
verslag, geldt dat dit behoort tot de gebruikelijke wijze bij een kantoorbezoek. De
vooronderzoeker was, als deken en toezichthouder, bovendien voldoende deskundig om
dergelijke conclusies te mogen trekken. Of de raad deze conclusies bij haar oordeel
betrekt, zal de raad hierna nog behandelen. Daarbij worden ook de inhoudelijke opmerkingen
van verweerster op het verslag betrokken.
De raad neemt bevindingen van de vooronderzoeker als uitgangspunt
5.13 De vooronderzoeker heeft op 10 maart 2025 verslag uitgebracht van haar bevindingen.
Ter zitting heeft zij haar waarnemingen aanvullend toegelicht. De raad acht deze bevindingen
– die bovendien afkomstig zijn van een onafhankelijke deskundige – helder en consistent.
Dat betekent dat de raad kan uitgaan van de juistheid van deze bevindingen. Verweerster
heeft daartegenover gesteld dat de vooronderzoeker haar bevindingen niet van bewijs
heeft voorzien. Ook heeft zij zich niet aan de opdracht gehouden door slechts twee
dossiers te bekijken, terwijl er een steekproef van minimaal tien dossiers had moeten
plaatsvinden. De raad ziet in deze twee verweren geen aanknopingspunten om het verslag
van de vooronderzoeker niet tot uitgangspunt te kunnen nemen.
5.14 De raad stelt voorop dat de vooronderzoeker door de raad is aangewezen om
een kantoorbezoek te verrichten als onafhankelijke deskundige. Dat brengt met zich
dat aan deze waarnemingen en bevindingen een hoge bewijskracht kan worden toegekend
en de raad in beginsel uitgaat van de juistheid daarvan. Het is vervolgens aan verweerster
om deze bevindingen gemotiveerd te betwisten. Daartoe had zij de gelegenheid, aangezien
zij de bevindingen over haar kantoororganisatie had kunnen weerspreken door zelf inzicht
te geven in de wijze waarop de kantoororganisatie dan wél wordt gevoerd. Ook heeft
de vooronderzoeker de dossiers waarin zij tekortkomingen heeft geconstateerd met naam
benoemd. Verweerster heeft de bevindingen van de vooronderzoeker slechts in algemeenheden
weersproken, maar heeft geen begin van onderbouwing gegeven waarom deze bevindingen
niet kloppen. De raad ziet daarin dus geen reden om af te wijken van de bevindingen
van de vooronderzoeker.
5.15 Wat betreft het aantal dossiers dat de vooronderzoeker had moeten bekijken,
heeft zij ter zitting verklaard meer dossiers te hebben bekeken dan in haar verslag
bij naam zijn genoemd, maar dat het ter plekke moeilijk bleek om digitale dossiers
en daarbij horende papieren dossiers aan elkaar te koppelen. Het was voor de vooronderzoeker
daarom lastig om dossiers concreet voor te leggen, waarom zij deze twee dossiers heeft
geselecteerd voor nadere uitwerking in het rapport. De raad begrijpt dat er dus meer
dossiers zijn bekeken dan twee, maar dat ervoor is gekozen om twee dossiers expliciet
in het verslag te bespreken ter illustratie van de wijze waarop verweerster haar dossiers
beheert. De raad ziet ook daarin geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van
de vooronderzoeker.
Dossierbeheer
5.16 Uit het verslag van de vooronderzoeker van 10 maart 2025 en de ter zitting
gedane verklaringen van de vooronderzoeker en haar stafjurist, volgt voor de raad
een bevestigend beeld van de structurele tekortkomingen in het dossierbeheer en de
dossieradministratie van verweerster. De vooronderzoeker heeft geen wijzigingen gezien
in de werkwijze van verweerster ten opzichte van de eerder vastgelegde bevindingen
van de deken. Evenals de stafjurist van de deken, was het voor de vooronderzoeker
slecht inzichtelijk hoe dossiers zijn opgebouwd of wat de stand van zaken daarin is.
Ook heeft de vooronderzoeker geconstateerd dat de digitale dossiers die volgens verweerster
leidend zouden moeten zijn, niet volledig zijn omdat verweerster haar gespreksaantekeningen
enkel in de (fysieke) doorzichtige insteekhoezen in haar woning bewaart. Verweerster
heeft bevestigd dat zij de gespreksverslagen in lopende dossiers niet in de digitale
dossiers opslaat, omdat zij deze aantekeningen zelf nog moet gebruiken. Daarmee staat
vast dat de digitale dossiers niet volledig zijn. Het bleek daarnaast niet eenvoudig
om snel te traceren welke insteekmap op welk dossier betrekking heeft.
5.17 Ook heeft de vooronderzoeker opgemerkt dat het niet duidelijk is wanneer
zaken digitaal gearchiveerd zijn en wanneer dossiers worden vernietigd. Zo zou verweerster
een minimale bewaartermijn hanteren, in plaats van een vaste termijn, zodat voor cliënten
niet duidelijk is hoelang hun dossier nu feitelijk bewaard zal blijven. Ook op dit
punt is de kantoororganisatie van verweerster niet op orde.
5.18 Het dossierbeheer en de dossieradministratie van verweerster voldoen niet
aan de daaraan te stellen eisen.
Waarneming
5.19 Uit de verslagen van de kantoorbezoeken is gebleken dat verweerster de waarneming
van haar praktijk langdurig niet heeft geregeld. Nadat verweerster een beoogd waarnemer
had gevonden, is gebleken dat deze waarnemer niet op alle rechtsgebieden werkzaam
is als waarin verweerster actief is. Ditzelfde geldt voor de waarnemer die verweerster
na het kantoorbezoek van de vooronderzoeker heeft gevonden. Ook daarover heeft de
vooronderzoeker opgemerkt dat niet is gebleken dat deze waarnemer voldoende deskundig
is in alle rechtsgebieden die onderdeel vormen van de praktijk van verweerster. Verweerster
heeft niet onderbouwd uitgelegd dat haar huidige waarnemer de expertise heeft om alle
zaken die tot haar praktijk behoren adequaat waar te nemen.
5.20 Het is de raad bovendien niet gebleken dat verweerster de waarneming inmiddels
daadwerkelijk op orde heeft in de zin dat de waarnemer ook in staat is om op korte
termijn in te springen als dat nodig is. Zo heeft verweerster ter zitting verklaard
dat zij bij de nieuwe waarnemer op diens kantoor is langs geweest om de waarneming
te bespreken, maar dat zij daarbij geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop zij
haar dossiers beheert. Dat laatste is wel een vereiste om te kunnen spreken van adequate
waarneming. Van een waarnemer kan niet verwacht worden dat hij /zij zich op zo’n moment
eerst in de dossierorganisatie moet verdiepen. Juist vanwege de geconstateerde gebreken
aan de wijze waarop verweerster haar dossiers beheert, is dit zorgelijk. Daar komt
bij dat verweerster ter zitting heeft toegelicht dat, mocht de waarnemer ingeschakeld
moeten worden, haar zus het digitale dossier aan de waarnemer zal verzenden. De waarnemer
zal daarmee dus niet kunnen beschikken over volledige dossiers, omdat de gespreksaantekeningen
uit de fysieke insteekhoezen zullen ontbreken. Ook daarmee is de waarneming niet adequaat
geregeld.
Naamgeving van kantoor
5.21 Verweerster heeft voor haar kantoor diverse namen in gebruik. In de statuten
en ook het Handelsregister wordt de naam ‘[Naam verweerster] International B.V.’ gehanteerd.
Met de B.V. worden ook de overeenkomsten van opdracht met de daarop van toepassing
zijnde algemene voorwaarden aangegaan. Op het Tableau hanteert zij de naam ‘Advocatenkantoor
[naam verweerster]’. Op haar website stond ‘[Naam verweerster] Advocatuur. Daarmee
laat zij onduidelijkheid bestaan met wie cliënten de overeenkomst van opdracht aangaan
en met wie zij en derden contact hebben. Die onduidelijkheid dient verweerster echter
te vermijden, zoals ook volgt uit afdeling 7.2 van de Voda.
5.22 Verweerster heeft aan de vooronderzoeker toegezegd dat zij ‘Advocatenkantoor
[naam verweerster]’ zou gaan hanteren en de overige namen zou aanpassen. De vooronderzoeker
heeft geconstateerd dat deze wijzigingen niet volledig zijn doorgevoerd. In het Handelsregister
staat nu (enkel) nog vermeld dat verweerster een advocatenpraktijk voert en is ‘Advocatenkantoor
[naam verweerster]’ toegevoegd als handelsnaam, maar de statuten komen nog niet overeen
met een doelomschrijving die ziet op het uitoefenen van de rechtspraktijk. Op de website
van haar kantoor gebruikt verweerster nog steeds verschillende namen door elkaar.
Zo vermeldt het logo ‘Advocatenkantoor [naam verweerster]’, maar wordt ook nog ‘[Naam
verweerster] International B.V.’ weergegeven bij Contact. De naam van de website van
verweerster en ook haar e-mailadres zijn ‘[Naam verweerster]-advocatenkantoor’. In
de algemene voorwaarden wordt ‘[naam verweerster] International B.V.’ gehanteerd,
maar een verwijzing naar de handelsnaam ‘Advocatenkantoor [naam verweerster]’ ontbreekt.
De raad ziet gelet daarop dat verweerster ook tot op heden de onduidelijkheid over
de naamgeving van haar kantoor niet heeft weggenomen.
Klachtenregeling
De vooronderzoeker heeft geconstateerd dat er een klachtenregeling aanwezig is en
dat deze ook is opgenomen in de algemene voorwaarden. Echter, de klachtregeling wordt
aangeduid als "Klachtregeling [naam verweerster] International B.V." Het is de raad
een raadsel waarom, terwijl er jarenlang een klachtenregeling ontbrak, verweerster
nu een klachtenregeling heeft waarin verwezen wordt naar de B.V. Verweerster zet cliënten
daarmee op het verkeerde been omdat het advocatenkantoor geen klachtenregeling heeft.
Verweerster voldoet dus niet voldoet aan artikel 6.28 Voda.
Overtreden schorsingsvoorwaarden
5.23 Volgens de vooronderzoeker heeft verweerster op meerdere momenten de schorsingsvoorwaarden
overtreden. Het dekenbezwaar klaagt hier echter niet over en de deken heeft dit ook
niet als aanvullende klacht naar voren gebracht. De raad gaat daarom voorbij aan de
constateringen van de vooronderzoeker op dit punt.
Geheimhoudingsovereenkomsten
5.24 De vooronderzoeker heeft vastgesteld dat de boekhouder een geheimhoudingsovereenkomst
heeft ondertekend. Het is de vooronderzoeker gebleken dat verweerster pas kort voor
het kantoorbezoek aan de slag is gegaan met het sluiten van de geheimhoudingsovereenkomst(en).
Dat geldt in ieder geval voor de overeenkomst met de zus van verweerster. Nadien is
gebleken dat de verhuurder niet wenst mee te werken aan het sluiten van een geheimhoudingsovereenkomst.
De zus van verweersters had de toegezonden geheimhoudingsovereenkomst op het moment
van de zitting van de raad niet ondertekend. Het is de raad niet gebleken dat verweerster
zelf heeft aangedrongen op het sluiten van de geheimhoudingsovereenkomst met haar
zus.
5.25 Verweerster heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat een geheimhoudingsovereenkomst
niet nodig is, omdat deze personen via artikel 11a van de Advocatenwet al verplicht
zijn tot geheimhouding. De raad volgt verweerster niet in dit verweer. Immers, verweerster
heeft op grond van gedragsregel 3 lid 2 de verantwoordelijkheid om passende maatregelen
te treffen ter handhaving van die vertrouwelijkheid. Dat familieleden van een advocaat
bij dossiers van cliënten kunnen, zonder dat deze familieleden op enige wijze betrokken
zijn bij de praktijkvoering, verhoudt zich daar in ieder geval niet mee. Daarbij is
tijdens de zitting door verweerster naar voren gebracht dat haar zus verantwoordelijk
is voor het doorzenden van de digitale dossiers aan de waarnemer, indien waarneming
noodzakelijk is. Door het sluiten van een geheimhoudingsovereenkomst met derden wordt
ervoor gezorgd dat deze derden zich bewust zijn van de geheimhoudingsplicht en heeft
verweerster een mogelijkheid om hen daar ook aan te houden. Dit kan dan ook als minimale
eis worden gesteld ter handhaving van de vertrouwelijkheid.
Privacyverklaring
5.26 Evenals de vooronderzoeker, acht de raad de privacyverklaring van verweerster
onvoldoende. De privacyverklaring is van algemene aard en gericht op bezoekers van
de website, terwijl deze niet ingaat op de gegevensverwerking die noodzakelijk is
voor de dienstverlening van verweerster. Zo blijkt daar onder meer niet uit dat persoonsgegevens
gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld de uitvoering de dienstverlening of het voldoen
aan wettelijke plichten zoals de Wwft. Het komt de raad voor dat verweerster aan deze
onderwerpen onvoldoende aandacht heeft besteed bij het opstellen van haar privacyverklaring.
Typerend daarvoor is dat haar eigen voornaam onjuist is opgenomen in de privacyverklaring.
Derdengelden
5.27 Het is de vooronderzoeker gebleken dat verweerster niet (meer) beschikt
over een stichting beheer derdengelden en dat zij ook niet meer als bestuurder geregistreerd
staat bij de stichting van haar voormalige kantoorgenoten. Dit onderdeel behoeft daarom
geen verdere bespreking.
Opleidingspunten en deelnamebewijzen
5.28 De vooronderzoeker heeft in haar bevindingen geen tekortkomingen waargenomen
ten aanzien van de door verweerster te behalen opleidingspunten. De deken heeft ter
zitting verklaard dat hij op 15 mei 2025 nog de melding kreeg dat verweerster niet
heeft voldaan aan de CCV-opgave over 2024, maar hij vermoedt dat dat nu wel in orde
is. Dit onderdeel behoeft daarom geen verdere bespreking.
Conclusie
5.29 Verweersters kantoororganisatie voldoet op meerdere punten niet aan de daaraan
te stellen eisen. Het dekenbezwaar is in zoverre gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 De kantoororganisatie van verweerster heeft langdurig niet voldaan aan de
basisverplichtingen die gelden voor de advocatuur. Na diverse kantoorbezoeken heeft
zij aanwijzingen van de deken consequent niet tot nauwelijks opgevolgd. In de loop
der jaren volgt uit de kantoorbezoeken dat verweerster weliswaar steeds kleine aanpassingen
doorvoert na kritiek vanuit de deken, maar dat deze aanpassingen halfslachtig en niet
altijd duurzaam worden uitgevoerd. Zo wijst de raad bijvoorbeeld op het aanpassen
van de naamgeving op haar website.
6.2 Ernstiger is dat verweerster nauwelijks werk heeft gemaakt van het verbeteren
van de essentiële onderdelen van haar werk, zoals de wijze waarop zij haar dossiers
beheert. Meerdere dekens hebben al sinds 2013 tekortkomingen gesignaleerd in de werkwijze
van verweerster, terwijl ook de tuchtuitspraken naar aanleiding van klachten tegen
verweerster het beeld scheppen dat verweerster structureel tekortschiet in de organisatie
van haar praktijk in het bijzonder waar het de financiële afspraken met cliënten betreft.
Die kritiek wordt door verweerster gebagatelliseerd, omdat zij haar eigen werkwijze
wel correct en werkbaar vindt. Verweerster miskent daarmee dat ook het correct bijhouden
van dossiers behoort tot de zorg voor de cliënt. Niet alleen moeten cliënten erop
kunnen vertrouwen dat hun dossiers bij verweerster in goede handen zijn, maar moet
verweerster er ook zorg voor dragen dat deze dossiers bijgewerkt, helder geordend
en snel in te zien zijn voor het geval een waarnemer plotseling een zaak moet overnemen.
Over dat laatste uit de deken ook terechte zorgen. Verweerster lijkt het belang van
goede waarneming ten behoeve van de cliënten niet in te zien. Dat beeld wordt voor
de raad versterkt door de toelichting van verweerster dat zij ook tijdens haar schorsing
van zes weken geen waarnemer heeft ingeschakeld.
6.3 Daar komt bij dat verweerster een laconieke houding aanneemt richting de
deken en de tuchtrechter. Zo had verweerster bij het kantoorbezoek van 7 februari
2025 door de vooronderzoeker geen dossiers gereed liggen, met als gevolg dat de vooronderzoeker
ook naar het huisadres van verweerster moest reizen om daar bij haar thuis dossiers
in te zien.
6.4 De raad kan niet anders concluderen dan dat verweerster een fundamenteel
gebrek aan inzicht heeft in de verantwoordelijkheden en verplichtingen van advocaten,
die bedoeld zijn om de belangen van hun cliënten op juiste wijze te kunnen behartigen.
Zij is daar herhaaldelijk op gewezen sinds 2013, maar het is zelfs in 2025 niet op
orde. Dit staat niet op zichzelf, maar dat beeld wordt versterkt door het tuchtrechtelijk
verleden van verweerster, waar ook de deken in zijn klacht naar verwijst en zoals
dat vanaf overweging 2.3 tot 2.17 in de tussenbeslissing is weergegeven. Verweerster
heeft langdurig onvoldoende blijk gegeven dat zij zich bewust is van de voor de advocatuur
elementaire beginselen en regelgeving. De raad is van oordeel dat verweerster niet
langer thuishoort in de advocatuur. Daarom wordt de maatregel van schrapping opgelegd.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van schrapping op,
- ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in overweging 7.2.
Aldus beslist door mr. H.C.A. de Groot, voorzitter, mrs. N. de Boer, W.R. Arema, A. Schaberg en E.A.L. van Emden, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 11 augustus 2025