ECLI:NL:TADRSGR:2025:161 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-384/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:161 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-08-2025 |
| Datum publicatie: | 06-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-384/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Het stond verweerder vrij om zijn cliënt te adviseren over het al dan niet beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. Ook stond het hem vrij om een verzoek tot benoeming van een vereffenaar te doen. Verweerder heeft zijn taak vervuld in het belang van zijn cliënt en heeft daarbij gebruik gemaakt van de daarvoor bestemde procedure. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 6 augustus 2025 in de zaak 25-384/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) van 12 juni 2025 met kenmerk R 2025/059, door de raad
ontvangen op diezelfde datum, en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en
met 25. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagekomen stukken van klaagster
van 7 juli 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 In september 2010 is de heer K overleden (hierna: erflater). Erflater was
op dat moment getrouwd met de zus van klaagster (hierna: F). Erflater had een zoon
uit een eerder huwelijk, die op dat moment al was overleden. Wel had erflater een
kleinzoon.
1.2 F heeft de erfenis zuiver aanvaard. De kleinzoon heeft de erfenis beneficiair
aanvaard. In het testament is gebruik gemaakt van een tweetrapsmaking.
1.3 In december 2023 is F overleden. De kleinzoon heeft daarop verweerder benaderd
voor juridisch advies. Verweerder heeft in dat verband de notaris aangeschreven bij
wie F een testament heef opgesteld. De notaris heeft medegedeeld dat klaagster in
het testament is benoemd tot executeur.
1.4 Op 17 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“[Kleinzoon] heeft mij gevraagd hem te adviseren omtrent de afwikkeling van het
testament van zijn grootvader [K]. (…) Blijkens het testament heeft erflater [F] en
client tot zijn enig erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel, met toepassing
van de wettelijke verdeling. [F] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, namens cliënt
werd vanwege zijn leeftijd (minderjarig) beneficiair aanvaard. Client verkreeg een
vordering op [F], een vordering die met haar overlijden opeisbaar is geworden en in
de nalatenschap van [F] valt. (…)
Erflater heeft in zijn testament verder gebruik gemaakt van een tweetrapsmaking,
waarbij werd bepaald dat hetgeen [F] uit zijn nalatenschap heeft verkregen en op de
in het testament genoemde momenten onverteerd zal hebben nagelaten, ten deel zal vatten
aan client.
(…) Met het overlijden van [F] is de hierboven genoemde voorwaarde in werking getreden,
op grond waarvan geldt dat client thans rechthebbende is ten aanzien van hetgeen onverteerd
is achtergelaten. Kort gezegd: client was alt erfgenaam ten aanzien van ook dat deel
van de nalatenschap van erflater, zij het onder opschortende voorwaarden van overlijden
van [F]. Uitdrukkelijk zonder in dit stadium volledig te (kunnen) zijn, volgt bijvoorbeeld
uit het Kadaster dat de woning aan de [adres] 32 te [stad] ten tijde van overlijden
op naam van [F] staat. Teneinde zich over zijn rechtspositie te kunnen beraden en
ter zake uiteindelijk ook een keuze te kunnen maken over de wijze waarop hij met de
nalatenschap zal omgaan, dient client te beschikken over informatie over - kart gezegd
– het tweetrapsvermogen. Het lijkt opportuun dat hierover overleg wordt gevoerd met
de betrokkenen bij de nalatenschap van [F].
(…) De betrokken notaris heeft mij laten weten dat u in dat testament bent benoemd
tot executeur. Cliënt gaat er vooralsnog van uit dat die benoeming heeft aanvaard
dan wel nog zult aanvaarden, deze brief wordt daarom aan u in uw hoedanigheid van
executeur gestuurd. Van daaruit vertrekkend verzoek ik u contact met mij op te nemen
om een afspraak te maken. Naar aanleiding daarvan zal cliënt zich over zijn positie-
en zijn keuze kunnen beraden. (…)”
De brieven zijn, zonder reactie, retour gekomen.
1.5 Verweerder heeft uiteindelijk medio juli 2024 contact kunnen krijgen met
klaagster, na raadpleging van het boedelregister en het aanschrijven van de betrokken
notaris. Verweerder heet een aantal overzichten van klaagster ontvangen, zonder onderliggende
stukken.
1.6 Op 15 juli 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven:
“Dank voor uw reactie en heldere uitleg. Ook voor ons erfgenamen [F] was het een
verrassing van de tweetraps en waarom grootvader [K] dit in zijn testament heeft opgenomen.
Na bestudering van de onderliggende stukken is eea duidelijk geworden en kunnen wij
dit in een gezamenlijk overleg bij mr [N] bespreken.
(…) Helaas moet ik vermelden dat er een gigantische schuldenlast is zo om en nabij
de €4.000.000 waaronder de vordering van [F] op haar overleden echtgenoot [K] die
door de tweetraps overgegaan is naar kleinzoon grootvader [K].
Bestudering van onderliggende stukken en de daaropvolgende feiten heeft uitgewezen
dat grootvader [K] zich, tijdens en voor zijn huwelijk, niet als een voorbeeldig partner/echtgenoot
heeft gedragen. Dit ondersteund door medewerking van diverse verschillende notarissen
en accountants. Grootvader [K] is daarom schadevergoedingsplichtig geworden aan zijn
echtgenote [F] (geregeld in huwelijkse voorwaarden). Dit zullen wij bespreken in een
nog te plannen overleg.
(…)
Mijn advies zou zijn: verwerping erfenis grootvader [K] (gezien de schuldenlast)
door kleinzoon zodat ik als executeur-testamentair dit verder afhandel gezien mijn
kennis van het dossier gedurende 14 jaar, met de verrassingen daargelaten. Door verwerping
vervalt ook de vordering van F op kleinzoon zijnde minimaal €1 .900.000).”
1.7 Op 17 juli 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“U gaf aan bij voorkeur snel een afspraak te willen plannen bij de notaris. Zoals
besproken is dat, indachtig de wens van client om informatie te verkrijgen over het
tweetrapsvermogen om zijn rechtspositie te bepalen en zich daarover te beraden, wat
hem betreft goed. Het notariskantoor liet weten dat een gesprek plaats zou kunnen
vinden op (1) 25 juli 2024 om 14.30 uur (…)”
1.8 Op 24 juli 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“Zoals ook de notaris al aangaf is het wellicht opportuun dat in het voorkomende
geval een vereffenaar zou (kunnen) benoemd.”
1.9 Op 25 juli 2024 heeft een bespreking plaatsvonden tussen de kleinzoon en
klaagster bij de betrokken notaris. Verweerder was daarbij niet aanwezig. Daarna heeft
klaagster aan verweerder geschreven:
“Vanmiddag in het gesprek bij Notaris [N] aangegeven dat gezien de hoeveelheid schulden
(met bewijzen voorhanden) de conclusie vrij simpel is. De erfenis is zwaar negatief
= optelsom van plus en min met evt nog bijkomende schulden
(…)
Oprecht wil ik aangeven dat beneficiaire aanvaarding door [de kleinzoon] geen voordeel
oplevert voor hem, slechts schulden. Dus een zinloze aanvaarding.
Van een onafhankelijke vereffenaar komt geen andere conclusie behalve een fikse
rekening (ervaring mee). Aangezien de negatieve nalatenschap absoluut vaststaat stem
ik niet in met het aanstellen van een derde onafhankelijke vereffenaar. Wat de keus
is van [kleinzoon] laat ik aan hem en daarmee de gepaard gaande kosten.
Helaas het is niet anders, door de 2-traps ontstaat een onnodige situatie die geen
enkel doel dient dan alleen vaststellen van de, zoals uitgewerkt in het overzicht
door mij, een negatieve nalatenschap voor [kleinzoon]. (…)”
1.10 Op 28 juli 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven:
“Iom erfgenamen [F] zijn wij de volgende mening toegedaan, indien bij beneficiaire
aanvaarding [kleinzoon]
- de rechter verzoeken tot nietigheid 2-traps testament, getekend 15-1 2-2008
(ogv medisch dossier [K] 2007 (opname ic hartfalen en zuurstofgebrek in hersenen (kon
niet meer lopen (rolstoel) tot overlijden14-9-2010); en mede gezien de hoeveelheid
aan schulden die door zijn toerekenbare handelen zijn nagelaten vnl aan echtgenote
in 2010 (€4.000.000). (aangifte erfbelasting 201 0)
(…)
- in het verstrekte overzicht opgesteld door [klaagster] bent u op donderdag 25-7-2024
als adviseur van kleinzoon [K] geïnformeerd dat de nalatenschap [K] absoluut negatief
is en beneficiaire aanvaarding door kleinzoon een faillissement zou betekenen en daarmee
de diverse crediteuren waaronder de Belastingdienst hun vorderingen niet kunnen verhalen
Idem leningen door erven [F] die in de nalatenschap vallen. Bij een faillissement
is niemand gebaat.
(…)
'Bij verwerping door kleinzoon kunnen de erven [F] de nalatenschap op een verantwoorde
manier afhandelen zonder dat er sprake hoeft te zijn van enig faillissement en de
uitstaande vorderingen kunnen worden voldaan).”
1.11 Op 7 augustus 2024 heeft de waarnemer van verweerder aan klaagster geschreven:
“Zoals eerder aangegeven moet cliënt inzicht krijgen in de samenstelling en omvang
van de nalatenschap voordat hij een keuze kan maken. In het geval van een beneficiaire
aanvaarding ligt, zoals eerder aangegeven, het verzoeken van een vereffenaar voor
de hand.
U geeft aan reeds veertien jaar met deze kwestie bezig te zijn, waardoor ik veronderstel
dat er een administratie is aangelegd. Kunt u de onderliggende stukken waaruit het
een en ander (de schulden) zou blijken daarom per e-mail aan mij toesturen? Als cliënt
zich moet beraden over zijn keuze, dan moet hij de kans krijgen om goed naar de stukken
te kunnen kijken en moet hij ook alle relevante stukken met onderbouwing ontvangen.
Het is mij namelijk onduidelijk hoe een positieve nalatenschap ten tijde van het
overlijden kan veranderen naar het gestelde negatieve saldo. Kunt u inzicht geven
in bijvoorbeeld de gestelde schuld van € 4.000.000, hoe de belastingschulden zouden
zijn ontstaan en in hoeverre in lijn met de verplichtingen in de tweetrapsmaking is
gehandeld? Ik denk daarbij onder meer ook aan het toezenden van de huwelijkse voorwaarden
waaruit de gestelde vordering zou volgen.”
1.12 Op 8 augustus 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven:
“Het is ondoenlijk om stukken toe te sturen, gezien de hoeveelheid stukken, wel
kan ik met de mappen langskomen zodat u ze zelf kunt inkijken. (…) Ook wil ik aangeven
dat het woonhuis nr 32 niet van grootvader [K] was maar van echtgenote [F]. Grootvader
[K] heeft zich op oneigenlijke wijze in samenspanning met notaris [L] toegeeigend.
Bovendien was grootvader [K] tt van het opstellen testament 15-12-2008 ziek (hersenbeschadiging
door ic opname 2007).
Voor kleinzoon is er gewoon niets te erven behalve schuld en is beneficiaire aanvaarding
zinloos, wat zij ook moeten begrijpen. Moeder van kleinzoon heeft bij het overlijden
van haar echtgenoot (zoon van grootvader) voldoende geerfd, welk geld uit het bedrijf
van echtgenote [F] kwam
Door het onrechtmatig handelen van grootvader [K] is er nu een situatie ontstaan
die er niet had moeten zijn en brengt onnodige schade toe aan de nalatenschap van
mijn zus [F] alsmede door de opstelling van kleinzoon en zijn adviseurs.
Om de zaak niet verder op te houden want de crediteuren moeten worden betaald hebben
wij, erfgenamen van zus [F] besloten om voor vernietiging van het testament te gaan
(spoedprocedure), zodat kleinzoon een beneficiaire aanvaarding wordt bespaard.”
1.13 Begin september 2024 heeft verweerder contact gezocht met een beoogd vereffenaar,
nadat de kleinzoon de voorkeur heeft uitgesproken om beneficiair te aanvaarden. Op
19 september 2024 heeft verweerder telefonisch contact gehad met klaagster over de
vereffenaar.
1.14 Op 19 september 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
1.15 Op 27 december 2024 is een verzoek om een vereffenaar te benoemen ingediend
bij de rechtbank.
1.16 Bij beschikking van 16 januari 2025 heeft de rechtbank de vereffenaar benoemd.
1.17 Op 12 maart 2025 heeft klaagster de rechtbank verzocht om de beschikking
in te trekken. Op 20 maart 2025 heeft de rechtbank laten weten het verzoek niet in
behandeling te nemen, omdat de hogerberoepstermijn nog loopt.
1.18 Op 10 juni 2025 heeft klaagster hiertegen hoger beroep ingesteld.
1.19 Op 11 juni 2025 heeft de vereffenaar aan klaagsters advocaat geschreven:
“Heden nam ik kennis van het door u ingediende beroepschrift. Het is mij een raadsel
waarom uw cliënte voor deze route kiest. De beroepstermijn is reeds verstreken, zij
is geen belanghebbende in de zin van art. 282 Rv, alsook wordt in het beroepschrift
de werking van de tweetrapsmaking miskend. Het lijkt er derhalve op dat het ingediende
hoger beroep uitsluitend is bedoeld om tijd te rekken. Ik ga daar niet in mee en houd
vast aan de eerder gestelde termijn (bij e-mail 4 juni jl.). Derhalve zie ik graag
uiterlijk 18 juni a.s. de in mijn schrijven d.d. 29 mei jl. verzochte bevestiging
tegemoet!
Voorts overweeg ik om een veroordeling van uw cliënte te verzoeken in de werkelijk
door mij te maken proceskosten in hoger beroep, zulks gezien het feit dat op voorhand
duidelijk is dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.”
1.20 Op 26 juni 2025 heeft verweerder aan klaagsters advocaat geschreven:
“Ik nam kennis van onderstaande berichten. Ik deel onderstaand standpunt ten aanzien
van het hoger beroep Ook dezerzijds zal in het voorkomende geval worden overwogen
te verzoeken om een werkelijke proceskostenveroordeling.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft aangestuurd op een onnodige, kostbare rechtsprocedure en
negeert alle bewijzen die aan hem zijn geleverd ter onderbouwing van de negatieve
nalatenschap;
b) Verweerder heeft een vereffenaar laten aanstellen, terwijl er reeds in 2010
is vereffend.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 van de Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven
in artikel 10a van de Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 van de Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
Beoordeling
4.2 Verweerder heeft zijn cliënt geadviseerd over het al dan niet beneficiair
aanvaarden van de nalatenschap. Dat stond hem vrij. Het stond hem vervolgens ook vrij
om een verzoek te doen om een vereffenaar te laten benoemen door de rechtbank. Dat
was ook mogelijk, omdat de nalatenschap voor de tweede keer was opengevallen. Dat
klaagster het daar niet mee eens is omdat dit volgens haar onnodige kosten met zich
brengt, maakt dat niet klachtwaardig. Verweerder heeft zijn taak vervuld in het belang
van zijn cliënt en heeft daarbij gebruik gemaakt van de daarvoor bestemde procedure.
De klacht is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.3 De klacht is, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 6 augustus 2025