ECLI:NL:TADRSGR:2025:155 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-362/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:155 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-07-2025 |
| Datum publicatie: | 01-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-362/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht deels niet-ontvankelijk omdat klager dat verwijt al eerder aan de raad heeft voorgelegd. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond. Misbruik van recht-bepaling. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
30 juli 2025
in de zaak 25-362/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) van 2 juni 2025 met kenmerk R 2025/057, door de raad
ontvangen op diezelfde datum, en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en
met 38.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Tussen klager en de heer L hebben diverse procedures gelopen over een vuistpand.
L wordt daarin bijgestaan door verweerster en haar kantoorgenoot mr. [B] (hierna:
mr. B).
1.2 Op 23 maart 2020 hebben klager en mr. B het volgende aan elkaar geschreven:
Klager aan mr. B om 16.43 uur:
“(…) Tevens is er een werk opgehaald door [L] bij [Van den E]. Welke dat is, moet
ongetwijfeld [L] weten. Dit werk is verpand aan de heer [DH] (…)”
Mr. B aan klager om 16.47 uur:
“(…) 5 zijn er bij [Van den E] (…) u geeft er verklaring voor 1 (…)”
Mr. B aan klager om 21.41 uur:
“(…) [L] bevestigt overigens een schilderij van [Van den E] ontvangen te hebben
– dat is dus geen onderwerp van discussie.”
1.3 Op 24 maart 2020 is tussen klager en L een vaststellingsovereenkomst gesloten
met finale kwijting en een geheimhoudingsbeding.
1.4 Bij conclusie van repliek van 24 juni 2020 heeft verweerster de vaststellingsovereenkomst
ingebracht in een procedure tussen L en Van den E. Klager is door middel van tussenkomst
als partij in de procedure betrokken geraakt.
1.5 Op 9 november 2023 heeft Van den E aan klager geschreven:
“Ik pik langzaam weer wat zaakjes op en ben begonnen met de schilderijenzaak weer
helder te krijgen. In feite heb ik enkel de [mr. B] bekende schilderijen onder me
gehad. Ik heb niets meer en door jouw is toch alles (schilderijen, beeldjes, lampen,
treinen) verantwoord en geaccordeerd. [Mr. B] reageert niet en procedeert maar door.
Hij trekt [L] leeg en jaagt mij op kosten. Dit is al de zoveelste onzin procedure.
Heb jij voor mij jouw verantwoording en de onderliggende stukken (veilinglijsten
etc)? Ik leg het e.e.a. dan zelf wel naast elkaar. Want of het klopt niet wat jij
zegt of [mr. B] maakt er een potje van.
Kijk in ieder geval naar jou verantwoording van de Schelfhout. [Mr. B] heeft mij
telefonisch ergens in het voorjaar 2021 wel bevestigd dat deze bij die vriend van
hem stond. Die [DH]. Maar nu ontkent hij het en ik kan niet bewijzen dat hij dat wel
bevestigd hebt. Maar goed, jij zou nog voor mij kijken hoe dat bij jou was gegaan.
Kun jij dat nog even doen. Want die man liegt de hele boel bij elkaar.”
1.6 Op 10 november 2023 heeft klager aan mr. B geschreven:
“Uw manier van procederen maakt dat u mij wederom als leugenaar afschildert en daar
ben ik niet van gediend.
Mij wordt namelijk voorgehouden dat u in een procedure met Van den Elzen ontkent
dat [L] het schilderij van Schelfhout bij [Van den E] heeft opgehaald. . Daarentegen
heb ik geantwoord op eerdere vragen dat u dat juist aan mij bevestigd had
Aan mij heeft u tijdens de rekening en verantwoording bevestigd dat [L] inderdaad
het schilderij bij [Van den E] heeft opgehaald. U weet dus drommels goed dat het schilderij
door [L] is opgehaald en reeds eerder heb ik u gewezen op het gegeven dat de heer
[DH] (uw vriend notabene) deze onder zich heeft genomen nadat de heer [L] deze had
beleend.
Daarom; Kunt u aan mij herbevestigen dat [L] heeft bevestigd dat hij het schilderij
van Schelfhout inderdaad bij [Van den E] heeft opgehaald?
Daarnaast wijs ik u ook op het volgende:
1. De heer [L] heeft verklaard dat de lampen waar u om blijft vragen bij [Van den
E] volgens hem ([L]) zijn ontvreemd door mevrouw [K].
2. Na onze vaststellingsovereenkomst is rekening en verantwoording door mij afgelegd.
Nimmer heb ik van u vernomen dat deze opgave onjuist zou zijn ofwel dat er zaken ontbraken.
In tegendeel; de laatste goederen waar onduidelijkheid over was (de treintjes) zijn
bij mij thuis opgehaald en er is getekend dat alles compleet was.
Kortom; u weet al jaren precies waar alle goederen gebleven zijn, welke goederen
zijn geveild door [NGS], welke goederen bij [C] stonden en door hen geveild zijn,
waar de Jaguar is waar u het over heeft, etc. [L] weet het in ieder geval wel en er
is een bandopname waarop dit te horen is.
Het bevreemd mij dan ook ten zeerste dat u nu weer procedeert met [Van den E] en
aan hem opnieuw vraagt waar bepaalde werken zijn, terwijl u volledig op de hoogte
bent en daarmee de suggestie wekt dat ik de waarheid niet spreek. U weet al jaren
wat op de verschillende veilingen is geveild. U heeft alle afrekeningen daarvan gehad
en dus is tot in detail bekend waar wat gebleven is.
U was notabene betrokken bij het executie geschil betrokken in Arnhem om veiling
van deze goederen onder mijn vuistpand tegen te houden. Later noemde u dit nog een
onzinnige procedure.
Stop dus met deze onzinnige procedures en stop met onwaarheden verkondigen. Als
u even tijd neemt en er voor gaat zitten, weet u precies waar wat is en blijkt een
procedure onnodig.
Ik verzoek u mij om binnen 3 werkdagen na heden te bevestigen dat de Schelfhout
inderdaad is opgehaald door [L] en dat u van mij rekening en verantwoording heeft
gekregen en dat die klopte. Blijft deze bevestiging uit dan zal ik (opnieuw) een klacht
indienen bij de deken. Ik zet deze alvast op de Cc. Waarom? Ik ben er echt helemaal
klaar mee en wil hier geen seconde meer tijd insteken dan nodig. Maar telkens weer
weet u het ertoe te geleiden dat ik weer naar u moet reageren.
Heeft u overigens al een idee hoe u de schade die ik geleden heb, gaat vergoeden?
Graag ontvang ik hier over een reactie of een voorstel. Ik had u al aansprakelijk
gesteld waar een reactie op is uitgebleven. Ook van deze schade wil ik liever echt
geen procedure meer voeren, maar dat zal wel een utopie zijn.”
1.7 Op 15 november 2023 heeft verweerster aan klager geschreven:
“In antwoord op uw onderstaande e-mail aan Mr. [B] reageer ik hierbij - als behandelend
advocaat in de rekening en verantwoordingsprocedure (hierna: “R&V-procedure”).
De R&V-procedure betreft een procedure die is ingesteld tegen [Van den E]. [Van
den E] heeft immers erkend werken in zijn bezit te hebben (gehad) en daarvoor is zijn
rekening en verantwoording gevraagd.
Naar aanleiding van het verweer van [Van den E] en de instructie van de rechtbank
voor de comparitie is teruggezocht in de e-mailcorrespondentie tussen u en mr. [B].
Uit die correspondentie van destijds is mij inmiddels gebleken dat op 23 maart 2020
door mr. [B] aan u is bevestigd dat [L] ‘een schilderij’ van [Van den E] heeft ontvangen,
hoewel uit die e-mail niet duidelijk volgt dat dit over ‘de Schelfhout’ ging. Daarop
is een toelichting gevraagd aan cliënt, maar daar heb ik tot op heden geen reactie
van ontvangen.
Pas gisteren ontving ik een foto van het werk. Uit die foto blijkt het inderdaad
om ‘de Schelfhout’ te gaan. Ik zal dus in de lopende procedure bevestigen dat de Schelfhout
geen onderwerp van discussie meer is.
In de R&V-procedure heeft [Van den E] overigens verklaard dat hij de schilderijen
met de omschrijvingen REM 3, REM 4, COR 1, MAR 1, MAR 2, DA 3 en SMI 6 in april 2021
heeft teruggebracht naar [GI]. In zijn processtuk schrijft hij:
“In april 2021 heeft [Van den E] de werken die hij nog onder zich had, teruggebracht
naar [GI]. Immers namens [GI] zijn de goederen destijds opgehaald bij [C] en er liep
op dat moment nog een procedure over een vuistpand, dan wel retentierecht van [Van
den E]. [Van den E] wilde ervoor zorgen dat de goederen zorgvuldig opgeslagen bleven
omdat hij de kosten van bewaring niet meer kon dragen.”
Mocht het zo zijn dat u deze werken in eigendom van [L] – zoals [Van den E] stelt
– in april 2021 heeft ontvangen, dan komt mij voor – gelet op de getekende vaststellingsovereenkomst
– dat u deze werken dus zonder recht of titel houdt.
Graag verneem ik van u of u deze werken heeft ontvangen en nog in uw bezit heeft.
Dat zou het geschil met [Van den E] kunnen verkleinen.”
1.8 Op 21 november 2023 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft willens en wetens het geheimhoudingsbeding uit de vaststellingsovereenkomst
geschonden;
b) Verweerster heeft willens en wetens het kwijtingsbeding uit de vaststellingsovereenkomst
geschonden;
c) Verweerster heeft stellingen naar voren gebracht die aantoonbaar in strijd
met de waarheid zijn.
2.2 Klager heeft zich daarnaast beklaagd over het niet reageren door mr. B op
klagers vragen hoe zijn schade vergoed gaat worden. Omdat deze klacht zich niet richt
tot verweerster, gaat de voorzitter hieraan voorbij.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klachtonderdeel a)
4.1 Klachtonderdeel a) is al eerder door klager aan de raad voorgelegd. Daarop
is bij beslissing van 30 juni 2024 (zaaknummer: 24-910/DH/RO, ECLI:NL:TADRSGR:2025:131)
beslist. Klager is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Klachtonderdelen b) en c)
4.2 De voorzitter begrijpt dat klachtonderdelen b) en c) gaan over de stellingen
die verweerster, althans haar kantoorgenoot mr. B, in een procedure tegen Van den
E naar voren heeft gebracht over ‘de Schelfhout’ en de e-mailcorrespondentie daarover
in november 2023. Aldus klager doet verweerster het voorkomen alsof er geen rekening
en verantwoording is afgelegd. Ook zou klager als leugenaar worden weggezet omdat
ontkend wordt dat L het schilderij zou hebben opgehaald. Klager meent daarop ongewild
in een procedure te worden betrokken.
Toetsingskader
4.3 De klacht gaat over het handelen van verweerster in een procedure waarbij
klager geen partij was. Klager is dus geen wederpartij, maar een derde. De raad hanteert
daarom bij de beoordeling van de klacht het volgende toetsingskader:
Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de
beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten
handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen,
onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of
nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Beoordeling
4.4 De voorzitter acht deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond. Vooropgesteld
wordt dat er een procedure over de rekening en verantwoording werd gevoerd tegen Van
den E. Klager was daarbij dus geen partij. Zelfs al zou dat het geval zijn, dan betekent
niet overigens dat daarmee het kwijtingsbeding zou zijn overtreden. Het is aan klager
om in dat geval een beroep te doen op het kwijtingsbeding, maar dit is geen verbod
voor de cliënt van verweerster om klager in rechte te betrekken.
4.5 Voor zover verweerster in de procedure tegen Van den E onjuist zou hebben
gesteld dat ‘de Schelfout’ niet door haar cliënt was opgehaald, is het aan Van den
E om dat in die procedure te betwisten. Dat klager wordt weggezet als leugenaar vindt
geen steun in de feiten, maar berust slechts op de beleving van klager zelf. De voorzitter
volgt hem daarin niet. Bovendien heeft verweerster, nadat klager daarover om opheldering
heeft gevraagd, op korte termijn bevestigd dat ‘de Schelfhout’ inderdaad door haar
cliënt was ontvangen. Daarbij heeft zij toegezegd om dit ook in de lopende procedure
te bevestigen. Voor zover klager door de onjuiste stelling al zou zijn geraakt, is
dit dus op adequate wijze door verweerster hersteld.
Misbruik van recht
4.6 Het is de voorzitter gebleken dat klager tot op heden tien klachten heeft
ingediend over verweerster en haar kantoorgenoot mr. B over de schilderijenkwestie,
waar ook deze klachtprocedure over gaat. Hoewel een deel van deze procedures heeft
geleid tot een gegronde klacht, gaan veel recente klachten over procedures waarbij
klager geen partij is geweest en waarvan hij slechts op de hoogte raakt door zijn
betrokkenheid met Van den E, of over zaken die raken aan gebeurtenissen rondom het
vuistpand uit 2019. Deze klachtprocedures komen zowel qua klachtonderdelen als feitelijkheden
zeer overeen en overlappen geregeld met eerdere klachten. Ter illustratie wijst de
voorzitter erop dat klachtonderdeel a) op 19 mei 2025 ter zitting van de raad is behandeld.
Uit de correspondentie in het dossier blijkt dat klager de deken diezelfde dag nog
heeft gevraagd om onderhavige klacht alsnog door te zenden, omdat hij het griffierecht
destijds niet had voldaan, zonder daarbij dit klachtonderdeel te laten vallen. In
navolging van de deken, is ook de voorzitter van oordeel dat de grenzen van het tuchtrecht
inmiddels bereikt worden. Klager moet er dus rekening mee houden dat nieuwe klachten
die verband houden met hetzelfde feitencomplex niet meer in behandeling zullen worden
genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht. Dit geldt ook voor
nieuwe klachten die in de kern zien op het geschil dat klager met de heer [L] heeft
gehad over het vuistpand op de schilderijen. Dit geldt niet alleen voor klachten tegen
verweerster, maar ook voor klachten tegen mr. [B] en andere advocaten die daarin hebben
opgetreden.
Conclusie
4.7 Klachtonderdeel a) is kennelijk niet-ontvankelijk. Klachtonderdelen b) en
c) zijn kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen b) en c), met toepassing van artikel 46j van de
Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.M. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 juli 2025