ECLI:NL:TADRSGR:2025:148 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-352/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:148 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-07-2025 |
| Datum publicatie: | 01-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-352/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een letselschadekwestie. Verweerster mocht zijn bijstand aan klager beëindigen en heeft dat zorgvuldig en uitvoerig gemotiveerd gedaan. Dat verweerders inhoudelijke bijstand onvoldoende is geweest, kan niet worden vastgesteld. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
23 juli 2025
in de zaak 25-352/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 26 mei 2025 met kenmerk K133 2024 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft in september 2023 een scooter ongeval gehad. Verweerder heeft
klager bijgestaan bij de daaropvolgende letselschadekwestie.
1.2 Op 19 december 2023 mailt klager aan verweerder met een klacht over verzekeraar
[I] en/of arbeidsdeskundige S.
1.3 Op 20 december 2023 reageert verweerder en schrijft onder meer:
“Ik heb jou klacht gelezen maar ik zie niet het nu van deze klacht op dit moment
niet in. (…)
Het indienen van de door jou beoogde klacht veroorzaakt naar mijn verwachting alleen
maar meer (onnodige) discussie en zorg voor afleiding van waar het om moet gaat: de
medische beoordeling. Ik raad je dan ook af om de beoogde klacht in te dienen. Mocht
je dat toch doen en levert dit een belangenbenadeling van [B] in de zin van de polisvoorwaarden
van jouw rechtsbijstandsverzekering op, dan kan dat het gevolg hebben dat ik je niet
langer kan bijstaan.”
1.4 Klager reageert diezelfde dag en schrijft onder meer dat een klacht indienen
het recht is dat iedereen heeft.
1.5 Verweerder reageert diezelfde dag en schrijft onder meer:
“Klagen staat je vrij, maar dit is aan jouzelf. Als die klacht resulteert in een
belangenbenadeling van [B] (…), dan kan dat echter negatieve gevolgen hebben voor
de dekking van jouw zaak. De klachten is door mij al geadresseerd en daarop heeft
[I] besloten om [H] toch als letselschade-expert betrokken te houden. (…) Het signaal
is nu echter al afgegeven en ook zijn er voldoende duidelijke afspraken gemaakt over
de verdere schadeafwikkeling.“
1.6 Op 20 december 2023 heeft verweerder in een e-mail aan H onder meer geschreven:
“Voor de volledigheid wijs ik er wel op dat mijn cliënt nogal ontevreden is over
de gang van zaken rondom het eenzijdig delen van informatie door [I] met 1MA alsook
de keuze dat u de zaak blijft behandelen. Cliënt overweegt daaromtrent nog een klacht
in te dienen, omdat u als integrale behandelaar de verantwoordelijkheid had om uzelf
/ [I] ervan te onthouden deze informatie met een derde deskundige te delen. Zoals
ik al liet weten begrijp ik de kritiek van mijn cliënt, zeker voor wat betreft het
zonder overleg delen van informatie met 1MA. Ik zie echter niet in waarom op deze
punten nu al zal moeten worden geëscaleerd, maar zoals gezegd hou ik het voor onmogelijk
dat u deze kwestie onbevooroordeeld zult kunnen behandelen gelet op uw negatieve verleden
met cliënt. Zodra ik dat bevestigd zie, zal ik daar namens cliënt op moeten handelen.
1.7 Op 2 mei 2024 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan de advocaat van [I]
over de op 7 mei 2024 geplande bespreking.
1.8 Op 6 mei 2024 heeft klager per e-mail aan verweerder onder meer geschreven
dat het hem verstandig lijkt een second opinion te krijgen binnen verweerders kantoor
inzake een kort geding. Klager is van mening dat dit nu het punt is het kort geding
te starten.
1.9 Op 8 mei 2024 reageert verweerder en schrijft gemotiveerd dat hij geen redelijke
kans ziet om met succes een kort geding te starten. Verweerder schrijft ook:
“Dit had ook reeds bij de bespreking die voor 7 mei jongstleden was ingepland kunnen
worden besproken, zij het niet dat je (wederom) zonder mijn medeweten rechtstreeks
contact hebt gezocht (ditmaal) met Raasveld wat erin heeft geresulteerd dat er (opnieuw)
een probleem ontstond waardoor niet duidelijk was of het gesprek nu wel of niet kon
plaatsvinden. Het zonder mijn medeweten contact opnemen met partijen die bij de behandeling
van jouw zaak betrokken zijn is problematisch nu ik daarmee niet precies op de hoogte
ben van al datgene wat speelt en dat ook - zoals nu – een negatieve impact heeft op
mijn feitelijke werkzaamheden voor jou. Sterker nog: het minnelijk overleg wordt hiermee
vrijwel onmogelijk gemaakt nu je geregeld aanstuurt op conflict. Ik zeg daarmee niet
dat je geen reden tot klagen hebt (gehad), maar ik zeg wel - zoals ik je eerder ook
al heb gezegd - dat jouw opstelling ook een negatieve invloed op een adequate schaderegeling
heeft.
Beëindiging samenwerking?
Gelet op het voorgaande (en de inhoud van jouw bericht van 6 mei jongstleden) vraag
ik mijzelf af of ik wel in de staat ben om jouw belangen nog te behartigen. Het lijkt
er namelijk niet op dat ik nog jouw vertrouwen geniet nu je steeds opnieuw zelf de
regie probeert te nemen, mij niet op de hoogte brengt van het rechtstreeks contact
dat je met de partijen in jouw zaak hebt, het afgestemde plan van aanpak steeds probeert
te wijzigen, nieuwe conflicten creëert en bovendien regelmatig niet door mij gevraagde
informatie aanlevert en in plaats daarvan wel meermaals per week met nieuwe mails,
nieuwe (ongevraagde) informatie en nieuwe verzoeken komt. Hier komt bij dat je mijn
adviezen als gespecialiseerd letselschade advocaat niet aan lijkt te kunnen nemen
wanneer dit afwijkt van hoe jij zelf iets ziet en ook daar steeds discussie in opzoekt.
Zonder jouw vertrouwen ben ik niet in staat om mijn werk als advocaat goed te doen
en optimaal voor jouw belangen in te zetten. Je maakt het namelijk vrijwel onmogelijk
om mij het proces te laten leiden, wat wel mijn rol als advocaat is. Als wij niet
per direct een andere omgang met elkaar kunnen afspreken en je jouw vertrouwen in
mij kunt uitspreken, dan zie ik geen andere mogelijkheid dan om mijzelf te onttrekken
uit de zaak zodat je op zoek kunt gaan naar een belangenbehartiger die wel jouw vertrouwen
geniet.”
1.10 Op 13 mei 2024 reageert klager en schrijft onder meer:
“Kunt u aangeven wat nu gedaan zal worden ? Als ik eerder wist dat vorige week ook
geen gesprek plaats vond was de dagvaarding naar [I] al lang verzonden en zoals u
weet zie ik ook niet in dat dit nu op korte termijn nog kan en de zaak die loopt helemaal
vast er is geen vooruitgang geen duidelijkheid niets.
Ik heb me beroept op een second opinion voor de kort geding inzake de dbc traject
, ook dit lijkt niet te worden gedaan . (…)
Ik wil graag deze week van [B] horen hoe we dit nu verder gaan doen ik wil een kortgeding
prima starten maar met behoud van de polis anders zal ik met [B] moeten kijken hoe
dit dan gaat voor een kort geding maar gezien de zaak voldoet aan de abc critriums
die u eerder noemde en wij hier van mening verschillen dient dan iemand anders eventueel
deze toetsing te doen en alsnog een kort geding gestart wordt.”
1.11 Verweerder reageert diezelfde dag en schrijft aan klager onder meer:
“Helaas kan ik niet anders dan vaststellen dat het nu vastlopen van de zaak een
gevolg is van jouw eigen handelen. Hier hebben wij het ondertussen al vele malen over
gehad. Het meest recente voorbeeld is dat je - kort nadat met [advocaat [I]] en Raasveld
(namens [I]) een gesprek op kantoor van [B] werd afgesproken met als doel om de geschilpunten
over en weer te bespreken en een concreet plan van aanpak af te stemmen - buiten mijn
weten (en tegen de gemaakte afspraken in) een e-mail aan de directie van Raasveld
hebt gericht waardoor de afspraak van 7 mei 2024 geen doorgang kon vinden. Je hebt
daarmee het plan van aanpak dat is afgesproken geschonden, je ondermijnt daarmee mijn
gezag en frustreert daarmee een minnelijke behandeling van jouw letselschadezaak.
Ook herken ik het volgende algemene patroon in de communicatie over jouw letselschade
zaak. Het gaat dan dus niet alleen om de communicatie tussen jou en mij, maar ook
om de communicatie met andere bij jouw zaak betrokken partijen. Wanneer je een vraag
stelt en daar niet direct antwoord op krijgt, dan vraag je doorgaans al binnen één
week meermaals om een antwoord op die vraag te krijgen. Dit ondanks dat regelmatig
is besproken dat een dergelijke reactietermijn onredelijk is en dat het onwenselijk
is binnen een dergelijke korte termijn veelvuldig te herinneren en daarbij ook nog
eens aanvullende vragen te stellen. Het meest recente voorbeeld is bijvoorbeeld ons
laatste contact van 8 mei jongstleden, waarbij ik je erop wees dat ik op 9 en 10 mei
afwezig ben in verband met Hemelvaart en je vandaag (13 mei) alweer aan jouw bericht
van 8 mei herinnert en met aanvullende verzoeken komt. Andersom is het regelmatig
voorgekomen dat ik jou om relevante informatie heb gevraagd, maar die informatie vervolgens
niet of pas na maanden en gedeeltelijk komt (denk hierbij aan het gevraagde bewijs
over jouw feitelijke tennis activiteit van kort vóór het ongeluk). Dat dit een vertraging
oplevert wil je echter niet zien.
Daar komt bij dat je geen genoegen neemt met een niet door jou gewenst antwoord.
In zo'n geval zoek je alsnog naar een manier om het door jou gewenste antwoord te
krijgen of resultaat te bewerkstelligen, bijvoorbeeld door middel van het indienen
van een klacht of het vragen van een second opinion. In feite vraag je vrijwel steeds
om (bijna exclusieve) aandacht, die onmogelijk kan worden gegeven. Dit gedrag werkt
conflicten in de hand en draagt bij aan escalatie. Dit werkt contra productief en
leidt af van de essentie: namelijk de goede afwikkeling van jouw letselschade. Dit
heb ik je ook meermaals duidelijk proberen te maken, waarbij ook is benoemd dat het
constant indienen van formele klachten niet bijdraagt aan een goede verstandhouding
en juist een vertragend effect voor wat betreft een reactie kan opleveren. Het maakt
ook dat ik buitensporig veel tijd kwijt ben aan het behartigen van jouw belangen en
het 'oplossen' van de bijkomende conflicten.
In mijn e-mail van 8 mei jongstleden heb openlijk uitgesproken waarom ik twijfel
aan of ik jouw belangen nog wel kan behartigen. Anders dan een kort excuus ten aanzien
van het contact tussen jou en Raasveld ga je niet verder op dit probleem in. Je blijft
- ondanks mijn negatieve advies daaromtrent - maar herhalen dat je een kort geding
wenst te starten. Ook vraag je mij om eenzijdig een aanvullende opdracht aan 1MA te
geven, waaromtrent ik al eerder heb laten weten dat in gezamenlijk overleg dient te
gebeuren. Je lijkt je niets van mijn adviezen / raad aan te trekken, jouw eigen plan
te trekken en dat west dat plan door mij uit te laten voeren. Ik heb de indruk dat
je mij alleen gebruikt om datgene wat je zelf graag gedaan zou willen krijgen voor
elkaar te krijgen, zonder daarbij naar mijn advies als deskundige te luisteren. Dat
staat je uiteraard vrij, maar beschouw ik wel als een zodanige vertrouwensbreuk dat
ik niet langer als jouw advocaat kan optreden.
Gelet op al het voorgaande acht ik mijzelf helaas niet langer in staat om jouw belangen
te behartigen en zal ik de behandeling van jouw zaak neerleggen.”
1.12 Op 2 juli 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zich niet alleen uit de zaak teruggetrokken, maar de formulering
dusdanig gemaakt dat de polis is gestopt. Dit heeft ervoor gezorgd dat klagers zaak
vertraging oploopt.
Klager stelt dat verweerder een vertekend beeld heeft geschetst, waardoor een verkeerd
standpunt namens [B] is ingenomen. Door verweerders bewoordingen is klagers polis
ten onrechte vervallen.
b) Verweerder heeft fouten gemaakt bij de behandeling van klagers zaak. Klager
wijst in zijn e-mail van 24 september 2024 op het volgende:
1. Verweerder heeft niet de second opinion ingezet zoals diverse keren is gevraagd;
2. Verweerder stuurde vooraf geen concept, maar vaak direct berichten naar de
wederpartij;
3. Verweerder greep niet in toen S de fout maakte en weigerde een klacht in te
dienen;
4. Verweerder weigerde vragen te stellen aan de medisch adviseur waardoor die
mogelijkheid klager nu ook is ontnomen en klager dit extra kost.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
3.2 Klachtonderdeel a) Verweerder verwijst naar zijn bericht van 13 mei 2024.
Verweerder heeft geen rol gehad en is ook niet op de hoogte gehouden van wat zich
tussen klager en [B] na verweerders onttrekking heeft afgespeeld. Verweerder weet
ook niet of de inhoud van zijn bericht reden is geweest om de polis te stoppen.
3.3 Klachtonderdeel b) 1. Verweerder heeft toegelicht hoe de correspondentie
over het door klager gewenste kort geding in de periode van 19 april tot en met 13
mei 2024 is verlopen.
3.4 Klachtonderdeel b) 2. Verweerder stelt dat klager en hij op een zeker moment
(december 2023) hebben afgesproken dat verweerder – omwille van de voortgang – niet
steeds een concept van ieder bericht bedoeld voor derden met klager zou hoeven delen.
Klager ontving uiteraard wel steeds een blinde kopie.
3.5 Klachtonderdeel b) 3. Verweerder stelt dat sprake was van een fout van de
verzekeraar en niet van S. Verweerder heeft wel degelijk ingegrepen op het moment
dat bekend werd dat de verzekeraar (en niet S) het bezoekverslag zonder instemming
met de in gezamenlijk opdracht ingeschakelde medisch adviseur (1MA) had gedeeld. Over
het indienen van een klacht heeft uitvoerig contact plaatsgevonden tussen klager en
verweerder achtte het niet in het belang van klager om zich op de wijze te beklagen
zoals klager zich had willen beklagen. Op 20 december 2023 heeft verweerder met klager
hierover gesproken, waarbij klager erin heeft berust geen klacht in te dienen, maar
verweerder de heer H van S er wel van op de hoogte zou brengen dat klager het voornemen
had om zich over hem te beklagen.
3.6 Klachtonderdeel b) 4. Verweerder stelt dat het niet juist is dat hij heeft
geweigerd om vragen aan de medisch adviseur te stellen. Het is echter zo dat deze
adviseur in gezamenlijk opdracht is ingeschakeld, wat betekent dat overeenstemming
moet worden bereikt over de precieze opdracht die wordt gegeven. Het is dus niet toegestaan
om eenzijdig vragen te stellen aan een gezamenlijk ingeschakelde deskundige. Verweerder
heeft richting de wederpartij aangedrongen op aanvullend advies. Zonder medewerking
vanuit de wederpartij zou het traject bij de adviseur afgebroken moeten worden, met
alle gevolgen van dien.
3.7 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden
gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter
toets aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels,
waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets.
Klachtonderdeel a)
4.3 In gedragsregel 14 lid 2 is bepaald dat de advocaat zich terug moet trekken
als tussen de advocaat en zijn cliënt een verschil van mening bestaat over de manier
waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg
kan worden opgelost. In lid 3 van deze gedragsregel is bepaald dat een advocaat een
aan hem verstrekte opdracht op zorgvuldige wijze moet neerleggen en ervoor moet zorgen
dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
4.4 De voorzitter is van oordeel dat verweerder zijn bijstand aan klager mocht
beëindigen op 13 mei 2024, gelet op wat er tussen klager en verweerder was voorgevallen
en waarover was gecorrespondeerd. Uit de gevoerde e-mailwisseling van begin mei 2024
volgt dat klager niet tevreden was met de aanpak van de zaak door verweerder en dat
klager anderen wensen had. Verweerder mocht zijn bijstand dan ook beëindigen en heeft
dat zorgvuldig en uitvoerig gemotiveerd gedaan. Dat verweerder (en/of zijn bericht
van 13 mei 2024) een rol heeft gespeeld bij het beëindigen van klagers polis, kan
niet worden vastgesteld. Klager heeft daartoe geen stukken overgelegd. Van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen van verweerder is niet gebleken. Dit klachtonderdeel is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.5 Deze klachten ziet allemaal op de inhoudelijke bijstand van verweerder in
de letselschadekwestie. Klager heeft zijn klachten niet met stukken onderbouwd. Verweerder
heeft de klachten steeds gemotiveerd en met stukken onderbouwd betwist.
4.6 Ad 1. Klager heeft het voor het eerst op 6 mei 2024 over een second opinion
gehad. Daarna zijn nog een paar berichten gewisseld (op 8 en 13 mei) waarna verweerder
op 13 mei 2024 zijn bijstand heeft beëindigd. Dat geen second opinion is ingezet is
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, alleen al gelet op de korte tijdspanne tussen 6
en 13 mei 2024 (waaronder ook het Hemelvaartsweekend) en de mogelijke beëindiging
van verweerders bijstand die vanaf 8 mei 2024 speelde.
4.7 Ad 2. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat en waarom hij klager niet
altijd eerst een concepttekst heeft toegestuurd. Klager heeft dit niet betwist. Verweerder
heeft dus kennelijk met instemming van klager op deze wijze gehandeld. Dat is niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.8 Ad 3. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat verweerder actie
heeft ondernomen op de klacht, maar wellicht niet op de manier waarop klager dat wenste.
Verweerder heeft klager (op 20 december 2023) uitdrukkelijk de keuze gegeven om zelf
een klacht in te dienen en hem daarbij gewezen op de eventuele risico’s voor klager.
Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken
4.9 Ad 4. Uit verweerders toelichting blijkt dat een gezamenlijke opdracht aan
de medisch adviseur is verstrekt. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat dan niet
zo maar vragen op verzoek van een van de partijen kunnen worden gesteld. Klager heeft
deze gang van zaken niet betwist en dit punt ook niet verder toegelicht of onderbouwd.
Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken.
4.10 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 juli 2025