ECLI:NL:TADRSGR:2025:147 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-350/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-07-2025 |
| Datum publicatie: | 01-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-350/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een echtscheidingszaak. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond, want niet/nauwelijks onderbouwd met bewijsstukken. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
23 juli 2025
in de zaak 25-350/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 26 mei 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K232 2024 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail (met producties) van klager van 9 juni 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Tussen klager en zijn (inmiddels) ex-vrouw (hierna: de vrouw) is een echtscheidingsprocedure
aanhangig geweest.
1.2 Verweerster heeft de vrouw in deze procedure bijgestaan.
1.3 Op 23 februari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens
deze zitting zijn klager en de vrouw tot een schikking gekomen.
1.4 Op 8 mei 2023 heeft klager bij de deken een (eerste) klacht ingediend over
verweerster.
1.5 Bij beslissing van 24 januari 2024 (zaaknummer 23-820/DH/DH, gepubliceerd
als ECLI:NL:TADRSGR:2024:14) heeft de voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond
verklaard. De klachten in deze zaak zijn als volgt:
a) Verweerster heeft klager genegeerd in de (ruime) periode dat klager tot een schikking
wilde komen, door maar 25% van de tijd beschikbaar te zijn. Klager heeft uiteindelijk
een afspraak geforceerd via een partner van verweersters kantoor.
b) Verweerster heeft meegewerkt aan het verzwijgen van belastinginkomsten van haar
cliënte en heeft onjuist gezegd dat er al belastingaangifte was gedaan.
c) Verweerster heeft onjuiste informatie verstrekt over de datum van indiening van
het verzoekschrift tot echtscheiding.
d) Verweerster heeft in een eindvoorstel van 18 januari 2023 willens en wetens een
substantieel lager bedrag aan jaarinkomsten van haar cliënte gehanteerd dan tijdens
de zitting van 23 februari 2023.
e) Verweerster heeft in een conceptvaststellingsovereenkomst, zonder overleg en
zonder dit aan te geven, wijzigingen doorgevoerd en/of daarin meer wijzigingen doorgevoerd
dan is afgesproken.
Klager heeft verzet ingesteld tegen deze beslissing.
1.6 Bij beslissing van 5 augustus 2024 (ECLI:NL:TADRSGR:2024:144) heeft de raad
het verzet gegrond verklaard en de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.
De raad heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in de nieuwe klachtonderdelen. In
de beslissing is bij de verzetgronden van klager onder meer opgenomen:
“Ten aanzien van klachtonderdeel b) stelt klager het volgende. Verweerster is erop
gewezen dat de aangifte niet is gedaan en onwaarheden niet zijn gecorrigeerd. (…)
Verweerster wist dat geen aangifte was gedaan en daarvoor een boete kon volgen. Verweerster
heeft gelogen dat het een brutobedrag aan inkomsten was, terwijl dat netto was. Dat
er in de jaren 2017-2021 een bedrag van € 62.794,00 aan inkomstenbelasting is betaald
door de ex-partner is onjuist, want klager heeft daar 50% van betaald. Er is daarnaast
uitsluitend bewijs van een onjuist en niet ondertekend ‘rapport aangifte inkomstenbelasting
2021’. Er is dus geen bewijs dat de financieel adviseur een melding heeft gedaan bij
de Belastingdienst. Er is bewust geen aangifte gedaan over de jaren 2014-2016 en de
stelling van verweerster dat sprake is van verjaring is niet aangetoond op basis van
een beslissing van de Belastingdienst. (…)
Ten aanzien van klachtonderdeel d) (…) De ex-partner heeft er zelf voor gekozen
om per 1 januari 2023 fulltime te gaan werken, zoals ook uit de wekelijkse roosters
volgt. (…) De nevenfunctie is gestart op maandag 16 januari 2023 en in een trage,
logge organisatie is het onmogelijk dat zij pas op 15 januari 2023, een zondag, de
uitslag van de sollicitatie zou hebben gehoord. Verweerster heeft er bewust voor gekozen
de onjuiste informatie te gebruiken om een hoge afkoopsom te krijgen.”
In 6.2 van de beslissing is onder meer opgenomen:
“De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgrond a) slaagt. Het
is de raad niet gebleken dat de voorzitter kennis heeft genomen van de nagekomen stukken
van 17 december 2023, nu daar geen melding van wordt gemaakt in de voorzittersbeslissing
en de inhoud daarvan niet terugkomt in de inhoudelijke beoordeling. Dat betekent dat
het verzet gegrond is nu de voorzitter heeft geoordeeld over een incompleet dossier.”
1.7 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.
1.8 Op 17 september 2024 heeft verweerster in een e-mail aan de heer [B] onder
meer geschreven:
“Cliënte ontving op 11 januari 2023 de bevestiging dat zij per 15 januari 2023 100%
zou gaan werken.
Voor zover dit (weer) ziet op het schikkingsvoorstel waarin ten aanzien van zowel
cliënte als uw cliënt is gerekend met een fictief inkomen, verwijs ik naar de toelichting
in de klachtprocedure en de beslissing van de Deken en de Raad van Discipline in dat
kader. Cliënte is transparant geweest over de hoogte van haar inkomen ten tijde van
de mondelinge behandeling.”
1.9 Bij beslissing van 9 mei 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:77) heeft het Hof van Discipline
de beslissing van de raad van 5 augustus 2024 bekrachtigd.
1.10 Op 15 november 2024 heeft klager bij de deken deze (tweede) klacht ingediend
over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
Belastingen
1) Verweerster heeft in randnummer 37 van haar verweerschrift op de zelfstandige
verzoeken gesteld dat klager bekend was met de hoogte van de YouTube inkomsten van
de vrouw. Dit is onjuist. Verweerster levert geen bewijs en voldoet niet aan de stelplicht.
2) Verweerster heeft in randnummer 37 van haar verweerschrift op de zelfstandige
verzoeken gesteld dat de YouTube inkomsten volledig ten goede zijn gekomen van de
huishouding. Dit is onjuist. Verweerster heeft dit ook nimmer aangetoond.
3) Verweerster heeft in randnummers 10 en 11 van een van haar stukken gesteld
dat belastingaangifte is gedaan over de jaren 2014-2016. Dat is onjuist. Er is geen
aangifte gedaan door de vrouw over deze periode.
4) Verweerster heeft in randnummer 10 van een van haar stukken gesteld dat alle
informatie met betrekking tot de belastingaangiften over 2014 en verder met klager
is gedeeld. Dit is pertinent onjuist. Ondanks diverse pogingen om inzicht te krijgen
in de aangiftes over 2014 tot aan de peildatum, is, op de oorspronkelijke aanslagen
na, geen enkele informatie met klager gedeeld.
5) Ditzelfde geldt voor de aangiftes over de periode 2017-2020. Deze zijn evenmin
met klager gedeeld, zoals verweerster beweert in randnummer 10 van een van haar stukken.
6) Klager wijst op de bewering van verweerster in punten 11 en 8.
7) Verweerster beweert in het incidenteel appel enerzijds dat het YouTube kanaal
een onderneming is, maar anderzijds dat het kanaal geen onderneming is, en dat op
een en dezelfde (peil)datum (punten 8 en 11). Zij spreekt zichzelf daarmee tegen.
De aangifte is onjuist en verweerster was daarvan op de hoogte. Zij is in haar rol
als advocaat betrokken bij een onjuiste aangifte.
8) De vrouw heeft dubbele belastingaangifte gedaan over de periode 2017-2020.
Er is echter geen sprake van dubbele aangifte. Ook hier heeft verweerster ervoor gekozen
om de feiten naast zich neer te leggen.
9) Als er wel sprake is van een onderneming, dan heeft verweerster verzuimd de
waarde van het YouTube kanaal op te voeren bij de bezittingen van haar cliënte.
10) Verweerster heeft in randnummer 38 van één van haar processtukken gesteld
dat de YouTube inkomsten enkel ten goede zijn gekomen aan de gemeenschap. Dit is onjuist
en niet aangetoond. De conclusie van verweerster dat een eventuele naheffing door
de gemeenschap gedragen dient te worden, is dan ook onjuist.
11) Verweerster heeft in randnummer 16 van een van haar stukken gesteld dat klager
jarenlang toegang had tot de bankrekening van de vrouw en overboekingen heeft gedaan
naar zijn eigen rekening. Dit is onjuist. Verweerster heeft hier niet aan haar stelplicht
voldaan.
12) Verweerster heeft in haar berekening niet de stortingen van klager aan de
vrouw meegenomen. De berekening is daarmee onvolledig.
13) Verweerster heeft in haar berekening niet de stortingen van de kinderbijslag
meegenomen. De berekening is daarmee onvolledig.
14) Verweerster heeft in haar berekening niet de IB teruggaven van de Belastingdienst
aan de vrouw meegenomen. De berekening is daarmee onvolledig.
15) Verweerster heeft gesteld dat ‘de phishing expeditie’ naar volledige transparantie
inzake van de belastingaangifte over de periode 2014-peildatum gestopt dient te worden.
Klager was fiscaal partner van de vrouw en heeft recht op transparantie en inzage.
Verdwenen YouTube gelden
16) Verweerster heeft in haar verweerschrift tevens incidentdeel appelschrift
(punten 18 en 19) iets wezenlijk anders verklaard dan in het door haar ingediende
verweerschrift op zelfstandige verzoeken (punt 37). Het is het een of het ander. Verweerster
spreekt zichzelf tegen. Ook deze berekening is onjuist. Verweerster licht het gerechtshof
onjuist voor.
17) Verweerster heeft gesteld dat de vrouw de belastingaanslag heeft betaald
zonder verrekening met klager. Dit is onjuist. Klager heeft de belastingaangifte bij
helfte betaald. Verweerster licht het gerechtshof onjuist voor en handelt in strijd
met artikel 21 Rv.
18) Verweerster heeft gesteld dat de vrouw de belastingaanslag over de periode
van 2016 tot aan de peildatum heeft betaald vóór de peildatum. Klager stelt dat er
voor de peildatum geen belasting door de vrouw is betaald. Verweerster licht het gerechtshof
onjuist voor.
19) Klager verzoekt bewijs voor de stelling dat de vrouw een toegenomen spaarsaldo
heeft opgebouwd in de periode van 1 januari 2014 tot aan de peildatum van € 75.456,21.
Indien het startsaldo van de spaarsaldi op 1 januari 2014 niet nihil waren, dan licht
verweerster het gerechtshof onjuist voor.
20) Klager verzoekt bewijs voor de stelling dat de vrouw € 174.500,- heeft afgelost
op de gemeenschappelijke hypotheekschuld vanuit de YouTube gelden en niet bijvoorbeeld
uit de overwaarde van de voormalige woning. Indien verweerster dit bewijs niet kan
aanleveren, dan licht zij het gerechtshof onjuist voor.
21) Verweerster heeft in punt 22 van een van haar stukken gesteld dat klager
tot en met 2020 volledige inzage in de inkomsten en uitgaven van de vrouw had. Deze
stelling is onjuist.
Kort geding n.a.v. [straat0
22) In het tussen klager en de vrouw gevoerde kort geding was geen sprake van
een spoedeisend belang. Verweerster heeft dan ook misbruik gemaakt van het rechtssysteem.
23) Verweerster heeft in haar van haar stukken geschreven dat de vrouw geen eigenaar
is van het appartement aan de [straat]. Dit is onjuist. Verweerster licht het gerechtshof
onjuist voor en handelt in strijd met artikel 21 Rv.
24) Verweerster heeft in een e-mail aan klagers advocaat gevraagd om binnen een
tijdspanne van 2 uur en 15 minuten verhinderdata op te geven in verband met een aan
te vragen kort geding. Dit is volslagen onredelijk. Hoewel binnen de tijdspanne is
gereageerd, heeft verweerster de rechtbank ingelicht dat er voor klager geen verhinderdata
waren, terwijl verweerster wist dat klager drie weken had aangevraagd en gekregen
met toestemming van de vrouw.
(…)
25) Verweerster heeft in de aanloop naar het kort geding gesteld dat niet zou
zijn afgesproken dat de kinderbijslag voor één van de dochters zou worden gedeeld.
Uit het ouderschapsplan blijkt echter onomstotelijk dat dit onjuist is. Verweerster
licht het gerechtshof onjuist voor.
(…)
26) Verweerster heeft in de aanloop naar het kort geding gesteld dat klager ook
niet bijdraagt in de kosten van een andere dochter. Klager draagt echter sinds het
begin van de scheiding structureel bij. Ook op dit punt licht verweerster het gerechtshof
onjuist voor.
(…)
27) Verweerster beweert dat het appartement om niet wordt geleverd. De beschikking,
getekend en voorgelezen in haar aanwezigheid, spreekt niet over enige voorwaarden.
Verweerster spreekt opnieuw niet de waarheid en licht het gerechtshof onjuist voor.
(…)
28) Verweerster heeft in een e-mail van 28 juni 2024 iets gesteld wat door haar
cliënte is weerlegd in een schrijven aan de notaris. Verweerster licht het gerechtshof
opnieuw onjuist voor.
(…)
29) Verweerster heeft opnieuw niet de waarheid gesproken bij het opvoeren van
‘redelijkheid/billijkheid’ als reden voor het niet betalen van (verborgen) kosten
tijdens de levering van het appartement aan de [straat].
N.a.v. de lopende procedure (bestaande 5 klachten)
30) Verweerster beweert (in de klachtprocedure bij het Hof van Discipline) dat
de financiële gegevens van haar cliënte niet bekend waren ten tijde van het doen van
haar eindvoorstel. Verweerster spreekt (in haar e-mail van 17 september 2024) niet
de waarheid over het feit dat de financiële gegevens van de vrouw niet bekend waren
ten tijde van het doen van haar eindvoorstel. Verweerster houdt tijdens de gehele
klachtenprocedure vast aan onwetendheid. Haar eigen e-mail weerlegt die stelling,
hetgeen opnieuw overtreding van artikel 21 Raadsvrouw oplevert.
31) Verweerster is diverse mailen gevraagd om de HR-brief van de KLM over de
ophoging van de tewerkstelling van de vrouw van 50% naar 100%. Verweerster heeft tot
op heden geweigerd aan dit verzoek te voldoen.
32) Verweerster is verplicht om bij bepaalde aangewezen diensten de Wwft toe
te passen. Zij heeft daarin een poortwachtersrol. Verweerster is meegenomen in het
mailverkeer inzake de belastingaangiftes. Zij is aangesproken op het niet hebben gedaan
van aangifte over de periode 2014-2016, de onjuistheden in de aangifte over de periode
2017-2020 en de onjuistheden in de aangifte over de periode 2021. Het bewust negeren
hiervan past niet in de rol van poortwachter.
33) Verweerster heeft in punt 22 van een van haar stukken gesteld dat klagers
aannames ongefundeerd zijn en ontkracht zijn door de vrouw. Dit is onjuist. Klagers
aannames zijn onderbouwd middels harde feiten en de vrouw heeft niets ontkracht.
34) Verweerster heeft in haar berekening niet de inkomsten vanuit het KLM-inkomen
van de vrouw over de periode van 2014 tot aan de peildatum opgenomen. De berekening
is derhalve onvolledig.
35) Verweerster heeft het KLM-inkomen van de vrouw over de genoemde periode ten
onrechte weggestreept tegen door haar genoten onbetaald verlof. De door de vrouw verkregen
daggeld-vergoeding is eveneens buiten beschouwing gelaten door verweerster. Verweerster
misleidt het recht door bekende feiten achterwege te laten.
36) Om een zogenoemde ‘delta’ te berekenen inzake de verdwenen gelden over de
periode 2014 tot aan de peildatum gebruikt verweerster een onjuiste berekening. Zij
onttrekt ten onrechte € 62.794,- aan de bezittingen van de vrouw.
37) De bewering dat de belastingaanslag van € 62.794,- 100% is betaald door de
vrouw en op deze wijze dient te worden verdisconteerd met de ‘delta’ is onjuist. De
vrouw heeft aantoonbaar na de peildatum bij helfte betaald.
38) Om een zogenaamde ‘delta’ te berekenen inzake de verdwenen gelden over de
periode 2014 tot aan de peildatum beweert verweerster dat de vrouw een toegenomen
spaarsaldo heeft opgebouwd van € 75.456,21. Deze stelling is niet juist.
39) Om een zogenaamde ‘delta’ te berekenen inzake de verdwenen gelden over de
periode 2014 tot aan de peildatum beweert verweerster dat de vrouw € 174.500,- heeft
afgelost op de gemeenschappelijke hypotheekschuld vanuit de YouTube gelden, naast
de stortingen gedaan door de vrouw aan de man. Dit is pertinent onjuist en hier bestaat
ook geen bewijs voor. Verweerster onttrekt ten onrechte € 174.500,- aan de bezittingen
van de vrouw.
40) Verweersters berekening en uitleg inzake de inkomsten en de uitgaven is stuitend
te noemen. Er kan geen sprake zijn van deskundigheid. In de berekening missen essentiële
data, worden ten onrechte posten verdisconteerd waardoor de bezittingen van de vrouw
onjuist zijn weergegeven. Er is sprake van bewuste misleiding door verweerster.
2.2 Klager stelt dat op diverse punten sprake is van schending van de financiële
integriteit en dat de door hem geleden schade gecompenseerd dient te worden.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk
4.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is
vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan
worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder
al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat,
over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel
op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen
waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.2 De voorzitter is van oordeel dat de klachtonderdelen die zien op de belastingaangiften
van de vrouw over de periode 2014 tot en met 2021 stranden op het ne bis in idem-
beginsel. Klager heeft eerder een klacht ingediend tegen verweerster (zaaknummer 23-820/DH/DH).
Een van de klachten (onderdeel b) in die zaak was het verwijt dat verweerster had
meegewerkt aan het verzwijgen van belastinginkomsten van de vrouw en dat zij ten onrechte
had gezegd dat er al belastingaangifte was gedaan. In ieder geval de klachtonderdelen
3, 4, 5, 7, 8, 9, 17, 18 en 37 zien op de belastingaangiftes van de vrouw. Deze klachtonderdelen
vloeien voort uit hetzelfde feitencomplex en zien (min of meer) op hetzelfde als waarover
in de eerdere zaak is geklaagd. Klager kan hier niet nogmaals over klagen.
4.3 Dat eerder (in de beslissing op verzet van 5 augustus 2024) is vastgesteld
dat de voorzitter op basis van een onvolledig dossier heeft geoordeeld, maakt dit
niet anders. De raad en later het Hof van Discipline hebben wel op basis van een volledig
dossier geoordeeld.
4.4 Deze klachtonderdelen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Klacht voor het overige kennelijk ongegrond
4.5 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.6 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
4.7 Klager verwijt verweerster met name dat zij in diverse (proces)stukken onjuiste
stellingen en onjuiste berekeningen heeft opgenomen en dat zij die stellingen en berekeningen
niet (deugdelijk) heeft onderbouwd. Het gaat in bijna alle gevallen om stellingen
die verweerster namens haar cliënte in de procedure heeft ingenomen. Klager heeft
niet aangetoond dat de door verweerster ingenomen stellingen en berekeningen onjuist
zijn. Klager stelt dat, maar onderbouwt zijn klachten niet met bewijsstukken. De voorzitter
kan dan ook niet vaststellen dat verweerster onjuiste feiten en/of berekeningen in
haar stukken heeft opgenomen en/of dat zij heeft gehandeld in strijd met art. 21 Rv.
Als de door verweerster ingenomen stellingen/berekeningen al onjuistheden bevatten,
dan is niet gesteld noch gebleken dat verweerster dit wist of redelijkerwijs kon weten.
Verweerster mocht immers in beginsel afgaan op de juistheid van de door haar cliënte
verschafte informatie. Klager en zijn advocaat hebben bovendien in de procedures op
de stellingen en berekeningen van verweerster kunnen reageren. Het is vervolgens aan
de rechter geweest om een oordeel te geven over de over en weer ingenomen stellingen.
De tuchtprocedure is niet bedoeld om het in de civiele procedure gevoerde partijdebat
over te doen. Van tuchtrechtelijk handelen van verweerster is niet gebleken. De voorzitter
verklaart klachtonderdelen 1, 2, 10 t/m 16, 19 t/m 21, 23, 25 t/m 30 en 33 t/m 40
daarom kennelijk ongegrond.
4.8 Klachtonderdeel 6 bevat geen concreet verwijt en is om die reden kennelijk
ongegrond.
4.9 In klachtonderdeel 22 verwijt klager verweerster dat er geen sprake was van
een spoedeisend belang. Nog daargelaten dat klager ook op dit punt geen stukken heeft
overgelegd, is het niet aan de tuchtrechter om hierover een oordeel te geven. Het
is de kort gedingrechter die het spoedeisend belang moet beoordelen. Ook dit klachtonderdeel
is kennelijk ongegrond.
4.10 In klachtonderdeel 24 verwijt klager verweerster dat zij een onredelijk
korte termijn heeft gesteld voor het aanleveren van verhinderdata. Hoewel de door
verweerster gestelde termijn kort is geweest, heeft klager niet onderbouwd dat hij
hierdoor in zijn belangen is geschaad. Klager verwijt verweerster met name dat zij
de rechtbank heeft ingelicht dat er voor klager geen verhinderdata waren, terwijl
die er wel waren. Verweerster heeft in reactie daarop gesteld dat door of namens klager
binnen de gestelde termijn is gereageerd en dat klager de rechtbank zelf over zijn
verhinderingen zou informeren. Verweerster heeft de rechtbank vervolgens bericht dat
zij geen verhinderdata van klager had ontvangen. Dat was niet onjuist. Van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen is niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
4.11 In klachtonderdeel 31 verwijt klager verweerster dat zij heeft geweigerd
een HR-brief van KLM te overleggen. Klager heeft niet aangetoond dat hij daartoe verzoeken
heeft gedaan, nog los van de vraag of verweerster verplicht was een dergelijke brief
aan klager te overleggen. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
4.12 In klachtonderdeel 32 verwijt klager verweerster kennelijk dat zij niet
conform de Wwft heeft gehandeld. De Wwft heeft echter geen betrekking op hetgeen
klager vervolgens stelt. Klager heeft zijn klacht op dit punt verder ook niet onderbouwd.
Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
4.13 Voor zover klager in diverse klachtonderdelen stelt dat sprake is van schending
van de kernwaarde financiële integriteit, geldt dat dit betrekking heeft op de praktijkvoering
van de advocaat en niet op de stellingen en/of berekeningen die namens de cliënt worden
ingenomen.
4.14 De klacht is dan ook, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
4.15 Voor zover klager in zijn aanvulling van 9 juni 2025 verzoekt om vaststelling
door de tuchtrechter van (mogelijke) strafbare feiten, geldt dat het aan de strafrechter,
en niet aan de tuchtrechter, is om hierover te oordelen. Een taak dat de raad signalen
van mogelijke strafbare feiten zou moeten melden aan het openbaar ministerie volgt
niet uit de wet.
4.16 Voor zover klager in zijn aanvulling van 9 juni 2025 nieuwe klachten indient,
laat de voorzitter deze buiten beschouwing. Een reeds bij de raad in behandeling zijnde
klacht waarover de deken, na de schriftelijke rondes (klacht, antwoord, repliek en
dupliek), een visie heeft gegeven, kan niet meer met nieuwe klachten worden aangevuld.
Nieuwe klachten moeten op grond van artikel 46c lid 1 Advocatenwet bij de deken worden
ingediend.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klachtonderdelen 3, 4, 5, 7, 8, 9, 17, 18 en 37, met toepassing van artikel
46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 juli 2025