ECLI:NL:TADRARL:2025:80 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-103/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2025:80
Datum uitspraak: 31-03-2025
Datum publicatie: 03-04-2025
Zaaknummer(s): 25-103/AL/GLD
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de deken over zijn betrokkenheid bij de benoeming van een bindend adviseur in een geschil tussen klager en klagers rechtsbijstandsverzekeraar kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 31 maart 2025

in de zaak 25-103/ AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 13 februari 2025 met kenmerk K 24/ZW01 .

1. FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager heeft zijn (destijds) vijfjarige zoon ingeschreven op een reguliere basisschool. De basisschool heeft de inschrijving geweigerd. Dat houdt verband met de speciale ondersteuningsbehoefte die de zoon heeft volgens de basisschool en het kinderdagverblijf van de zoon. Klager heeft ARAG verzocht een kort geding in te stellen tegen de basisschool. De behandelaar bij ARAG is van mening dat een kort geding geen redelijke kans van slagen heeft, omdat onvoldoende aannemelijk kan worden gemaakt dat de basisschool de zoon passend onderwijs kan bieden.

1.2 Op 26 juli 2024 schreef de heer V., jurist inkoper externe rechtshulp bij ARAG, het volgende aan verweerder:

“Met de Nederlandse Orde van Advocaten is door ARAG de afspraak gemaakt dat de Dekens in de diverse arrondissementen bemiddelen bij het aanwijzen van een advocaat, die conform de polisvoorwaarden van ARAG bindend uitspraak doet in een tussen een verzekerde en de behandelaar gerezen geschil omtrent de te volgen strategie in een bepaalde zaak. Thans is een geschil gerezen tussen verzekerde [NAW klager] Tevens opgenomen in cc) en ARAG. Voor een omschrijving van het geschil en de standpunten van partijen, verwijs ik u naar aangehechte brief.

Gaarne verzoek ik u een advocaat in uw arrondissement aan te wijzen die in dezen een voor partijen (verzekerde en ARAG) bindende uitspraak kan geven. De advocaat zal door mij nader over de zaak en de standpunten van verzekerde en de behandelaar worden geadstrueerd.”

Volgens de bij de e-mail gevoegde casusbeschrijving is de vraag aan de bindend adviseur om te beoordelen of het door klager gewenste kort geding kans van slagen heeft.

1.3 Op 6 augustus 2024 heeft de deken de heer V laten weten dat hij een advocaat bereid had gevonden om als bindend adviseur het geschil tussen ARAG en klager te behandelen.

1.4 Vanaf 8 augustus 2024 heeft klager bij verweerder, ARAG en de bindend adviseur telefonisch en per e-mail zijn bezwaren geuit over de aanwijzing van de bindend adviseur. Diezelfde dag heeft klager een klacht ingediend tegen verweerder, althans zijn voornemen daartoe kenbaar gemaakt.

1.5 Op 14 augustus 2024 heeft de stafjurist van verweerder onder meer het volgende aan klager geschreven:

“(…)U bent verzekerd bij Arag voor kosten van rechtsbijstand, U hebt aanspraak gemaakt op uw verzekering omdat (…). U wenst in Kort Geding op te komen tegen deze beslissing. Uw verzekering heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen redelijke kans van slagen is, althans niet in het door u gewenste Kort Geding.

In geval u het als verzekerde niet eens bent met het juridisch standpunt van Arag, dan kunt u een beroep doen op de in uw verzekeringsovereenkomst opgenomen geschillenregeling. U kunt dan op kosten van ARAG een second opinion laten opstellen door een onafhankelijk deskundige. Volgens de polisvoorwaarden wordt deze deskundige aangewezen door de Deken van de Orde van Advocaten. (…)

Op 26 juli 2024 heeft de heer V(…) zich tot de deken gewend met het verzoek om - overeenkomstig de geschillenregeling - een advocaat aan te wijzen. (…) Omdat uw geschil een kwestie op het rechtsgebied "onderwijsrecht" betreft, heeft (…) gezocht naar een binnen het arrondissement (…) op dat rechtsgebied gespecialiseerde advocaat. Zij heeft het rechtsgebiedenregister geraadpleegd en onderzocht of er geen tuchtrechtelijke antecedenten zijn die aanwijzing van [bindend adviseur] in de weg staan. Daarnaast is er telefonisch contact geweest met [bindend adviseur]. In een dergelijk gesprek wordt de casus kort doorgesproken, wordt nagegaan of het [bindend adviseur] vrijstaat (er geen tegenstrijdig belang is) en of hij ook tijd heeft om de zaak op korte termijn te behandelen. Daarna is besloten [bindend adviseur] aan te wijzen.

Op 6 augustus 2024 heeft (…) de heer V(…) over de aanwijzing geïnformeerd. Daarmee eindigt (normaliter) de bemoeienis van de deken. Het is verder aan Arag om u en [bindend adviseur] over de aanwijzing te informeren en het dossier over te dragen. (…)

U klaagt er over dat de deken in strijd met het recht op vrije advocaatkeuze handelt door een advocaat aan te wijzen in het kader van een second opinion. U stelt dat de deken niet behoort mee te werken aan de polisvoorwaarden van Arag. U vraagt de deken ook om niet meer achter uw rug contact op te nemen met Arag.

Ter afsluiting van uw e-mail geeft u aan dat u voornemens bent om de klacht voor te leggen aan de tuchtrechter. (…)

Ik heb met u gesproken over de geschillenregeling en de vrije advocaatkeuze. Juist omdat de second opinion moet worden uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige is er door Arag in de geschillenregeling voor gekozen deze aanwijzing door de deken te laten doen. Dat betekent inderdaad dat u op de keuze van de advocaat geen invloed hebt. Als danwel u, danwel Arag invloed zouden hebben op de keuze van de advocaat, dan is er geen sprake meer van onafhankelijkheid. (…)”

1.6 Op 14 augustus 2024 heeft klager de onderhavige klacht tegen verweerder ingediend (althans gehandhaafd).

1.7 Omdat verweerder op dat moment de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant was, heeft het hof van discipline de klacht bij beslissing van 19 september 2024 voor onderzoek verwezen naar de deken van de orde van advocaten van het arrondissement Gelderland.

1.8 Op 1 oktober 2024 is verweerder afgetreden als deken. Verweerder heeft zich op 31 december 2024 als advocaat laten uitschrijven van het tableau.

2. KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

2.2 Verweerder heeft gehandeld in strijd met het recht van klager op vrije advocaatkeuze, door mee te werken aan een second opinion-regeling waar hij eenzijdig een advocaat heeft gekozen voor klager.

2.3 De door verweerder gehanteerde procedure rondom de benoeming is niet transparant. Verweerder heeft klager niet uitgelegd hoe hij tot zijn keuze is gekomen. De benoeming door verweerder in zijn eigen arrondissement levert een “geografische beperking op van het recht op vrije advocaatkeuze”. De aanwijzing door verweerder gaat uit van wantrouwen, omdat “advocaten sowieso op basis van de Advocatenwet zich onafhankelijk moeten opstellen wanneer zij worden aangezocht om advies te geven in een second opinion”.

2.4 De polisvoorwaarden van ARAG zijn in strijd met (Europese) wet- en regelgeving. Verweerder heeft meegewerkt aan een onrechtmatige constructie van rechtsbijstandsverzekeraars.

3. VERWEER

3.1 Volgens verweerder heeft klager ten onrechte geklaagd. Verweerder heeft tegen de klacht het volgende aangevoerd.

3.2 In de polisvoorwaarden van de verzekering van klager is een geschillenregeling opgenomen. In de polisvoorwaarden is bepaald dat, bij een verschil van inzicht over de aanpak van de zaak, aan de plaatselijke deken van de orde van advocaten wordt gevraagd om een onafhankelijke deskundige aan te wijzen om te oordelen over het tussen de verzekeraar en de verzekerde gerezen geschil. Klager heeft zich met het afsluiten van de verzekering bij ARAG aan de polisvoorwaarden verbonden.

3.3 De basis voor de geschillenregeling is gelegen in artikel 4:68 Wet op het financieel toezicht. Daarin is bepaald dat een rechtsbijstandsverzekeraar moet zorgdragen voor een scheidsrechterlijke procedure die kan worden gevolgd bij een verschil van mening tussen de verzekeraar en de verzekerde.

3.4 De vrije advocaatkeuze ziet volgens verweerder op de keuze van de rechtszoekende om zich in zijn juridisch geschil door een advocaat naar keuze te laten bijstaan. Dat recht is in de kwestie tussen ARAG en klager niet aan de orde. De rechtsverhouding in de geschillenregeling is namelijk een andere; het gaat om aanwijzing van een onpartijdige persoon die het geschil tussen klager en ARAG moet beslechten.

3.5 Verweerder heeft inderdaad niet uitgelegd hoe hij is gekomen tot aanwijzing van de bindend adviseur, maar hij was daartoe ook niet gehouden.

4. BEOORDELING

Maatstaf

4.1 De voorzitter stelt voorop dat de klacht is gericht tegen verweerder in zijn hoedanigheid van (voormalig) deken in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline is het optreden van een deken onderworpen aan tuchtrechtelijke controle. Enkel indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een deken door zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad of zijn taken zodanig heeft verwaarloosd of zich zodanig heeft misdragen dat sprake is van gedragingen die een behoorlijk advocaat niet betamen, kan sprake zijn van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid.

Vrije advocaatkeuze

4.2 De voorzitter is van oordeel dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur niet heeft beschaamd en dat de klacht van klager kennelijk ongegrond is. De voorzitter licht dit als volgt toe.

4.3 Verweerder heeft meegewerkt aan de aanwijzing van een onpartijdige, onafhankelijke bindend adviseur, niet aan de aanwijzing van een partijdige advocaat. Het recht van vrije advocaatkeuze speelt in deze context geen rol. Verweerder was om die reden ook niet gehouden om voorafgaand aan aanwijzing van een bindend adviseur overleg te voeren met klager, of om zijn voorgenomen keuze voor een bindend adviseur ter consultatie voor te leggen.

4.4 De voorzitter heeft geen grond om aan te nemen dat de in de polisvoorwaarden van ARAG opgenomen geschillenregeling en de rol die daarin is opgenomen voor dekens strijdig is met wet- en regelgeving of anderszins onrechtmatig is. Door zijn medewerking in deze kwestie heeft verweerder niet onrechtmatig of strijdig met de belangen van klager gehandeld.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq , plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op 31 maart 2025