ECLI:NL:TADRARL:2025:267 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-249/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2025:267
Datum uitspraak: 08-12-2025
Datum publicatie: 09-12-2025
Zaaknummer(s): 25-249/AL/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: gegrond verzet en deels gegronde klacht over verweerster als advocaat van de wederpartij. Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting van de raad is gebleken dat cliënte G ervoor heeft gekozen om niet bij de zitting van de rechtbank aanwezig te zijn. Zij heeft een verklaring opgesteld die vervolgens door verweerster tijdens de zitting is voorgelezen. De raad is ook gebleken dat G in haar verklaring, die bij de stukken ontbreekt, niet alleen de redenen voor haar afwezigheid heeft toegelicht maar daarin ook ernstige beschuldigingen aan het adres van klager heeft geuit. Als een cliënte niet mee gaat naar een zitting maar een verklaring wil laten voorlezen door de eigen advocaat, dan heeft die advocaat daarin ook een eigen verantwoordelijkheid, ondanks de wensen van de cliënt. In een dergelijke situatie moet een advocaat kritisch zijn ten aanzien van het nut en de noodzaak van de verklaring en de inhoud daarvan in het bijzonder. Juist vanwege het grievende karakter van de verklaring van cliënte G en het ontbreken van voldoende belang bij het naar voren brengen van de gevoelige inhoud, is terughoudendheid geboden. Verweerster heeft naar het oordeel van de raad van die terughoudendheid onvoldoende blijk gegeven door de verklaring van G integraal voor te lezen. Dat was niet alleen onnodig, want niet van belang voor de zaak, maar ook schadelijk voor klager die daarvan pas tijdens de zitting kennis heeft genomen, terwijl verweerster andere keuzes had kunnen maken. Verweerster heeft aldus onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager, hetgeen haar tuchtrechtelijk wordt verweten. Waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 8 december 2025

in de zaak 25-249/AL/MN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 10 juni 2025 op de klacht van:

klager

over

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 21 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 14 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2359692 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 10 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 7 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 oktober 2025 . Daarbij waren klager, tijdens de zitting bijgestaan door zijn dochter, en verweerster, tijdens de zitting bijgestaan door mr. P., aanwezig. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift van klager .

VERZET

De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

I) de voorzitter heeft in zijn oordeel over de gehele klacht miskend dat klager zwaar in zijn eer en goede naam en reputatie is beschadigd doordat verweerster zonder aanleiding door het voorlezen van de verklaring van de afwezige G klager van ernstige zaken publiekelijk heeft beschuldigd. Verweerster heeft de openbare zitting misbruikt om onware kwaadsprekerij over klager uit te spreken. Die door verweerster uitgesproken informatie, ten onrechte door verweerster gepresenteerd als feiten terwijl dat aannames waren, was volledig irrelevant voor de erfrechtelijke procedure. Verweerster heeft in strijd met de gedragsregels 1 en 6 gehandeld en daardoor tuchtrechtelijk verwijtbaar;

II) de voorzitter heeft miskend dat verweerster geen eigen verantwoordelijkheid heeft genomen door ervoor te kiezen om de verklaring van haar cliënte tijdens de zitting voor te lezen met daarbij de intentie om klager tijdens de zitting te intimideren en de beeldvorming over klager negatief te beïnvloeden;

III) de voorzitter heeft onvoldoende gemotiveerd geoordeeld over het standpunt van klager waarmee hij het verweer van verweerster heeft weerlegd.

3 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht en het verzet gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten:

3.1 Klager en een broer hebben een civiele procedure aangespannen bij de rechtbank Maastricht in verband met een geschil over de nalatenschap van hun moeder, erflaatster. Verweerster heeft in deze procedure M, een dochter van erflaatster, en G, een kleindochter van de erflaatster, bijgestaan. V, een andere dochter van erflaatster, is in deze procedure door een andere advocaat bijgestaan.

3.2 Op 2 november 2023 heeft een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Klager was daarbij aanwezig. Ook verweerster was daarbij aanwezig met haar cliënte M. Verweerster heeft tijdens deze zitting een verklaring van G voorgelezen die niet aan de rechtbank is overlegd. In het proces-verbaal van de zitting staat hierover opgenomen:

De rechter heeft hiervan kennis genomen en meegedeeld dat deze “hartekreet”, aldus de rechter, niet zal worden meegenomen in de beoordeling.

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) zich onnodig grievend uit te hebben gelaten over klager, waardoor klager in zijn goede naam en reputatie is beschadigd;

b) ten onrechte feitelijke informatie te hebben verstrekt waarvan zij wist, dan wel had behoren te weten dat deze onjuist is.

4.2 Ter toelichting op zijn verwijten heeft klager het volgende aangevoerd. Verweerster heeft tijdens de zitting op 2 november 2023 een verklaring van G voorgelezen ter toelichting op haar afwezigheid. Als een van de redenen werd genoemd dat G niet in dezelfde ruimte wilde zijn als eisers, waaronder klager. In die verklaring stond verder vermeld dat G nog te verdrietig zou zijn door het overlijden van haar vader, de broer van eisers, die door zelfmoord was overleden. Dit door de demonen uit het verleden, “als gevolg van het seksueel misbruik door zijn broers gedurende zijn jeugd”. Verweerster heeft ook voorgelezen dat haar cliënte een contactverbod zou aanvragen bij de rechter tegen de eisers, zodat ze hen nooit meer hoefde te zien. Volgens klager voegde verweerster daar zelf toen aan toe dat dat natuurlijk niet tijdens die zitting kon. De door verweerster voorgelezen verklaring van G was volgens klager duidelijk niet bedoeld om haar afwezigheid toe te lichten maar een middel om onjuiste aantijgingen over eisers onder de aandacht van de rechter te brengen. Deze onware kwaadsprekerij gebeurde bovendien op een openbare zitting. Verweerster had de plicht en mogelijkheid om een andere afweging te maken in de belangenbehartiging van haar cliënte G. Door geen enkele verantwoording te nemen voor de informatie die namens G naar voren heeft gebracht, ook tijdens de zitting, heeft zij tuchtrechtelijk gehandeld, aldus klager.

5 VERWEER

5.1 Verweerster heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

  1.  

5.2 Verweerster betwist dat zij zich in processtukken of tijdens de zitting in de procedure tussen klager en haar cliënten nodeloos grievend over klager heeft uitgelaten. Dat blijkt ook niet uit de (proces)stukken. Tijdens de zitting heeft zij de eigen verklaring van G rustig en zonder enige stemverheffing voorgelezen. Zoals uit het proces-verbaal van de zitting volgt heeft de rechter die verklaring als een hartenkreet van G beschouwd en verder niet betrokken bij de beoordeling. Ook in haar conclusie van antwoord voor de rol van 7 juni 2023 heeft zij zich namens haar cliënten neutraal en zakelijk uitgelaten. Klager kon zich verweren tegen de door haar namens haar cliënten ingenomen standpunten. Dat deze klager onwelgevallig waren, maakt nog niet dat verweerster daarom tuchtrechtelijk heeft gehandeld.

Klachtonderdeel b)

5.3 Verweerster had geen reden om te veronderstellen dat de informatie in de verklaring van G onjuist was en zij mocht daarop afgaan zonder verder onderzoek. G heeft in de door verweerster voorgelezen verklaring over de reden van de zelfmoord van haar vader geschreven en ook vermeld dat haar vader alles had opgeschreven in een document dat naar de hele familie, waaronder ook aan klager, was gemaild. Klager was daarmee kennelijk al bekend.

6 BEOORDELING

Ten aanzien van het verzet

6.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

6.2 Klager komt (naar de raad begrijpt) in verzet tegen het oordeel van de voorzitter ten aanzien van klachtonderdeel a). Naar het oordeel van de raad is de voorzitter ten aanzien daarvan tot een onjuist oordeel gekomen zoals blijkt uit het navolgende. Het verzet tegen klachtonderdeel a) is dan ook gegrond. Voor zover klager ook heeft bedoeld verzet in te stellen tegen klachtonderdeel b) is de raad van oordeel dat de voorzitter op grond van de in de beslissing van de voorzitter genoemde feiten en door de voorzitter gebruikte maatstaf tot een juist oordeel is gekomen. De raad zal dan ook alleen klachtonderdeel a) opnieuw beoordelen.

Ten aanzien van klachtonderdeel a)

6.3 De raad stelt voorop dat dit verwijt betrekking heeft op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

6.4 De raad volgt de voorzitter niet in wat in 4.4 van de beslissing is overwogen. Voor zover verweerster met het voorlezen van de verklaring van haar cliënte G tijdens de zitting grievende uitlatingen over klager heeft gedaan, de raad komt daarop hierna terug, dient te worden beoordeeld of dat optreden van verweerster tuchtrechtelijk toelaatbaar was. Anders dan de voorzitter is de raad van oordeel dat daarover zelfstandig moet worden geoordeeld, onafhankelijk van wat de rechter of de advocaat van klager daarvan vonden tijdens de zitting bij de rechtbank. De raad overweegt als volgt.  

6.5 Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting van de raad is gebleken dat cliënte G ervoor heeft gekozen om niet bij de zitting van de rechtbank aanwezig te zijn. Zij heeft een verklaring opgesteld die vervolgens door verweerster tijdens de zitting is voorgelezen. De raad is ook gebleken dat G in haar verklaring, die bij de stukken ontbreekt, niet alleen de redenen voor haar afwezigheid heeft toegelicht maar daarin ook ernstige beschuldigingen aan het adres van klager heeft geuit.

6.6 Als een cliënte niet mee gaat naar een zitting maar een verklaring wil laten voorlezen door de eigen advocaat, dan heeft die advocaat daarin ook een eigen verantwoordelijkheid, ondanks de wensen van de cliënt. In een dergelijke situatie moet een advocaat kritisch zijn ten aanzien van het nut en de noodzaak van de verklaring en de inhoud daarvan in het bijzonder. Verweerster heeft aangevoerd dat zij zich in processtukken terughoudend opstelde en het zakelijk hield. Zij kende de gevoeligheden van de zaak. Juist vanwege het grievende karakter van de verklaring van cliënte G en het ontbreken van voldoende belang bij het naar voren brengen van de gevoelige inhoud, is terughoudendheid geboden. Verweerster heeft naar het oordeel van de raad van die terughoudendheid onvoldoende blijk gegeven door de verklaring van G integraal voor te lezen. Dat was niet alleen onnodig, want niet van belang voor de zaak, maar ook schadelijk voor klager die daarvan pas tijdens de zitting kennis heeft genomen. Verweerster heeft hierbij onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager en had daarin andere en naar het oordeel van de raad betere keuzes kunnen maken. Zo had zij haar cliënte G voorafgaand aan de zitting kunnen voorhouden dat zij de verklaring zo niet zou voorlezen en G de keuze kunnen geven om de verklaring aan te passen dan wel alsnog mee te komen naar de zitting. Dan had G haar eigen woordje kunnen doen zonder dat verweerster daarop zou worden aangekeken. Verweerster heeft hierin een andere en naar het oordeel van de raad onjuiste afweging gemaakt.

6.7 Naar het oordeel van de raad heeft verweerster daardoor onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager, zoals hiervoor overwogen. Dat wordt haar tuchtrechtelijk verweten. De raad zal dan ook klachtonderdeel a) gegrond verklaren.

7 MAATREGEL

Aangezien klachtonderdeel a) door de raad (alsnog) gegrond wordt verklaard dient aan verweerster een maatregel te worden opgelegd. Nu geen sprake is van een tuchtrechtelijk verleden is de raad van oordeel dat bij wijze van zakelijke terechtwijzing de maatregel van een waarschuwing passend en geboden is.

8 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

8.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

8.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) €  50,- aan forfaitaire reiskosten van klager,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

8.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

8.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 8.2 onder b) en c) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het verzet ten aanzien van klachtonderdeel a) gegrond;

-    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;

-    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van €  50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.1;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.3;

-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 8.4.

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. H.K. Scholtens en A.W. Siebenga, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 8 december 2025