ECLI:NL:TADRARL:2025:266 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-799/AL/OV
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2025:266 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-12-2025 |
| Datum publicatie: | 08-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-799/AL/OV |
| Onderwerp: | Artikel 60 b e.v. |
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Toewijzing verzoek als bedoeld in artikel 60ab lid 1 Advocatenwet |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 8 december 2025
in de zaak 25-799/AL/OV
naar aanleiding van het verzoek als bedoeld in de artikelen 60ab lid 1 Advocatenwet
van
mr. G.H.H. Kerkhof
in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel
deken
betreffende
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 november 2025 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Overijssel (hierna: de deken) een verzoek ingediend op grond van artikel 60ab lid
1 Advocatenwet tegen verweerder.
1.2 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.1 genoemde verzoek en de daarbij
gevoegde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van een - op verzoek van de raad
- aan het klachtdossier toegevoegd proces-verbaal uit het dossier in de strafzaak
tegen (onder anderen) verdachte, te weten het relaasproces-verbaal van de politie
Eenheid Oost-Nederland District IJsselland, gesloten en ondertekend op 9 oktober 2025.
1.3 Het verzoek is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij
waren de deken, de waarnemend deken en verweerder aanwezig.
2 FEITEN
2.1 Verweerder is op 19 februari 1997 beëdigd als advocaat. Hij heeft sinds 2006
zijn eigen kantoor, een eenmanszaak.
2.2 Verweerder is de biologische vader van twee kinderen van zeven en twaalf
jaar oud. Deze kinderen zijn in 2021 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst.
Zij woonden in een gezinsvervangend huis in [PLAATS]. Op 31 maart 2025 is er een Amber
Alert uitgegaan omdat deze kinderen werden vermist.
2.3 Op 1 april 2025 rond 2:30 uur zijn deze kinderen aangetroffen in een woning
in de gemeente [NAAM] [(LAND)] tezamen met verweerder en hun biologische moeder. Verweerder
is daarbij aangehouden. Verweerder is vervolgens in [LAND] in voorlopige hechtenis
gehouden.
2.4 Op 8 april 2025 heeft de deken een verzoekschrift ex artikel 60ab lid 2 Advocatenwet
bij deze raad ingediend, waarin zij heeft verzocht om een schorsing in de uitoefening
van de praktijk, voor de duur van zijn vrijheidsbeneming. Daarbij heeft zij ook een
verzoek op grond van artikel 60b Advocatenwet ingediend.
2.5 Op 6 mei 2025 heeft de raad uitspraak gedaan en heeft het verzoek op grond
van artikel 60ab lid 2 Advocatenwet toegewezen en verweerder met onmiddellijke ingang
geschorst in de uitoefening van zijn praktijk voor de duur van zijn vrijheidsbeneming.
Het verzoek ex artikel 60b Advocatenwet is in dezelfde beslissing afgewezen. Ook is
in dezelfde uitspraak mr. H., kantoorhoudende te [PLAATS], aangewezen als waarnemer
van verweerder. Gedurende de voorlopige hechtenis heeft mr. H. de praktijk van verweerder
waargenomen.
2.6 Omstreeks 14 mei 2025 is verweerder uitgeleverd aan Nederland en is hij daar
in voorlopige hechtenis genomen. Aan verweerder is ten laste gelegd het medeplegen
van wederrechtelijke vrijheidsberoving, het met geweld en/of bedreiging met geweld
onttrekken van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar aan het wettig gezag en
het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Alle verzoeken tot opheffing dan wel
schorsing van de voorlopige hechtenis zijn afgewezen, tot aan de beslissing van de
rechtbank van 13 november 2025. Per die datum is de voorlopige hechtenis door de rechtbank
opgeheven. Volgens de rechtbank blijven de ernstige bezwaren onverkort aanwezig maar
is de voorlopige hechtenis opgeheven wegens gebrek aan gronden.
3 VERZOEK
3.1 De deken verzoekt de raad om verweerder op grond van het bepaalde in artikel
60ab lid 1 Advocatenwet met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk
te schorsen.
3.2 Ter onderbouwing van het verzoek heeft de deken – kort gezegd – het volgende
naar voren gebracht. Verweerder heeft met zijn handelen de maatschappij geschokt en
zodoende het aanzien van de advocatuur in ernstige mate geschaad. Hierbij is ook in
ogenschouw genomen dat verweerder tot op heden overtuigd is van de juistheid van zijn
handelen en zodoende de ernst van de situatie niet inziet. Door zo te handelen heeft
verweerder het vertrouwen in het beroep van advocatuur onherstelbaar geschaad en de
professionele integriteit van de beroepsgroep in het geding gebracht, aldus de deken.
Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met de betamelijkheidsnorm als bedoeld
in artikel 46 Advocatenwet. De deken acht verweerder niet langer in staat tot een
redelijke en adequate oordeelsvorming, waardoor geen sprake is of kan zijn van een
behoorlijk praktijkvoering. Ook heeft de deken gewezen op de zorgelijke financiële
situatie van verweerder.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen het verzoek verweer gevoerd. Verweerder heeft betoogd
dat er onvoldoende reden is voor het opleggen van een schorsing op grond van artikel
60ab Advocatenwet. De verdenking van strafbare feiten is een privéomstandigheid die
de belangen van cliënten niet raakt. Ook is er geen sprake van het niet voldoen aan
de professionele standaard. Bovendien heeft hij gehandeld op basis van adviezen van
[LAND] en Nederlandse advocaten, aldus verweerder. Klager is niet door de strafrechter
veroordeeld voor enig strafbaar feit. Ten slotte is een precaire financiële situatie
geen reden voor het toewijzen van dit verzoek.
5 BEOORDELING
5.1 Op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet kan een advocaat door de raad
op verzoek van de deken worden geschorst, als tegen hem een ernstig vermoeden is gerezen
van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang
is geschaad of dreigt te worden geschaad. Ook (absoluut ongeoorloofde) privé-gedragingen
waardoor het vertrouwen in de advocaat wordt geschaad, vallen onder deze bepaling.
5.2 Verweerder wordt - kort gezegd - verdacht van wederrechtelijke vrijheidsberoving
en de onttrekking aan het wettig gezag van zijn twee biologische kinderen en van het
voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Dat zijn zeer ernstige strafbare feiten
waarvoor aanzienlijke gevangenisstraffen kunnen worden opgelegd. Verdachte is voor
deze feiten (nog) niet veroordeeld, maar de rechtbank heeft wel telkens ernstige bezwaren
tegen verweerder aanwezig geacht. Met het bestaan van ernstige bezwaren wordt bedoeld
dat het op basis van feiten en omstandigheden waarschijnlijk is dat een verdachte
de strafbare feiten heeft begaan. Verweerder is na ruim zeven maanden op vrije voeten
gesteld, maar de rechtbank heeft wel geoordeeld dat de ernstige bezwaren tegen verdachte
nog steeds aanwezig zijn.
5.3 Gelet op deze door de strafrechter gegeven beslissingen, de stukken in het
klachtdossier - waaronder een deel van het strafdossier - en de deels bekennende verklaring
van verweerder ten aanzien van de feiten, is de raad van oordeel dat in deze tuchtprocedure
in voldoende mate vast is komen te staan dat verweerder deze feiten heeft gepleegd.
5.4 Uit de stukken in het klachtdossier en het verhandelde op de zitting komt
een beeld naar voren van een stelsel van door verweerder gepleegde handelingen met
als kennelijk doel om zichzelf en zijn biologische kinderen aan het Nederlandse rechtsstelsel
te onttrekken. Verweerder heeft hiermee in strijd met de belangen van de kinderen
gehandeld en door deze handelwijze heeft verweerder ook laten zien dat hij zich aan
de beschikkingen die de rechter over het gezag, de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
van zijn biologische kinderen zijn gegeven, weinig gelegen laat liggen.
5.5 De raad acht deze opstelling voor een advocaat zeer zorgelijk. Verweerder
heeft hierover op de zitting van de raad – kort gezegd – betoogd dat hij niet de bedoeling
had om de wet te overtreden en dat hij op advies van advocaten in Nederland en [LAND]
heeft gehandeld. Dit verweer - gezien op aard en de ernst van het handelen van verweerder
en de omstandigheden waaronder een en ander heeft plaatsgevonden – is voor de raad
een sterke aanwijzing dat verweerder ruim onvoldoende besef heeft van de uitwerking
van zijn handelen. De raad ziet daarin ook het reële risico dat verweerder ook niet
is staat in om een juiste afweging te maken in andere zaken. Dat verweerders praktijk
tot op heden geen zaken in het personen- en familierecht behandelde, maakt die vrees
niet minder.
5.6 Alles overziende is de raad van oordeel dat sprake is van een ernstig vermoeden
van een handelen door verweerder waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd
belang ernstig is geschaad. Gelet op dit handelen door verweerder - en zijn beperkte
besef van en inzicht in het ongeoorloofde daarvan - is de raad van oordeel dat het
niet verantwoord is dat verweerder (op dit moment) zijn werk als advocaat blijft voortzetten.
Het doorlopen van een reguliere tuchtrechtprocedure kan dan ook niet worden afgewacht.
Het verzoek van de deken zal daarom worden toegewezen.
5.7 De raad zal gelet op artikel 60ab lid 5 Advocatenwet de deken de maximale
termijn van zes weken gunnen voor het indienen van een dekenbezwaar.
BESLISSING
De raad van discipline:
- wijst het verzoek van de deken op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet
toe;
- schorst verweerder in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat, met ingang van de tweede werkdag na de uitspraak van deze beslissing;
- bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 60ab lid 5 Advocatenwet op zes weken na deze beslissing.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. J.G. Molenaar, G.W.
Roest, A.W. Siebenga, H.K. Scholtens, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 8 december 2025