ECLI:NL:TADRARL:2025:246 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-644/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2025:246 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-11-2025 |
| Datum publicatie: | 12-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-644/AL/MN |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter is niet gebleken dat verweerder de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klaagster heeft overtreden. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 10 november 2025
in de zaak 25-644/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 23 september 2025 met kenmerk 2498156.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft twee ondernemingen bijgestaan in een geschil met klaagster over een in 2021 aan haar geleverd motorjacht, te weten Jachtwerf De B, die boten bouwt, en zusteronderneming B Yachts, die de boten verkoopt.
1.2 Op 9 augustus 2024 is klaagster bij de rechtbank Noord-Nederland een civiele procedure tegen Jachtwerf De B gestart, waarin primair ontbinding van de koopovereenkomst, subsidiair vernietiging van de koopovereenkomst en meer subsidiair een schadevergoeding werd gevorderd.
1.3 Klaagster heeft vooruitlopend op de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland van de voorzieningenrechter toestemming gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder Jachtwerf De B en heeft vervolgens op 20 augustus 2024 verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van de zusteronderneming B Yachts onder de bank en op vier boten. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 20 augustus 2024 het door klaagster gevraagde beslagverlof verleend.
1.4 Op 26 augustus 2024 heeft de deurwaarder in opdracht van klaagster ten laste van B Yachts op vier boten conservatoir beslag gelegd, onder andere op de boot M.
1.5 Op 3 september 2024 heeft verweerder een verklaring aan de deurwaarder gestuurd over de M en daarin gemeld dat deze boot in consignatie is gegeven aan B Yachts en dus niet tot haar vermogen behoort. De advocaat van klaagster heeft zich in zijn e-mail van 4 september 2024 op het standpunt gesteld dat de beslagen, ook op de M, blijven liggen. In zijn e-mail van 6 september 2024 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beslag geen doel heeft getroffen voor wat betreft de M en zijn cliënte mag doen met de boot wat zij wil.
1.6 Op 15 mei 2025 is de M door B Yachts verkocht aan een klant.
1.7 Op 14 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
aan zijn cliënte het advies te geven, dan wel mee te werken aan het vervreemden van een boot waarop door klaagster conservatoir beslag was gelegd, waardoor de belangen van klaagster onnodig en onevenredig zijn geschaad.
Toelichting:
Nu de cliënte van verweerder van mening was dat het door klaagster gelegde conservatoire
beslag op de M onrechtmatig was, had verweerder in kort geding opheffing van dat beslag
moeten vragen. Mede ook omdat er discussie was over het eigendom van de M. Verweerder
heeft geen overtuigende of controleerbare documentatie overlegd waaruit zou blijken
dat sprake was van een consignatieboot. Volgens klaagster blijkt uit de correspondentie
dat verweerder zijn cliënte het advies heeft gegeven tot c.q. meegewerkt heeft aan
het vervreemden van de M, terwijl hij wist dat dit in strijd is met het geldende beslagrecht
en verduistering nota bene een misdrijf is. Verweerder had, gelet op de betwisting
door klaagster van de eigendomspapieren van de M, niet mogen afgaan op de informatie
die hij van zijn cliënte had ontvangen en had opheffing van het beslag moeten adviseren.
Door dit niet te doen en gevolg te geven aan zijn eenzijdige standpunt is sprake van
eigenrichting. Slechts de rechter is bevoegd om in een dergelijk conflict te oordelen
over de rechtsgeldigheid van het beslag. Verweerder heeft met zijn handelen de verhaalspositie
van klaagster geschaad.
3 VERWEER
3.1 Tussen partijen is discussie ontstaan over het doeltreffen van de twee beslagen. Naar het oordeel van verweerder hebben de beslagen op deze twee boten geen doel getroffen. Eén beslag niet omdat de boot (M) geen eigendom was van B Yachts maar aan haar door de werf in consignatie was gegeven en één beslag niet omdat de boot (E) nog in aanbouw was en nog niet intern door Jachtwerf De B aan B Yachts was geleverd.
3.2 Hoewel verweerder met betrekking tot de M namens zijn cliënte een verklaring van de werf betreffende de consignatie heeft overlegd, bleef klaagster volhouden dat het beslag doel had getroffen. Daardoor is een patstelling ontstaan. Verweerder heeft de advocaat van klaagster vervolgens bericht dat zijn cliënte zich vrij acht om de boot te verkopen en te leveren. Toen de M in mei 2025 verkocht was aan een klant heeft B Yachts de eigendom van de boot verkregen door deze van de werf te kopen, zodat zij deze vervolgens aan de klant kon leveren.
3.3 Omdat het beslag naar het oordeel van verweerder aantoonbaar geen doel had getroffen, kon van zijn cliënte niet gevergd worden om een kort geding tot opheffing van het beslag te starten. Dat zou immers haaks staan op haar standpunt dat het beslag geen doel had getroffen en zou bovendien onnodige kosten met zich brengen. Een beslag dat geen doel heeft getroffen, bestaat niet. Klaagster had een kort geding kunnen starten om onttrekking aan het beslag te voorkomen.
3.4 Het besluit om de boot te verkopen is genomen door B Yachts, niet door verweerder als haar advocaat. Verweerder heeft zijn cliënte slechts geadviseerd over haar positie inzake de beslagen. Ten onrechte veronderstelt klaagster dat verweerder zijn cliënte zou hebben geadviseerd te verkopen zonder daarbij de juridische implicaties aan te geven. Het staat verweerder daarbij vrij zijn cliënte te adviseren zoals hij heeft gedaan. Ook is het onjuist dat verweerder zou hebben meegewerkt aan de verkoop van de M. Voor die verkoop is zijn medewerking immers helemaal niet nodig. B Yachts stelt zelf haar verkoopcontracten op en dat geldt ook voor de verkoopovereenkomst van de M, die verweerder slechts ter kennisgeving is toegezonden.
3.5 Klaagster is door de verkoop ook niet in haar belangen geschaad, omdat zij, zolang zij de eigendom heeft van haar motorjacht, voldoende zekerheid heeft voor het overgrote deel van haar vordering.
3.6 Naar het oordeel van verweerder maakt de klacht van klaagster onmiskenbaar deel uit van het civiele geschil tussen partijen en daarvoor is het tuchtrecht niet bedoeld. Het staat klaagster vrij om de geëigende juridische stappen te nemen tegen het door haar gestelde onttrekken aan het beslag.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij van klaagster. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Klaagster stelt dat verweerder zijn cliënte onjuist heeft geadviseerd dan wel dat hij heeft meegewerkt aan vervreemding van een boot van zijn cliënte waarop door klaagster conservatoir beslag was gelegd. Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn cliënte ontvangen feitelijke informatie over de M zonder nader onderzoek en zijn cliënte adviseren zoals hij dat heeft gedaan. Dat klaagster het in de daarna ontstane discussie over de vraag of haar beslag doel had getroffen oneens was met het standpunt van verweerder daarover, maakt nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Het had in de lijn der verwachtingen gelegen dat klaagster, en niet verweerder zoals zij betoogt, een procedure had gestart om over de vermeende onttrekking van de M aan het beslag een oordeel te verkrijgen. Niet valt in te zien op welke juridische grond verweerder daartoe gehouden was. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken nu niet aannemelijk is geworden dat het conservatoir beslag op de M wel doel heeft getroffen en verweerder desondanks zijn cliënte heeft geadviseerd om die boot te verkopen.
4.3 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder de grenzen van de hem toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klaagster niet heeft overtreden. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat verweerder met zijn handelen de belangen van klaagster onnodig of onevenredig zonder doel heeft geschaad, zijn verder niet gesteld of gebleken. De voorzitter zal de klacht dan ook kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.
M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 10 november 2025