ECLI:NL:TADRARL:2025:244 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-629/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2025:244
Datum uitspraak: 10-11-2025
Datum publicatie: 12-11-2025
Zaaknummer(s): 25-629/AL/MN
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de kwaliteit van de dienstverlening kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 10 november 2025
in de zaak 25-629/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 16 september 2025 met kenmerk 2493599.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager heeft verweerder op 4 april 2025 verzocht om hem bij te staan in verband met de vaststelling van zijn vaderschap.

1.2 Per e-mail van 18 april 2025 heeft klager een DNA-test over een andere man van DNA Diagnostic Center aan verweerder gestuurd, met het verzoek deze juridisch te beoordelen.

1.3 In een brief van 13 mei 2025 heeft verweerder de biologische moeder aangeschreven met de vraag of zij bereid is te erkennen dat klager de vader van haar dochter is en met de vraag of er een DNA-test is afgenomen waaruit blijkt dat haar huidige partner de vader is.

1.4 Op 14 mei 2025 heeft verweerder per e-mail van de partner van de moeder een
DNA-test van DNA Diagnostic Center ontvangen waaruit blijkt dat deze partner de biologische vader is.

1.5 In een e-mail van 15 mei 2025 heeft klager aan verweerder laten weten dat hij twijfels heeft over de echtheid van de DNA-testen en om die reden een nieuwe DNA-test wil laten uitvoeren. Verweerder heeft hierop aan klager laten weten dat hij dit niet gaat doen.

1.6 In een e-mail van 19 mei 2025 heeft klager aan verweerder verzocht om het dossier aan hem over te dragen. Verweerder heeft het dossier vervolgens aan klager overgedragen.

1.7 Op 17 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) te weigeren passende maatregelen te nemen en/of een procedure te starten nadat vervalste bewijsstukken betreffende het vaderschap werden ontvangen;

b) zijn zaak onvoldoende zorgvuldig te behandelen.

3 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

4.2 Dit klachtonderdeel gaat over de beslissing van verweerder om geen procedure te starten nadat klager twee DNA-onderzoeken heeft ontvangen waarin staat dat niet klager maar een andere man de biologische vader is van de dochter van zijn ex-partner. Klager is van mening dat dit aantoonbaar valse, althans gemanipuleerde, DNA onderzoeken zijn. In een te starten procedure wilde klager de rechtbank vragen om een nieuw DNA-onderzoek te laten uitvoeren. Verweerder is echter van mening dat er geen twijfel bestaat over de authenticiteit van de DNA-onderzoeken en heeft daarom
– tegen de wens van klager – geweigerd om de nieuwe procedure te starten.

4.3 Een advocaat heeft bij de behandeling van een zaak de leiding en aan hem komt een grote mate vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hij passend vindt. Gelet op dit uitgangspunt stond het verweerder vrij om de door klager gewenste procedure niet te voeren. Hij heeft deze beslissing ook op een correcte wijze aan klager uitgelegd. Verder stond het verweerder, gelet op het verschil van inzicht tussen klager en verweerder over de (haalbaarheid en noodzakelijkheid) van de procedure, vrij om zijn werkzaamheden voor klager te beëindigen. Zoals voorgeschreven in gedragsregel 14 lid 3 heeft verweerder dat op zorgvuldige wijze gedaan en niet is gebleken dat klager daardoor (procedurele) schade heeft ondervonden. Op het moment dat verweerder zijn werkzaamheden beëindigde, liep er immers geen procedure en waren er geen fatale termijnen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is daarom geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.4 Klager verwijt verweerder ook dat hij zijn zaak onzorgvuldig heeft behandeld. Gezien de door klager gegeven onderbouwing ziet dit verwijt op hetzelfde handelen van verweerder als hierboven onder klachtonderdeel a) is besproken. De voorzitter verwijst hiernaar en komt op grond van deze overweging tot het oordeel dat niet is gebleken dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Voor zover dit verwijt van klager (ook) ziet op ander handelen van verweerder, overweegt de voorzitter dat klager dit onvoldoende heeft onderbouwd. Ook overigens is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder niet gebleken. Dit klachtonderdeel wordt daarom ook kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.

Griffier Voorzitter

Verzonden op : 10 november 2025