ECLI:NL:TADRARL:2025:243 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-555/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2025:243 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-11-2025 |
| Datum publicatie: | 12-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-555/AL/MN |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de kwaliteit van de dienstverlening kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 10 november 2025
in de zaak 25-555/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 18 augustus 2025 met kenmerk 2394514.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster heeft klager vanaf 19 juni 2024 bijgestaan in een zakelijk geschil tegen zijn ex-vennoot in verband met het eindigen van hun vennootschap onder firma.
1.2 In een e-mail van 24 september 2024 heeft verweerster aan klager laten weten dat zij de opdracht neerlegt. Die e-mail luidt, voor zover relevant, als volgt:
“Ik schrijf je deze brief om je te melden dat ik niet langer voor je zal optreden.
Ik zal je hierna uitleggen wat de reden daarvoor is.
Uit je e-mail van 18 september jl. leid ik nog steeds geen onderbouwing van de vorderingen
af en je geeft wederom geen reactie op de gemarkeerde stukken in de brief. Ik constateer
dat jouw e-mail van 18 september jl. geen toevoegingen en/of aanvullingen bevat, waardoor
ik de brief niet kan aanpassen. Hierdoor kan ik de brief -zoals deze nu is opgesteld-
niet zonder meer naar de advocaat sturen omdat deze geen nieuws bevat ten opzichte
van de vorige brief. Ik meen dat we hier vastlopen. Overigens hebben we elkaar hierover
meerdere keren telefonisch gesproken. Ik heb je daarom dringend geadviseerd om toch
het gesprek met de wederpartij aan te gaan omdat je al pratend veel verder komt dan
alleen het schrijven van een brief waarin je de vorderingen bovendien niet kunt onderbouwen.
Ons laatste telefoongesprek van 18 september jl., maar ook jouw e-mails daarvoor heb
ik opnieuw gelezen en e.e.a. goed laten bezinken. Ik kom tot de conclusie dat: 1)
de manier waarop je richting mij communiceert (zowel telefonisch als per e-mail),
2) waarop je mij verzoekt dan wel sommeert handelingen te verrichten die niet stroken
met mijn strategie, 3) het feit dat je mij aansprakelijk stelt, het werken aan jouw
dossier onprettig maakt en ik daarbij geen goed gevoel heb. Ter illustratie, tijdens
ons telefonisch overleg op 18 september jl. zei je dat ik geen leugens moest vertellen
over o.a. de verzekering en het in gesprek treden met de wederpartij (je gaf eerst
telefonisch aan -weliswaar onder protest- wel met de wederpartij in gesprek te willen
treden, later kwam je hierop terug). Daarnaast maak je verwijten richting mij en je
stelt dat ik dingen beloof, maar niet nakom en dat ik je aan een lijntje houd. Dit
zijn vormen van communicatie en uitlatingen richting mij die ik niet duld en die bovendien
onwaar zijn. Samenwerken op deze manier vind ik uitermate onprettig. Tot slot gaf
je aan dat je buiten mij nog met een andere advocaat werkt die ook in dit dossier
meekijkt. Dit getuigt niet vertrouwen vanuit jou in mij als advocaat. NB: in mijn
e-mail van 18 september jl. verzocht ik je mij te laten weten of je nog voldoende
vertrouwen hebt in mij als jouw advocaat, maar daarop heb je niet meer gereageerd.
Ik verbind daaraan de conclusie dat een vertrouwensbasis tussen ons is weggevallen
en niet meer bestaat. Het staat mij als advocaat vrij om mij terug te trekken, nu
ik van oordeel ben dat het noodzakelijk wederzijds vertrouwen tussen mij en jou is
komen te vervallen.
Ook het feit dat ik -ondanks herhaalde verzoeken- geen inhoudelijke reactie krijg
op de brief, maakt dat ik mijn werkzaamheden niet goed kan uitvoeren. Bovendien ben
je het pertinent oneens met mijn strategie, hetgeen voor mij een duidelijk signaal
is dat tussen ons een onoverkomelijk verschil van inzicht is ontstaan c.q. bestaat,
hetgeen maakt dat ik mijn bijstand aan jou moet staken. Hiertoe ben ik verplicht.
Eerder heb ik je in de gelegenheid gesteld om mij te voorzien van bewijs en onderbouwing
van de vorderingen, en heb ik ermee ingestemd om toch een brief op te stellen voor
de wederpartij. Ik heb je zelfs uitgenodigd naar mijn kantoor om samen te zitten en
alle relevante bescheiden na te lopen. Dit wilde je niet en extra stukken heb je mij
ook niet meer gestuurd. Ik begrijp de frustratie aan jouw zijde over de situatie,
maar dit is voor de zaak niet relevant. Ik kan dat niet gebruiken als argument richting
de wederpartij.
Alles overziend heb ik besloten mijn werkzaamheden voor jou te beëindigen. Om deze redenen zal ik mij terugtrekken als jouw advocaat en de wederpartij hierover informeren. Het spijt mij je niet anders te kunnen berichten. Ik wens je veel succes met de zaak en adviseer je een andere advocaat te zoeken met wie je een betere werkrelatie hebt. De juridische dienstverlening vanuit mijn kant zal ik beëindigen, en je bent niet meer gehouden om de resterende termijnen te voldoen.“
1.3 Na die e-mail hebben klager en verweerster afgesproken dat verweerster nog wel een brief aan de advocaat van de wederpartij zal sturen. Op 16 oktober 2024 heeft verweerster die brief gestuurd.
1.4 In een e-mail van 3 december 2024 heeft klager verweerster aansprakelijk gesteld.
1.5 Op 12 december 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zijn zaak niet voortvarend te behandelen;
b) hem onjuist te informeren, dan wel geen duidelijkheid te schaepen over de kansen en risico’s van zijn zaak en over haar expertise;
c) zich ontijdig en/of op onzorgvuldige wijze te onttrekken;
d) zijn belangen niet voldoende te behartigen.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht volgende verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van
belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de
feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en d)
4.2 Klager verwijt verweerster dat zij zijn zaak niet voortvarend heeft behandeld en dat zij zijn belangen niet voldoende heeft behartigd. Klager heeft hierbij aangevoerd dat het telkens lang duurde voordat verweerster een brief of een reactie aan de wederpartij stuurde. Ook heeft klager betoogd dat verweerster in lijn handelde met de belangen van de wederpartij en niet zijn belangen voorop stelde.
4.3 Verweerster heeft tegen deze verwijten verweer gevoerd en benadrukt dat zij voortvarend en zorgvuldig heeft gehandeld en dat zij altijd de belangen van klager voorop heeft gesteld. Verweerster heeft aangevoerd dat zij aan klager duidelijk heeft gemaakt dat hij zijn vorderingen op de wederpartij aannemelijk diende te maken en diende te onderbouwen aan de hand van bewijsstukken. Vervolgens heeft zij klager een aantal malen verzocht concrete en specifieke informatie aan te leveren en ook uitgelegd waarom die stukken nodig waren. Dat is volgens verweerster niet of nauwelijks gebeurd en dat is de reden waarom het sturen van een brief aan de wederpartij langer heeft geduurd. Zij is, ondanks de ontbrekende bewijzen, wel doorgegaan met de behandeling van de zaak door een brief naar de wederpartij te sturen en een conceptreactie aan de advocaat van de wederpartij op te stellen. In de tussentijd besprak zij met klager de noodzaak van het overleggen van bewijzen en adviseerde zij hem in te gaan op het voorstel van de advocaat van de wederpartij om een viergesprek te plannen, aldus verweerster. Verweerster heeft deze gang van zaken onderbouwd met e mailcorrespondentie tussen haar en klager.
4.4 De voorzitter is van oordeel dat klager zijn klacht - tegenover deze gemotiveerde met stukken onderbouwde betwisting - onvoldoende heeft onderbouwd. De juistheid van de door klager gemaakte verwijten is daarom niet vast komen te staan. Uit de stukken komt eerder het beeld naar voren dat klager, en niet verweerster, voor de vertraging heeft gezorgd. Verder kan uit de omstandigheid dat klager zich in de door verweerster voorgestane aanpak en strategie niet kon vinden, niet de conclusie worden getrokken dat verweerster zijn belangen onvoldoende heeft behartigd. Het voorgaande betekent dat deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.5 Klager verwijt verweerster dat zij hem onjuist heeft geïnformeerd, dan wel geen duidelijkheid heeft geschept over de kansen en risico’s van zijn zaak. Als onderbouwing van dit verwijt voert klager aan dat verweerster enerzijds heeft gesteld dat er onvoldoende bewijsstukken voor zijn vordering waren en anderzijds heeft zij hem geadviseerd om een viergesprek aan te gaan, wat volgens klager tegenstrijdig is.
4.6 Verweerster stelt dat zij direct bij aanvang van de zaak duidelijk heeft gemaakt dat klager zijn vordering aannemelijk diende te maken en aan de hand van bewijsstukken diende te kunnen onderbouwen. Verweerster heeft klager een aantal maken verzocht informatie aan te leveren, wat echter niet of nauwelijks is gebeurd. Ook voert verweerster aan dat zij meermaals heeft aangegeven dat klager bij gebreke van deze stukken zeer waarschijnlijk bij de rechter ongelijk zou krijgen. Dit vormde de belangrijkste reden voor verweerster om klager herhaaldelijk te adviseren om het viergesprek aan te gaan.
4.7 De voorzitter is van oordeel dat deze door verweerster geschetste, en niet door klager betwiste, strategie begrijpelijk en niet tegenstrijdig is. Verder heeft klager ook dit verwijt onvoldoende onderbouwd en is de juistheid daarvan - tegenover de betwisting daarvan door verweerster - niet vast komen te staan. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.8 Klager verwijt verweerster ten slotte dat zij zich op een onzorgvuldige manier aan de zaak heeft onttrokken.
4.9 De voorzitter leidt uit de klacht van klager, het antwoord van verweerster en de andere stukken in het klachtdossier af dat klager en verweerster een verschil van inzicht hadden over de strategie en de aanpak van de zaak. Gedragsregel 14 lid 2 bepaalt dat als tussen een advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat om de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost, de advocaat zich moet terug trekken. Gelet op deze gedragsregel en gezien de andere omstandigheden die verweerster in haar e-mail aan klager van 24 september 2024 heeft genoemd, heeft verweerster zich terecht aan deze zaak onttrokken.
4.10 Zoals voorgeschreven in gedragsregel 14 lid 3 heeft verweerster dat ook op een duidelijke en zorgvuldige wijze gedaan en is niet gebleken dat klager daardoor (procedurele) schade heeft ondervonden. Op het moment dat verweerster haar werkzaamheden beëindigde, liep er immers geen procedure en waren er geen fatale termijnen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is daarom geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B.
Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 10 november 2025