ECLI:NL:TADRAMS:2025:226 Raad van Discipline Amsterdam 25-571/A/NH/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:226 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-12-2025 |
| Datum publicatie: | 18-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-571/A/NH/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond. Verweerster heeft bij herhaling tegen haar kantoorgenoten, waaronder haar patroon, gelogen over haar bezoeken aan cliënten. Door het liegen over de kerndienstverlening van de advocaat, namelijk rechtsbijstand aan de cliënt, heeft verweerster niet alleen ernstig onprofessioneel en onbetrouwbaar gehandeld ten opzichte van haar kantoorgenoten, maar is zij bovendien vergaand tekortgeschoten in haar zorgplicht ten opzichte van de cliënten die op haar bijstand rekenden. Door dit handelen heeft verweerster de in artikel 46 van de Advocatenwet neergelegde betamelijkheidsnorm en de kernwaarden deskundigheid en integriteit geschonden, en daarmee het vertrouwen in de advocatuur ondermijnd. Gelet op het feit dat verweerster spijt heeft betuigd en ten tijde van de verwijtbare gedragingen nog in opleiding was, is een berisping met kostenveroordeling passend geacht. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 15 december 2025
in de zaak 25-571/A/NH/D
naar aanleiding van het bezwaar van:
deken
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief aan de raad van 19 augustus 2025 met kenmerk mm/2490476, digitaal
door de raad ontvangen op dezelfde datum, heeft de deken zijn bezwaar ter kennis van
de raad gebracht.
1.2 Het bezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025 in
aanwezigheid van de deken en zijn stafmedewerker. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 genoemde brief van de deken met
twee bijlagen.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 In april 2025 ontving de deken bericht dat de arbeidsovereenkomst van verweerster,
destijds advocaat-stagiaire, door middel van een vaststellingsovereenkomst was beëindigd.
2.3 De deken heeft de vaststellingsovereenkomst opgevraagd en daaruit bleek dat
geen transitievergoeding was toegekend. Naar aanleiding hiervan heeft op 29 april
2025 een bespreking plaatsgevonden tussen verweerster, haar patroon (mr. W) en de
deken.
2.4 Bij e-mail van 12 mei 2025 heeft de patroon op verzoek van de deken toegelicht
wat aan de vaststellingsovereenkomst is voorafgegaan. Hieruit blijkt het volgende.
2.5 Op 5 oktober 2022 is verweerster op afroepbasis in dienst getreden bij het
advocatenkantoor (hierna: het kantoor) als algemeen ondersteunend (juridisch) medewerker.
Op dat moment studeerde verweerster nog. Op 1 juni 2023 is met verweerster een arbeidsovereenkomst
voor één jaar aangegaan. Verweerster vervulde voor 36 uur per week de functie van
juridisch medewerker. Op 26 juni 2024 is verweerster op basis van een voltijd dienstverband
als advocaat-stagiaire in loondienst getreden bij het kantoor, waarvan de maatschap
werd gevormd door drie advocaten, mrs. W (de patroon), B en K (hierna ook aangeduid
als de kantoorgenoten).
Voorval op 20 februari 2025
2.6 Op 20 februari 2025 zou verweerster een cliënt (B) hebben bezocht op het
politiebureau te Haarlem, in het kader van een piketdienst. Mr. B heeft verweerster
gevraagd of zij die cliënt daadwerkelijk had bezocht. Verweerster bevestigde dit.
Bij e-mail van 25 maart 2025 heeft de politie op verzoek van kantoor laten weten dat
op 20 februari 2025 geen registratie van verweerster in de bezoekersadministratie
is aangetroffen.
Voorval op 4 maart 2025
2.7 Op 4 maart 2025 heeft een gesprek tussen verweerster en haar kantoorgenoten
plaatsgevonden. Aanleiding voor het gesprek was dat verweerster volgens haar agenda
die ochtend van 8:30 uur tot 10:00 uur twee cliënten zou bezoeken in het Justitieel
Complex Schiphol (JCS). Twee kantoorgenoten die rond dat tijdstip ook daar aanwezig
waren, hadden verweerster niet gezien. De kantoorgenoten hebben verweerster gevraagd
of zij wel naar de afspraken was gegaan. Hierop had verweerster geantwoord dat zij
één cliënt wel en één cliënt niet had bezocht.
2.8 Omdat uit het tijdschrijfsysteem bleek dat de tijd en de kilometers ter zake
van het bezoek niet waren verantwoord, is verweerster opnieuw gevraagd of zij de cliënt
echt had bezocht. Hierop heeft verweerster (opnieuw) bevestigend geantwoord. Aan verweerster
is gevraagd om dit aan te tonen met bijvoorbeeld een parkeerkaartje. Verweerster antwoordde
dat de slagboom openstond zodat zij niet hoefde te betalen en dus geen bewijs van
betaling had. Volgens de twee kantoorgenoten die rond hetzelfde tijdstip in het complex
aanwezig waren functioneerde de slagboom wel en moest er wel betaald worden om te
parkeren. Het kantoor heeft bij het JCS navraag gedaan over verweersters bezoek en
JCS had laten weten dat verweerster niet als bezoeker in het systeem stond op de betreffende
datum.
2.9 Op 5 maart 2025 heeft verweerster mr. K meegedeeld dat zij van plan was naar
het JCS te gaan om één van de door haar (naar haar zeggen) bezochte cliënten, H, een
verklaring te laten tekenen waarin staat dat verweerster op 4 maart 2025 een bespreking
met hem had gehad. Ondertussen had het kantoor eerder die dag al een antwoord van
het JCS ontvangen dat die bespreking nooit had plaatsgevonden. Mr. K heeft de door
verweerster opgestelde verklaring aangetroffen op haar computer.
Bespreking 11 maart 2025 tussen verweerster en het kantoor
2.10 In een bespreking op 11 maart 2025 heeft het kantoor verweerster geconfronteerd
met het vorenstaande. Aanvankelijk bleef verweerster bij haar zienswijze dat zij beide
cliënten wel op de aangegeven data had bezocht. Later erkende verweerster dat zij
op 4 maart 2025 de betreffende cliënt (H) niet had bezocht in het JCS. Verweerster
bleef volhouden dat zij op 20 februari 2025 de cliënt (B) op het politiebureau in
Haarlem wel had bezocht.
2.11 Beide voorvallen waren voor het kantoor aanleiding om de samenwerking met
verweerster beëindigen.
3 BEZWAAR
3.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt
verweerster het volgende:
a) verweerster heeft volhard in haar leugens, zelfs nadat zij daarmee door het
kantoor was geconfronteerd;
b) de leugens hebben betrekking op de kerndienstverlening van de advocaat, namelijk
rechtsbijstand aan de cliënt. Door tot tweemaal toe te zeggen dat zij een cliënt wel
heeft bezocht terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was, heeft verweerster laten
zien onbetrouwbaar te zijn, waar het de kerndienstverlening aan de cliënt betreft.
Door het feit dat verweerster niet op de afspraak is verschenen en onterecht heeft
verklaard de cliënt wel te hebben bezocht, is mogelijk de rechtszekerheid van de cliënt
in het geding gekomen;
c) verweerster was kennelijk zelfs voornemens om haar cliënt een valse verklaring
te laten tekenen, inhoudende dat zij hem wel had bezocht, terwijl dat in werkelijkheid
niet het geval was.
3.2 verweerster staat niet meer ingeschreven als advocaat. Maar zij wil wel werkzaam
zijn in een juridisch beroep. Niet uit te sluiten is dat zij in de toekomst wil terugkeren
als advocaat. Gegeven de ernst van de schending is het van belang dat deze tuchtrechtelijk
wordt gedocumenteerd.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft in haar verweer aan de deken van 20 juni 2025 het volgende
naar voren gebracht.
4.2 Over het voorval op 20 februari 2025 heeft verweerster verklaard dat zij
op 20 februari 2025 werd gebeld door de verbalisant dat haar cliënt zou worden gehoord.
Op dat moment was zij in het ziekenhuis voor een afspraak voor haar dochter. Zij heeft
tegen de verbalisant gezegd dat zij aan het einde van de ochtend op het politiebureau
kon zijn en dat was akkoord. Toen zij op het politiebureau aankwam, was de verdachte
echter al gehoord, omdat de verdachte had aangegeven geen advocaat te willen. Verweerster
geeft toe dat zij tegen haar kantoorgenoot (mr. B) heeft gelogen over het feit dat
zij de cliënt op 20 februari 2025 had bezocht. Zij schrijft hierover: “Gelet op het
feit dat hij kennelijk mijn bijstand niet wilde (dat heeft hij mij zelf op woensdagavond
gezegd en op donderdag ook tegen de politie) en ik wilde voorkomen dat [mr. B] boos
op mij werd omdat ik hem niet op donderdag voor de tweede keer persoonlijk heb gesproken,
heb ik toen gezegd dat ik hem heb gezien op donderdag en dat hij mij opnieuw heeft
gezegd dat hij mijn bijstand niet wilde."
4.3 Over het voorval op 4 maart 2025 heeft verweerster verklaard dat zij die
dag eerst een privé-afspraak had bij een hypotheekverstrekker en zij daarna de beide
cliënten zou bezoeken in het JCS. Die ochtend kreeg zij echter een piketmelding doorgestuurd
van een advocaat buiten kantoor, waardoor zij van plan was beide cliënten daarna in
de middag te bezoeken, maar dat bleek niet meer haalbaar. Toen mr. B haar vroeg hoe
het bij de cliënten was, durfde verweerster niet te zeggen dat zij het niet had gered
om hen te bezoeken, omdat zij dan ook had moeten zeggen dat zij voor werktijd een
privé-afspraak had gehad voor haar nieuwe huis. Verweerster schrijft hierover: “Ik
wist mij geen houding te geven en dit was het begin van mijn leugen. Ik vertelde dat
ik enkel cliënt H heb kunnen spreken, zodat zij het niet gek zou vinden als ik binnenkort
nogmaals langs het [JCS] zou gaan.” In werkelijkheid was dit niet het geval. Diezelfde
dag vroegen haar kantoorgenoten mrs. B en K nogmaals of verweerster echt in het JCS
was geweest. Omdat verweerster niet durfde te zeggen dat zij bij de hypotheekverstrekker
was geweest, heeft zij herhaald wat zij eerder die dag aan mr. B had gezegd, namelijk
dat zij enkel cliënt H had bezocht in het JCS en omdat zij geen parkeerkaartje kon
tonen, heeft verweerster gezegd dat de slagboom openstond.
4.4 Verweerster heeft erkend dat zij in de bespreking met haar werkgever op 11
maart 2025 heeft volhard in haar leugens. Zij schrijft: “Ik vond het ongemakkelijk
om op de leugens terug te komen waar [mr. B] en [mr. K] bij waren.”
4.5 Verweerster heeft voor haar handelwijze haar excuses aangeboden.
5 BEOORDELING
5.1 Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen
in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden
van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen
is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt
is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam
en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
5.2 De raad is van oordeel dat het dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond is.
Uit de feiten en omstandigheden in het dossier en verweersters toelichting hierop
volgt dat verweerster bij herhaling heeft gelogen over haar bezoeken aan cliënten.
Verweerster heeft erkend dat zij op 20 februari 2025 een cliënt op het politiebureau
Haarlem niet heeft bezocht, terwijl zij aan het kantoor had laten weten dat zij die
cliënt wel had bezocht. Ook heeft verweerster erkend dat zij op 4 maart 2025 de twee
cliënten in het JCS niet heeft bezocht, terwijl zij aan haar kantoorgenoten had laten
weten dat zij in ieder geval één van die cliënten wel had bezocht. Verweerster was
zelfs van plan om die cliënt hierover een valse verklaring te laten afleggen. Toen
verweerster met haar leugens werd geconfronteerd door haar kantoorgenoten, heeft verweerster
bovendien volhard in haar leugens.
5.3 Door het liegen over de kerndienstverlening van de advocaat, namelijk rechtsbijstand
aan de cliënt, heeft verweerster naar het oordeel van de raad niet alleen ernstig
onprofessioneel en onbetrouwbaar gehandeld ten opzichte van haar kantoorgenoten, maar
is zij bovendien vergaand tekortgeschoten in haar zorgplicht ten opzichte van de cliënten
die op haar bijstand rekenden. Door dit handelen heeft verweerster de in artikel 46
van de Advocatenwet neergelegde betamelijkheidsnorm en de kernwaarden deskundigheid
en integriteit geschonden, en daarmee het vertrouwen in de advocatuur ondermijnd.
6 MAATREGEL
6.1 Hoewel verweerster inmiddels niet meer werkzaam is in de advocatuur, rechtvaardigt
de ernst van de gedragingen het opleggen van een maatregel van betekenis. Daarvoor
acht de raad relevant dat het risico bestaat dat bij een eventuele herinschrijving
van verweerster in de toekomst de tekortkomingen van verweerster zich opnieuw zullen
voordoen en potentiële, toekomstige cliënten een risico lopen dat hun belangen worden
geschaad als verweerster hen als advocaat bijstaat. Gelet op het feit dat verweerster
spijt heeft betuigd en ten tijde van de verwijtbare gedragingen nog in opleiding was,
acht de raad een berisping een passende maatregel.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel
48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline” en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.2;
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. M. Bootsma en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 december 2025