ECLI:NL:TADRAMS:2025:225 Raad van Discipline Amsterdam 25-306/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:225 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-12-2025 |
| Datum publicatie: | 18-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-306/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht is ongegrond. Verweerster heeft niet klachtwaardig gehandeld door na te laten klager en zijn gemachtigde te informeren over haar benoeming als raadsheer-plaatsvervanger bij het hof waar het hoger beroep aanhangig was tussen klager en de cliënt van verweerster. Verweerster mocht er op vertrouwen dat vanwege de ‘niet inzet’ afspraak en de aantekening daarvan in het externe register nevenfuncties haar enkele benoeming als raadsheer-plaatsvervanger geen omstandigheid was die een risico zou kunnen opleveren voor de onpartijdigheid van het hof. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 15 december 2025
in de zaak 25-306/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. Q.J. van Riet
over
verweerster
gemachtigde: mr. J.F. Garvelink
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 17 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 7 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2443386/JS/BF van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025. Daarbij
waren klager met zijn gemachtigde en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van
de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerster is de advocaat van een vennootschap. Klager stelt een vordering
te hebben op deze vennootschap en is hierover een procedure gestart bij de Rechtbank
Oost-Brabant. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, waarna klager bij appeldagvaarding
van 22 november 2023 hoger beroep heeft ingesteld bij het Gerechtshof Den Bosch (hierna:
het hof).
2.3 Eerder - eind september 2023 - had verweerster bij de president van het hof
haar belangstelling kenbaar gemaakt voor de functie van raadsheer-plaatsvervanger
bij het hof. Op 27 november 2023 heeft via Teams een kennismakingsgesprek plaatsgevonden
met de president en de teamvoorzitter van team handel. Tijdens dit gesprek heeft verweerster
meegedeeld dat er een appeldagvaarding aan een van haar cliënten was uitgebracht waarbij
haar cliënte is opgeroepen tegen een rolzitting van het hof.
2.4 Op 25 februari 2024 heeft verweerster de president bericht dat naar verwachting
het hoger beroep van klager tegen de vennootschap op 27 februari 2024 zou worden aangebracht
bij het hof en dat zij zich op die datum zou stellen voor de vennootschap. Daarbij
heeft verweerster de namen van de procespartijen gegeven.
2.5 Verweerster is bij Koninklijk Besluit van 4 maart 2024 benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger
bij het hof. De president van het hof had verweerster voorgesteld haar in afwachting
van het verloop van de hiervoor genoemde procedure niet in te zetten bij het hof.
In het externe register nevenfuncties rechters heeft de president de aantekening laten
opnemen “in deze functie wordt betrokkene niet ingezet”.
2.6 Op 7 mei 2024 heeft de gemachtigde van klager namens klager een memorie van
grieven bij het hof ingediend. Verweerster heeft vervolgens namens haar cliënte een
memorie van antwoord ingediend. Hierna is een mondelinge behandeling gepland op 15
januari 2025.
2.7 Verweerster is op 24 september 2024 als raadsheer-plaatsvervanger beëdigd.
2.8 Uit het roljournaal van het hof van 19 december 2024 bleek dat de mondelinge
behandeling was geannuleerd en dat op 24 december 2024 arrest zou worden gewezen.
2.9 Met het arrest van 24 december 2024 is de zaak door het hof verwezen naar
het gerechtshof Den Haag. In het verwijzingsarrest is het volgende overwogen:
“3.3. Naar het oordeel van het hof is in deze zaak sprake van betrokkenheid van
het hof zoals bedoeld in artikel 62b Wet Ro. Een raadsheer-plaatsvervanger in dit
hof is immers als advocaat van geïntimeerde bij de zaak betrokken.
Hieraan doet niet af dat in het register nevenfuncties is vermeld dat zij in deze
functie niet wordt ingezet. Feit blijft immers dat zij per 4 maart 2024 is benoemd
als raadsheer-plaatsvervanger in dit hof, als zodanig is beëdigd in het bijzijn van
de raadsheren van in het hof en als raadsheer-plaatsvervanger met collega’s in het
hof zal gaan samenwerken.
Bovendien geldt dat in aanbeveling 17 van de Leidraad Onpartijdigheid en Nevenfuncties
staat dat het ongewenst is dat een raadsheer- plaatsvervanger optreedt als adviseur
in zaken die dienen, dan wel waarvan een reële mogelijkheid bestaat dat die zullen
dienen, bij het gerecht waarbij hij is aangesteld. Een interne richtlijn van het hof
schrijft ten slotte voor dat raadsheren- plaatsvervanger in hun hoedanigheid van advocaat,
zich dienen te onthouden van het procederen bij dit hof.”
2.10 Bij per e-mail verzonden brief van 9 januari 2025, met verweerster in cc,
heeft de president van het hof de president van het gerechtshof Den Haag als volgt
geschreven:
“Zij is nog niet als raadsheer-plaatsvervanger ingezet, omdat kort voor het slaan
van het Koninklijk Besluit duidelijk werd dat [verweerster] toch als advocaat zou
optreden in één zaak die door dit hof zou worden behandeld. Daarop is in overleg met
de teamvoorzitter van het team handel en mij afgesproken dat zij niet als raadsheer-plaatsvervanger
zou worden ingezet totdat die zaak zou zijn afgedaan. Dat zij niet als zodanig wordt
ingezet is ook extern kenbaar gemaakt door de aantekening in het register dat op rechtspraak.nl
is gepubliceerd. In het arrest van 24 december 2024 heeft het hof overwogen dat vanwege
het feit dat [verweerster] raadsheer-plaatsvervanger in dit hof is, de zaak moet worden
verwezen, niettegenstaande het feit dat zij niet als zodanig is en wordt ingezet.
Ik treed uiteraard niet in die beslissing. Ik hecht er wel aan u te informeren dat
het zowel de teamvoorzitter als mij bekend was dat [verweerster] in deze zaak nog
als advocaat zou optreden en met de gepubliceerde aantekening dat zij niet als raadsheer-
plaatsvervanger wordt ingezet beoogd was te handelen overeenkomstig de Leidraad Onpartijdigheid
en Nevenfuncties en onze interne richtlijn. [Verweerster] treft hierin dan ook geen
enkele blaam.”
2.11 Bij e-mail van 17 januari 2025 heeft de advocaat van klager verweerster
laten weten dat over haar een klacht is ingediend bij de deken. Verweerster heeft
hierop diezelfde dag als volgt gereageerd:
“Uw klacht is ongegrond. Ik verwijs naar bijgaande brief van de president van het
Hof Den Bosch aan de president van het Hof Den Haag waarnaar de procedure is verwezen.
Daarin is bevestigd dat mij geen enkele blaam treft. Uw verwijt over mijn Grotius
docentschap raakt ook kant noch wal. Ik verzoek u mij per ommegaande te bevestigen
dat de klacht wordt ingetrokken. Voorts wijs ik iedere aansprakelijkheid af. Ten overvloede:
de annulering van de zitting is al bekend gemaakt op de rol van het Hof rond 17 december
2024. U had hiervan op de hoogte kunnen en moeten zijn.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) verweerster heeft de keuze gemaakt te blijven optreden als advocaat van de
vennootschap, wederpartij van klager, terwijl zij op 4 maart 2024 tot raadsheer-plaatsvervanger
bij het hof was benoemd, waarmee klager niet bekend was. Verweerster heeft het risico
genomen dat in de procedure van klager geen 100% onpartijdige beoordeling zou zijn
gewaarborgd. Dat risico zou concreet verwezenlijkt kunnen worden omdat zowel één van
de raadsheren in de procedure en verweerster docent zijn bij de Grotius-opleiding;
b) verweerster heeft in strijd gehandeld met (de geest van) gedragsregels 23,
10, 1 en 21, nu de raadsheren van het hof op voorhand, door middel van een brief van
9 januari 2025 van de president van het hof, zijn geïnformeerd over - onder andere
- het feit dat verweerster geen enkele blaam zou treffen. De brief maakt verder duidelijk
dat verweerster herhaaldelijk over (het bestaan van) de aanhangige zaak met haar collega-raadsheren
heeft gesproken en hoogstwaarschijnlijk ook met de president van het hof naar aanleiding
van het verwijzingsarrest resulterend in de brief van de president van het hof van
9 januari 2025. Dat alles zonder de advocaat van klager daarover te informeren.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Bij de beoordeling van een klacht tegen een advocaat moet de tuchtrechter
het handelen of nalaten van de advocaat toetsen aan de normen die in artikel 46 van
de Advocatenwet zijn vastgelegd, evenals aan de kernwaarden die in artikel 10a van
de wet zijn beschreven. De advocaat moet zich onthouden van gedrag dat niet past bij
een behoorlijk advocaat. Hoewel de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels,
kunnen deze wel van belang zijn, gezien het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46. Of het handelen van de advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar is, hangt
af van de feitelijke omstandigheden en wordt per geval door de tuchtrechter beoordeeld.
Wie klaagt?
5.2 De gemachtigde van klager heeft ter zitting verklaard dat de klacht ook namens
hem is ingediend. Echter uit het door klager ingediende klachtformulier blijkt dit
niet, noch uit de daaropvolgende correspondentie in het klachtdossier. Bovendien heeft
de deken de gemachtigde van klager niet als mede-klager aangemerkt. De gemachtigde
kan zichzelf niet alsnog ter zitting als mede-klager positioneren. De raad concludeert
dan ook dat de klacht uitsluitend door klager is ingediend, waarbij zijn gemachtigde
hem in dit proces heeft bijgestaan.
Beoordeling klachtonderdeel a) - ongegrond
5.3 Dit klachtonderdeel slaagt niet. De raad volgt klager niet in zijn opvatting
dat verweerster door - ondanks haar benoeming op 4 maart 2024 tot raadsheer-plaatsvervanger
bij het hof - te blijven optreden als advocaat van wederpartij van klager het risico
heeft genomen dat de onpartijdige beoordeling van de zaak niet meer zou zijn gewaarborgd.
Hoewel het beter was geweest als zij klager en zijn gemachtigde had geïnformeerd over
haar benoeming, heeft verweerster niet klachtwaardig gehandeld door dit na te laten.
Verweerster mocht er naar het oordeel van de raad namelijk op vertrouwen dat vanwege
de op voorstel van de president gemaakte ‘niet inzet’ afspraak en de aantekening daarvan
in het externe register nevenfuncties haar enkele benoeming als raadsheer-plaatsvervanger
geen omstandigheid was die een risico zou kunnen opleveren voor de onpartijdigheid
van het hof. Verweerster heeft niet in die functie opgetreden en zou niet ingezet
worden tot dat de procedure zou zijn afgehandeld. Haar beëdiging op 24 september 2024
maakt dit niet anders. Ook daarna heeft verweerster niet in de functie als raadsheer-plaatsvervanger
opgetreden.
5.4 De omstandigheid dat het hof in het verwijzingsarrest later anders oordeelde
over de ‘niet-inzet’ afspraak die verweerster met de president had gemaakt, had verweerster
niet hoeven voorzien. Het arrest rechtvaardigt in ieder geval niet de conclusie dat
door verweerster (en de president) gelet op dit arrest eerder een verwijtbaar verkeerde
inschatting is gemaakt door te denken dat met de ‘niet inzet’ afspraak geen risico
bestond voor de onpartijdigheid van het hof. Verweerster verkeerde in de veronderstelling
dat met die afspraak tegemoet gekomen werd aan het belang van klager bij een beoordeling
van zijn zaak door een onpartijdig hof. Verweerster heeft gelet hierop geen aanleiding
hoeven zien om zich te onttrekken aan de zaak. Ook slaagt naar het oordeel van de
raad niet de stelling van klager dat het risico van een niet-onpartijdige beoordeling
“concreet verwezenlijkt zou kunnen worden” omdat een van de behandelende raadsheren
bij het hof net als verweerster docent is bij de Grotius-opleiding. De enkele omstandigheid
dat beiden docent zijn bij dezelfde opleiding (maar op verschillende dagen les geven),
levert niet het door klager gestelde risico op. De raad komt dan ook tot de slotsom
dat verweerster met haar handelwijze jegens klager binnen de grenzen van het betamelijke
is gebleven. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) - ongegrond
5.5 Klachtonderdeel b) slaagt evenmin. De raad overweegt allereerst dat, anders
dan klager stelt, de functie van rechter/raadsheer-plaatsvervanger niet strijdig is
met artikel 46 Advocatenwet. Van onverenigbare activiteiten als bedoeld in gedragsregel
10 is, anders dan klager meent, dan ook geen sprake.
5.6 Klager heeft verder gesteld dat verweerster in strijd heeft gehandeld met
gedragsregel 21, waarin - kort gezegd - is bepaald dat een advocaat de rechter alleen
mag benaderen met gelijktijdige kennisgeving aan de wederpartij. Volgens klager heeft
verweerster zonder zijn advocaat hierover te informeren herhaaldelijk met collega-raadsheren
over zijn zaak gesproken en hoogstwaarschijnlijk ook met de president naar aanleiding
van het verwijzingsarrest. De raad volgt klager niet in dit standpunt. Verweerster
heeft onderbouwd toegelicht dat in het contact met het gerechtsbestuur uitsluitend
is gesproken over het feit dat verweerster als advocaat optrad in een zaak die bij
het hof aanhangig was en dat de inhoud van de zaak in dat verband niet ter zake deed.
Het belang ter bescherming waarvan gedragsregel 21 is geschreven is daarmee niet geschonden.
5.7 Voor zover klager heeft gesteld dat de objectieve onpartijdigheid van het
gerechtshof Den Haag in het geding is gekomen door de brief van de president, overweegt
de raad als volgt. Allereerst geldt dat verweerster die brief niet heeft geschreven
en haar hierover alleen al daarom niets te verwijten valt. Ook voor wat betreft de
inhoud van de brief mist de conclusie die klager aan de brief van de president verbindt,
grond. De brief geeft enkel een toelichting over de achtergrond van de ‘niet inzet’
afspraak en gaat niet in op de inhoud van zaak.
5.8 Voor wat betreft klagers beroep op gedragsregel 23, heeft verweerster terecht
aangevoerd dat deze gedragsregel niet van toepassing is op deze situatie. Die regel
ziet op het geval dat een advocaat zich als geschilbeslechter bemoeit met een zaak
waarin hij (of een kantoorgenoot) advocaat is (geweest). Dat is hier niet aan de orde.
Verweerster heeft immers niet als raadsheer-plaatsvervanger in deze zaak opgetreden.
5.9 De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verweerster ook
voor wat betreft klachtonderdeel b) niet heeft gehandeld in strijd met de hetgeen
een behoorlijk advocaat betaamt (en daarmee evenmin met gedragsregel 1). Van schending
van de belangen van klager is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel b) is eveneens
ongegrond.
Conclusie
5.10 De raad concludeert tot volledige ongegrondverklaring van de klacht, al
hetgeen klager verder heeft gesteld kan niet tot een ander oordeel leiden. Hoewel
invoelbaar is dat klager door het verwijzingsarrest onaangenaam verrast was, is van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, geen sprake.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. M. Bootsma en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 15 december 2025