ECLI:NL:TADRAMS:2025:214 Raad van Discipline Amsterdam 25-549/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:214 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-11-2025 |
| Datum publicatie: | 05-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-549/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; ongegronde klacht over de advocaat van de (oud)-werkgever van klaagster. Niet gebleken is van schending van gedragsregel 8. Ook mocht verweerster de van haar cliënte verkregen informatie in de procedure tegen klaagster gebruiken, ook al was deze de vrucht van een datalek. Een advocaat die gebruik maakt van door zijn cliënt(e) ter beschikking gestelde informatie, ook al had deze informatie achteraf gezien niet verstrekt mogen worden, zal, behoudens bijzondere omstandigheden, in het algemeen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen opleveren (vergelijk beslissing van de raad van 23 december 2019, ECLI:NL:TADRAMS:2019:251). Dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is, is de raad niet gebleken. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 24 november 2025
in de zaak 25-549/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
gemachtigde: mr. H. Lewin
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 15 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2392392/JS/AP
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 oktober 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is
proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 24 augustus 2025 door klaagster nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. Voor de vaststelling
van de feiten heeft de raad zich ook gebaseerd op de uitspraken in de onderliggende
procedures die gepubliceerd zijn op de website www.rechtspraak.nl.
2.2 Klaagster was in dienst van een gemeente in Nederland (hierna: de gemeente).
De gemeente is eigen risicodrager voor de WIA. Verweerster staat de gemeente als advocaat
bij in een langdurig arbeidsrechtelijk geschil met klaagster. De heer B (hierna B)
was de leidinggevende van klaagster bij de gemeente.
2.3 Klaagster heeft zich tijdens haar dienstverband eind mei 2022 ziekgemeld.
Op 17 januari 2024 is klaagster bij de bedrijfsarts geweest en heeft zij de bedrijfsarts
toegezegd dat zij voor het einde van januari 2024 het bedrijf dat medisch specialistisch
onderzoek heeft gedaan naar de beperkingen en mogelijkheden van klaagster (hierna:
het bedrijf) toestemming zou geven om de medische rapportage naar de bedrijfsarts
te verzenden.
2.4 Op 18 januari 2024 heeft de gemeente klaagster gesommeerd om voor 25 januari
2024 de bedrijfsarts in het bezit te stellen van 1) de medische rapportage van het
bedrijf en 2) de medische informatie van de behandelend sector. Voor het geval klaagster
hier niet aan zou voldoen, had de gemeente een loonstop aangekondigd. In haar brief
van 31 januari 2024 heeft de gemeente klaagster laten weten dat haar loon met ingang
van 1 februari 2024 werd stopgezet. Klaagster is hierover een kortgedingprocedure
gestart.
2.5 Bij vonnis van 12 maart 2024 heeft de kantonrechter in kort geding de vordering
van klaagster toegewezen om de waarschuwingsbrief van 18 januari 2024 en de loonstopbrief
van 31 januari 2024 uit het personeelsdossier van klaagster te verwijderen. Het was
onvoldoende aannemelijk geworden dat klaagster niet meewerkte aan haar re-integratie
en de loonstop werd onterecht geacht.
2.6 De gemeente had eerder, op 15 februari 2024, ook een loonstop opgelegd, omdat
de gemeente vermoedde dat klaagster tijdens haar arbeidsongeschiktheid nevenwerkzaamheden
had verricht en klaagster daarover geen informatie wilde verstrekken. Klaagster is
vanwege deze loonstop opnieuw een kortgedingprocedure tegen de gemeente gestart.
2.7 Verweerster heeft namens de gemeente in deze procedure verweer gevoerd. De
gemeente stelde zich op het standpunt dat er een grond was voor het opleggen van de
loonstop omdat klaagster geen openheid van zaken gaf over haar nevenwerkzaamheden.
Relevante alinea’s uit het verweer van verweerster luiden, voor zover relevant:
“32. [Klaagster] wordt opnieuw uitgenodigd voor een gesprek over de arbeidsrelatie
(Productie 30). Bij brief van 31 januari 2024 wordt het loon met ingang van 1 februari
stopgezet waarbij nadrukkelijk wordt aangegeven dat dit niet bedoeld is om [klaagster]
te pesten maar dat voor haar dezelfde rechten en verplichtingen gelden als voor iedere
andere werknemer van de Gemeente (…). Het meewerken aan redelijke voorschriften is
daar één van (Productie 31).
(…)
62. Voor [de gemeente] staat vast dat [klaagster] heel goed wist wat zij deed en
op alle mogelijke manieren heeft geprobeerd om de nevenwerkzaamheden- en inkomsten
te verzwijgen en buiten beeld van [de gemeente] te houden. [Klaagster] is zelfs zover
gegaan dat zij haar rekeningnummer heeft gewijzigd bij UWV, haar persoonsgegevens
bij UWV heeft proberen te laten verwijderen en anderen heeft beschuldigd van data
lekken en grensoverschrijdend gedrag. Feit is en blijft dat [klaagster] een gewaarschuwd
mens was en zij zich bovendien na de vingerwijzing van het Hof meer bewust moest zijn
van haar positie als ambtenaar en haar kwetsbare financiële positie. Blijkbaar heeft
[klaagster] zich daar niets van aan getrokken. Ook daar kan haar een ernstig verwijt
van worden gemaakt.”
2.8 Bij vonnis van 5 juni 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de gemeente
geen loonstop had mogen opleggen.
2.9 Bij brief van 19 juni 2024 heeft het UWV klaagster geïnformeerd over een
datalek. Hierin staat dat het UWV per ongeluk (persoons)gegevens met klaagsters werkgever
(de gemeente) heeft gedeeld. Het UWV schrijft dat het datalek het gevolg is van een
verzoek om informatie van de gemeente naar aanleiding van klaagsters inkomen vanuit
het UWV en een bedrijf. In de brief geeft het UWV een opsomming van de gegevens die
aan de gemeente zijn verstrekt. Het gaat blijkens deze brief om de volgende gegevens:
• een kopie (PDF) van een brief aan u (d.d. 22 november 2023) over de afwijzing
van een verwijderverzoek. Deze brief bevat uw NAW gegevens en BSN
• Een schermafdruk uit een brief (d.d. 2 februari 2024) over 6 documenten (titel
en datum) die zijn vernietigd.
• Informatie waaruit blijkt dat voor uw BSN een Ziektewet-uitkering is betaald.
• Informatie over een wijziging van uw rekeningnummer (het rekeningnummer zelf
is niet gedeeld).
• Metadata uit systemen (zoals het verzenden of ontvangen van post).
• Een interne mailwisseling (UWV e-mail) tussen divisies
2.10 De gemeente heeft op enig moment ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.
Klaagster heeft een verweerschrift ingediend. Verweerster heeft in dat kader een verklaring
van mevrouw W (hierna W) van 1 juli 2024 overgelegd. W was Manager Staf Bedrijfsvoering
en Bestuur bij de gemeente, maar sinds 1 mei 2023 niet meer in dienst bij de gemeente.
Het ontbindingsverzoek is tijdens een zitting op 9 juli 2024 behandeld. Bij deze zitting
was W eveneens aanwezig.
2.11 Op 18 juli 2024 is de gemeente een bezwaarprocedure gestart bij het UWV
tegen de aan klaagster per einde wachttijd toegekende WIA-uitkering.
2.12 Bij beschikking van 30 juli 2024 is de arbeidsovereenkomst tussen klaagster
en de gemeente met ingang van 1 augustus 2024 ontbonden.
2.13 Klaagster heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. De mondelinge
behandeling bij het gerechtshof heeft op 19 maart 2025 plaatsgevonden.
2.14 In de processtukken waarvan verweerster zich in de ontbindingsprocedure
bij de rechtbank en in hoger beroep bij het gerechtshof heeft bediend staan de volgende
passages:
“In mijn hoedanigheid van advocaat mag ik informatie van derden zelfs als deze informatie
achteraf bezien niet door deze derden aan mij hadden mogen worden verstrekt delen,
zeker als deze informatie door [klaagster] zelf uit eigen beweging had moeten worden
verstrekt.”
“Gemeente (…) wilde helemaal niet de gang op en heeft dat duidelijk laten merken.
Op de gang wilde [klaagster] niet met mij praten maar alleen met de heer B(…). Dat
wilde hij niet en terecht: ik ben de gemachtigde van [de gemeente]. Dat ik namens
[de gemeente] niet wilde vertellen wat er op de gang was gebeurd, kan en mag en is
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar."
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
a) verweerster heeft namens de gemeente in het kader van een bezwaarprocedure
bij het UWV medische gegevens opgevraagd. Dit verzoek is in strijd met eerder door
de rechter opgelegde restricties dat deze medische gegevens niet verstrekt mochten
worden aan de gemeente of aan verweerster;
b) verweerster heeft gebruik gemaakt van citaten afkomstig uit een door verweerster
niet gemeld datalek. Verweerster beweert onder meer dat klaagster haar rekeningnummer
heeft gewijzigd en heeft geprobeerd haar medische dossier te wissen om een dienstverband
te laten verdwijnen. Deze uitspraken zijn ongefundeerd en onjuist en schaden de reputatie
van klaagster;
c) Verweerster heeft in een procedure stukken ingediend - de brieven van 18 januari
2024 en 31 januari 2024 - waarvan de rechter bij beslissing van 12 maart 2024 aan
de werkgever had gesommeerd deze te verwijderen uit het personeelsdossier van klaagster;
d) Verweerster heeft in een eerdere procedure onprofessioneel gedrag vertoond
toen de rechtbank partijen verzocht te overleggen op de gang. Ook wilde verweerster
niet aan de rechter meedelen wat op de gang tussen partijen was besproken.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter klachten over advocaten toetst aan
de betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet en niet ook aan het
EVRM of de AVG.
5.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.3 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter
het aan de advocaat verweten handelen of nalaten verder te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden
aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke
normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel
ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.4 Gedragsregel 8 bepaalt dat een advocaat geen feiten mag stellen waarvan hij
de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen.
Klachtonderdelen a) en c)
5.5 Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Ter zitting
heeft klaagster toegelicht dat beide klachtonderdelen gaan over de brieven van 18
januari 2024 en 31 januari 2024, waarvan de rechter de gemeente bij beslissing van
12 maart 2024 (zie rov. 2.5) had opgedragen om deze uit het personeelsdossier van
klaagster te verwijderen. Ondanks deze beslissing van de rechter heeft verweerster
deze brieven in latere procedures ingebracht.
5.6 De raad overweegt het volgende. Zoals volgt uit het in rov. 5.2 weergegeven
toetsingskader geniet verweerster als partijdig belangenbehartiger een ruime mate
van vrijheid om de belangen van de gemeente op een door haar passend geachte wijze
te behartigen. Deze vrijheid mag niet ten gunste van de wederpartij - in dit geval
klaagster - worden beperkt, tenzij de belangen van klaagster op nodeloos en ontoelaatbare
wijze worden geschaad. Daarvan is naar het oordeel van de raad onvoldoende gebleken.
Verweerster heeft gemotiveerd toegelicht dat zij op grond van de exhibitieverplichting
gehouden was om namens de gemeente alle feiten en omstandigheden te vermelden, waaronder
die met betrekking tot de waarschuwing en de loonstop. Volgen verweerster doet het
feit dat de rechter eerder had bevolen dat de brieven uit het personeelsdossier van
klaagster moesten worden verwijderd, daaraan niet af. Het stond haar, aldus verweerster,
vrij om daarop in rechte alsnog een beroep te doen. De raad is van oordeel dat verweerster
met het gebruiken van deze brieven haar vrijheid niet heeft overschreden. Wel was
het naar het oordeel van de raad beter geweest als verweerster had vermeld dat deze
brieven – naar aanleiding van de beschikking van 12 maart 2024 - inmiddels uit het
personeelsdossier van klaagster waren verwijderd. Omdat klaagster in de onderliggende
procedure dit zelf heeft kunnen toelichten, is zij hierdoor niet onevenredig in haar
belangen geschaad.
5.7 Ook acht de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster processtukken
heeft gedeeld met W, ondanks dat W sinds 1 mei 2023 niet meer in dienst was van de
gemeente. Verweerster heeft toegelicht dat W als voormalig Manager Staf Bedrijfsvoering
en Bestuur tot aan haar vertrek nauw betrokken was bij het dossier van klaagster,
dat een lange voorgeschiedenis kent. Omdat W als enige in staat was om op bepaalde
uitlatingen van klaagster te reageren, heeft de gemeente haar gevraagd om haar visie
te geven (verklaring van 1 juli 2024). Anders dan klaagster stelt, was W dus geen
willekeurige derde, maar een voormalig collega met inhoudelijke kennis van het dossier
van klaagster. Ook de aanwezigheid van W op de zitting van 9 juli 2024 valt verweerster
niet te verwijten; haar aanwezigheid diende het belang van de gemeente en het behartigen
van dat belang staat voor verweerster centraal. Voorts staat onweersproken vast dat
klaagster in de onderliggende procedure geen bezwaar heeft gemaakt tegen de verklaring
van W of haar aanwezigheid op de zitting. Gelet hierop zijn de klachtonderdelen a)
en c) ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.8 Klaagster verwijt verweerster dat zij gegevens heeft gebruikt die afkomstig
zijn uit een datalek van het UWV. Verweerster beweert, aldus klaagster, op grond van
die gegevens onder meer dat klaagster haar rekeningnummer heeft gewijzigd en zou hebben
geprobeerd om haar medisch dossier te wissen om een dienstverband te laten verdwijnen.
Deze uitspraken zijn ongefundeerd en onjuist en schaden de reputatie van klaagster.
Volgens klaagster heeft verweerster hiermee gehandeld in strijd met gedragsregel 8.
Verweerster heeft bovendien in haar verweer betoogd (zie feiten rov. 2.14) dat zij
in haar hoedanigheid van advocaat informatie van derden mag delen, zelfs als deze
informatie achteraf niet aan haar had mogen worden verstrekt.
5.9 De raad overweegt als volgt. Allereerst geldt dat niet is komen vast te staan
dat verweerster bewust onjuiste informatie heeft verstrekt en daarmee in strijd met
gedragsregel 8 heeft gehandeld. Verweerster heeft in de onderliggende procedure namens
de gemeente betoogd dat klaagster haar bankrekeningnummer heeft gewijzigd en geprobeerd
heeft om haar persoonsgegevens bij UWV te laten verwijderen (zie aangehaald citaat
in rov. 2.7 bij punt 62). Deze informatie komt overeen met de informatie die het UWV
blijkens zijn brief van 19 juni 2024 aan de gemeente heeft verstrekt (zie rov. 2.9).
Dat verweerster namens de gemeente andere conclusies aan die gegevens verbindt dan
klaagster, is inherent aan het juridisch geschil dat tussen partijen speelt.
5.10 Uit de brief van 19 juni 2024 volgt ook dat deze gegevens niet aan de gemeente
verstrekt hadden mogen worden en hiermee sprake is van een datalek. Verweerster heeft
(mede) ter zitting verklaard dat zij van mening is dat zij deze informatie in de procedure
tegen klaagster mocht gebruiken, ook al was deze de vrucht van een datalek en had
het UWV de informatie niet aan de gemeente mogen verstrekken. Verweerster heeft ter
zitting ook verklaard dat zij, op het moment dat zij deze informatie in de hogerberoepsprocedure
van de ontbinding van het dienstverband had ingebracht, wist dat de informatie afkomstig
was uit een datalek.
5.11 De raad is van oordeel dat ook al is op de wijze van verkrijging van de
informatie van het UWV wel het een en ander aan te merken, dit nog niet betekent dat
verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door deze informatie te gebruiken.
Het is immers aan de civiele rechter voorbehouden om te oordelen over de toelaatbaarheid
van deze informatie, waarbij hij rekening zal houden met alle relevante omstandigheden
van het geval, zoals de ernst van de door de wijze van verkrijging gemaakte inbreuk
op de rechten van de partij die zich tegen de verstrekking verzet en het gewicht van
het belang dat de andere partij heeft bij gebruikmaking van die informatie. Een advocaat
die gebruik maakt van door zijn cliënt ter beschikking gestelde informatie, ook al
had deze informatie achteraf gezien niet verstrekt mogen worden, zal, behoudens bijzondere
omstandigheden, in het algemeen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen opleveren
(vergelijk beslissing van de raad van 23 december 2019, ECLI:NL:TADRAMS:2019:251).
Dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is, is de raad niet gebleken.
Klachtonderdeel b) is in verband daarmee volledig ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.12 Klaagster verwijt verweerster dat zij onprofessioneel gedrag heeft vertoond
toen de rechtbank partijen had verzocht te overleggen op de gang. De gemeente heeft
niet duidelijk laten merken niet de gang op te willen. Beide partijen hebben op uitdrukkelijk
verzoek van de rechter ingestemd met het gesprek op de gang. Klaagster stelt dat zij
openstond om het gesprek aan te gaan met B (haar leidinggevende) maar dat zij door
verweerster werd onderbroken en persoonlijk werd aangesproken op een manier die klaagster
als intimiderend heeft ervaren. Hierbij speelt een rol dat klaagster geen gemachtigde
had en dat het gedrag van verweerster het voor klaagster niet mogelijk maakte om op
een normale manier tot een gesprek te komen met verweerster. Anders dan verweerster
heeft betoogd, betwist klaagster echter dat zij alleen met B wilde praten. Ook wilde
verweerster niet aan de rechter meedelen wat op de gang tussen partijen was besproken.
5.13 De raad overweegt dat klaagster en verweerster tegenstrijdige verklaringen
hebben afgelegd over het verloop van het gesprek tussen partijen tijdens de schorsing.
Verweerster voert aan dat klaagster alleen met B (haar leidinggevende) wilde praten,
maar klaagster betwist dit. Of verweerster hierin een verwijtbare rol heeft gespeeld,
kan de raad gelet hierop niet vaststellen. Ook verder heeft klaagster haar verwijten
over het optreden van verweerster tijdens de schorsing, dat zij als intimiderend heeft
ervaren, onvoldoende concreet onderbouwd. Aangezien in de overgelegde stukken ook
geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van deze verwijten,
kan de raad ook de juistheid hiervan niet vaststellen en is de klacht in zoverre ongegrond.
Voor het overige geldt dat verweerster terecht heeft gesteld dat het niet gebruikelijk
is rechters te informeren over hetgeen tijdens de schorsing tussen partijen is besproken,
tenzij beide partijen ermee instemmen dat deze informatie wel wordt gedeeld. Dat verweerster
derhalve niet aan de rechter verslag wilde doen van het overleg tussen partijen tijdens
de schorsing, levert geen verwijtbaar handelen op. Klachtonderdeel d) is gelet hierop
ongegrond.
5.14 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in alle onderdelen ongegrond
is.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. F.J.J. Baars en C.C. Horrevorts, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 november 2025