ECLI:NL:TADRAMS:2025:212 Raad van Discipline Amsterdam 25-678/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2025:212
Datum uitspraak: 17-11-2025
Datum publicatie: 25-11-2025
Zaaknummer(s): 25-678/A/A
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht is in alle klachtonderdelen niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de in artikel 46g lid 1 Advocatenwet genoemde termijn.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 17 november 2025
in de zaak 25-678/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 6 oktober 2025 met kenmerk 2435892/JS/AS, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 In april 2018 is klager verwikkeld geraakt in een arbeidsgeschil met zijn toenmalige werkgever, de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank).
1.2 Op 18 en 19 april 2018 heeft klager telefonisch gesproken met verweerder en met een voormalig kantoorgenoot van verweerder (hierna: mr. M) en hen gevraagd om juridische bijstand.
1.3 In de periode van 19 april 2018 tot en met 23 april 2023 hebben verweerder en mr. M hierover met elkaar gecorrespondeerd.
1.4 Bij besluit van 8 mei 2018 heeft de rechtbank klager ontslagen, waarna een termijn van zes weken is gaan lopen om bezwaar in te stellen.
1.5 Op 1 juni 2018 heeft klager opnieuw telefonisch contact opgenomen met verweerder in verband met zijn ontslag.
1.6 Verweerder en mr. M hebben hierna verder met elkaar gecorrespondeerd.
1.7 Op 6 juli 2018 uur is klager op het kantoor van verweerder geweest voor een bespreking.
1.8 Op 13 juli 2018 heeft verweerder een brief aan de rechtbank gestuurd in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van klager.
1.9 Bij e-mail van 16 juli 2018 heeft de werkgever aan verweerder bericht dat het ontslagbesluit inmiddels in rechte onaantastbaar is.
1.10 Bij e-mail van 17 juli 2018 heeft verweerder gereageerd op het bericht van de rechtbank met, voor zover relevant:
“Ik heb u nog te danken voor uw e-mail van gisterochtend. Door dit bericht kwam ik te weten dat aan [klager] ontslag is verleend en dat dit ontslagbesluit in rechte onaantastbaar is. Om dit zacht uit te drukken, keek ik nogal van uw bericht op. [Klager] had hierover namelijk met geen woord tegenover mij gerept.
Naar aanleiding van uw bericht heb ik mij gistermiddag telefonisch verstaan met mevrouw mr. (…); uw secretaresse was zo vriendelijk mij haar telefoonnummer te verstrekken. Van mr. (…)leerde ik dat op 8 mei jl. aan [klager] strafontslag is verleend. Voorts, dat de brief waarin dit is vermeld door een koerier bij de woning van [klager] is afgeleverd, dat wil zeggen door de koerier – toen deze kennelijk geen contact met [klager] kon maken - bij [klager] in de bus is gedaan. Op 20 juni jl. is volgens mevrouw (…)de beroeps/bezwaartermijn verstreken.
Vanochtend heb ik met [klager] op mijn kantoor over deze ontwikkelingen (waarvan hij stelt niets te hebben geweten) overleg gevoerd. Het moge voor zich spreken, dat [klager] door mijn berichtgeving hevig verontrust is geraakt. Hij heeft mij verzocht (weer) met u contact op te nemen (…)
Graag verzoek ik dan ook aan te geven op welk u passend moment ik dezer dagen met u kan bellen. (…).”
1.11 In de periode hierna heeft verweerder namens klager contacten gehad met de rechtbank en geprobeerd om een oplossing te bereiken in verband met het arbeidsgeschil. Tussen partijen is geen oplossing bereikt.
1.12 In een e-mailbericht van 7 mei 2020 hebben de advocaten van de rechtbank aan verweerder geschreven, voor zover relevant:
“(…)
Uw e-mail hebben wij besproken met het bestuur van de rechtbank Noord Nederland. Het bestuur heeft ons inmiddels laten weten dat, niettegenstaande de compassie met [klager] die redengevend was voor het eerder aan hem gedane, maar nadien afgewezen voorstel, het bestuur thans van mening is dat het dossier gesloten moet worden. (…) Ook moet worden aangenomen dat enige financiële tegemoetkoming geen werkelijke oplossing oplevert. Het bestuur respecteert de intenties om de situatie van [klager] te verzachten, maar ziet hiertoe thans geen mogelijkheden meer. (…)”
1.13 Op 23 december 2024 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.

2 KLACHT
a) De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:
a) geen bezwaar te hebben ingediend tegen het voorgenomen besluit om klager als werknemer van de rechtbank te ontslaan;
b) geen beroep te hebben ingesteld tegen het ontslagbesluit van omstreeks april 2018 binnen de daarvoor gestelde beroepstermijn;
c) geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het feit dat klager niet over het besluit met betrekking tot de verplaatsing naar een andere vestiging is gehoord.

3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING
4.1 Op grond van artikel 46g eerste lid onder a Advocatenwet wordt een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien de klacht (bij de deken) wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van lid 2 blijft ten aanzien van een na afloop van de in het eerste lid onder a bedoelde termijn ingediende klacht niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas na afloop van die drie jaren bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de dag waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Het gaat hier om een vervaltermijn die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast.
Klachtonderdelen a), b) en c)
4.2 De voorzitter is van oordeel dat dat de verwijten in de klachtonderdelen a) b en c) er in de kern op neerkomen dat verweerder geen adequate juridische bijstand aan klager heeft geleverd. Het vermeend klachtwaardig handelen van verweerder zou hebben plaatsgevonden in 2018, toen klager bij besluit van 8 mei 2018 door zijn werkgever is ontslagen en verweerder hiertegen, volgens klager, ten onrechte niet goed heeft opgetreden. De voormalig werkgever heeft in 2020 een laatste bericht aan verweerder gestuurd. Door hierover pas op 23 december 2024 een klacht in te dienen, heeft klager de hiervoor onder 4.1 genoemde wettelijke termijn van drie jaar overschreden.
4.3 Voor zover klager stelt dat dat hij nog altijd de gevolgen ondervindt van het (vermeend klachtwaardig) handelen van verweerder en dat (andere) advocaten tot in 2023 zijn doorgegaan om alsnog een vaststellingsovereenkomst met zijn voormalig werkgever te trachten te sluiten, is de voorzitter van oordeel dat deze omstandigheden in ieder geval niet terzake doen voor een geslaagd beroep op het tweede lid van artikel 46g Advocatenwet. Vaststaat immers dat de verwijten richting verweerder zien op zijn handelen in 2018 en dat klager hier toen ook mee bekend was (of kon zijn) en hiertegen ook toen, of in ieder geval binnen een termijn van drie jaar, een klacht had kunnen indienen.
4.4 Ook is de voorzitter niet gebleken van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht. De stelling van klager dat hij uit ontzag voor verweerder niet eerder een klacht tegen hem heeft durven indienen, doet in dit verband niet terzake.
4.5 Uit het voorgaande volgt dat de klacht op grond van artikel 46g lid 1 onder a niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de voorzitter niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de klacht.

BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klachtonderdelen a), b) en c), met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025


Griffier Voorzitter

Verzonden op: 17 november 2025