ECLI:NL:TADRAMS:2025:193 Raad van Discipline Amsterdam 25-188/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:193 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 24-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-188/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Verweerder staat de dementerende vader van klaagster bij in een procedure waarbij de kinderen ondercuratelestelling hebben verzocht. Klaagster heeft als wederpartij geen rechtstreeks belang bij haar klachten over verweerders bijstand aan de vader. Veder is niet gebleken dat verweerder zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten of bewust onwaarheden heeft verkondigd over de medische situatie van de vader. De klacht is gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 oktober 2025
in de zaak 25-188/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
gemachtigde: mr. L.W. Castelijns
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 18 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2383970/JS/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 september 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is
proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van deze klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 29 april 2021 is de vader van klaagster (hierna: de vader) gediagnostiseerd
met MCI (Mild Cognitive Impairment).
2.3 Na de diagnose MCI is een casemanager dementie bij de vader betrokken. In
juli 2021 heeft zij geestelijke en lichamelijke achteruitgang geconstateerd bij de
vader.
2.4 Op 3 februari 2022 heeft de casemanager gerapporteerd, voor zover relevant:
“Het verloop van de achteruitgang is sinds juli 2021 snel. (…) Mijn advies met betrekking
tot [de vader] zijn geestelijke en lichamelijke achteruitgang is om uit te gaan kijken
naar een woonvorm waar [de vader] zorg en begeleiding dicht in zijn omgeving heeft.”
2.5 Op 8 maart 2022 heeft klaagster, samen met haar broer en zus, bij de kantonrechter
een verzoek tot ondercuratelestelling van de vader ingediend. Vader werd, nadat het
provisioneel bewind bij beschikking van 11 maart 2022 was ingesteld, in die procedure
tot ongeveer eind juni 2022 bijgestaan door mr. S. Nadat zij zich aan de zaak had
onttrokken, heeft verweerder de bijstand aan de vader eind juni 2022 op zich genomen.
Bijstand door mr. S
2.6 Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 maart
2022 is klaagster (samen met haar broer) benoemd tot provisioneel bewindvoerder van
de vader en is het verzoek tot ondercuratelestelling aangehouden. In de beschikking
is onder meer overwogen:
“De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de processtukken, sprake
is van een situatie waarin onmiddellijke bescherming van betrokkene [RvD: de vader]
noodzakelijk is. (…) Het spoedeisende karakter van het verzoek rechtvaardigt benoeming
van de voorgestelde provisionele bewindvoerders [klaagster en haar broer] met ingang
van heden. (…) De bewindvoerder heeft alle bevoegdheden die een curator krachtens
de wet heeft.”
2.7 Op 7 juni 2022 heeft de vader met bijstand van mr. S bij het gerechtshof
Amsterdam (hierna: het hof) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 11 maart
2022 voor zover hierin klaagster en haar broer tot provisioneel bewindvoerder zijn
benoemd. In dit hoger beroep staat bij punt 19, voor zover relevant:
“Vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zijn kinderen anticiperen op hun
vrees dat zij bij zijn overlijden minder geld ontvangen dan waar zij op rekenen. Dit
is de reden dat de kinderen zijn partner ten onrechte afschilderen als een geldwolf.
Dat is niet het geval. Ook betwist de vader dat hij zijn kinderen onevenredig benadeelt.
Hij is zich bewust van de financiële transacties, die hij aangaat. Zijn belangen kan
hij nog steeds behartigen.”
2.8 Op 11 juni 2022 heeft de neuroloog (dokter G) bij de vader de diagnose dementie
vastgesteld.
Bijstand door verweerder
2.9 Na het instellen van hoger beroep heeft mr. S de verdere behandeling van
de zaak aan verweerder overgedragen die zich op 28 juni 2022 bij het hof heeft gesteld
als advocaat van vader.
2.10 Op 1 juli 2022 heeft verweerder namens de vader bij de kantonrechter een
verweerschrift ingediend ten aanzien van het verzoek tot ondercuratelestelling. Hierin
is onder meer het volgende naar voren gebracht:
“7. Desondanks is de vader slechts gediagnostiseerd met een Mild Cognitive Impairment.
Sindsdien is bij de vader geen sprake van achteruitgang.
(…)
24. (…) Een persoon met MCI heeft soms problemen met het geheugen, maar kan nog
zo goed als normaal functioneren in het dagelijks leven.
25. Dat houdt In dat de vader in staat is om beslissingen in zijn leven te overzien.
Dat hij dit in overleg met zijn vriendin doet, of zijn vriendin daartoe opdracht geeft,
maakt dat niet anders. Dat is zijn keuze. Bovendien blijkt hieruit dat de man gewoonweg
wilsbekwaam is. Zijn geestelijke gezondheid is nog lang niet dusdanig slecht dat een
onderbewindstelling of een mentorschap noodzakelijk is, laat staan een ondercuratelestelling.
(…)
38. Zowel voor ondercuratelestelling als onderbewindstelling of het instellen van
mentorschap zijn zware maatregelen. Uit het verweerschrift blijkt dat deze maatregelen
op dit moment niet passend zijn. Het is niet nodig om in te grijpen in het zelfbeschikkingsrecht
van de vader.”
2.11 Bij e-mail van 4 juli 2022 heeft verweerder aan klaagster zijn verweerschrift
toegezonden. Als productie bij het verweerschrift heeft verweerder het hogerberoepschrift
van mr. S van 7 juni 2022 ingebracht en schrijft hij hierover het volgende:
“Productie 4: Beroepschrift d.d. 7 juni 2022 van de voormalige advocaat van de vader,
mr. S, die zich wegens belangenverstrengeling moest onttrekken uit de procedure. Ondertussen
heeft ondergetekende zich eveneens voor de beroepsprocedure gesteld.”
2.12 Op de zitting van de kantonrechter van 19 juli 2022 is het verzoek tot ondercuratelestelling
behandeld. Daarbij waren onder meer klaagster, de vader met verweerder aanwezig. De
kinderen (waaronder klaagster) hebben een pleitnota voorgedragen. De kantonrechter
heeft de vader in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de zitting op de
pleitnota van de kinderen te reageren.
2.13 Dat heeft verweerder op 16 augustus 2022 namens de vader gedaan. Hierin
reageert verweerder op de verschillende medische stukken en concludeert hij dat op
basis van deze medische informatie niet de conclusie kan worden getrokken dat de vader
niet in staat is zijn eigen belangen te behartigen en een ondercuratelestelling noodzakelijk
is. Hij verzoekt om de zaak voor de duur van twee maanden aan te houden tot dat het
rapport in een lopende second opinion is afgerond. Verder schrijft verweerder, voor
zover relevant:
“Thans is het de vader duidelijk dat het de kinderen om geld te doen, nu hij ten
tijde van de afspraak bij de bank op 3 maart 2022 nog wel goed genoeg was om het bedrag
te schenken, maar vervolgens -na kennisneming van het vermeende huwelijk- op 11 maart
2022 een provisioneel bewindvoerder is benoemd middels een verzoekschrift van 10 maart
[RvD: 8 maart] 2022. Tussen het bezoek aan de bank en het verzoekschrift zit slechts
een week.”
2.14 Op 2 september 2022 is in een second opinion onderzoek de diagnose dementie
bevestigd door een ouderengeneeskundige (dokter K). Hij rapporteert op 16 september
2022:
“Conclusie: Het betreft een 83 jarige man met cognitieve stoornissen in verschillende
domeinen die interfereren met zijn dagelijks functioneren. Het beeld past bij een
beginnende dementie, waarschijnlijk op basis van een mengbeeld (Alzheimer/vasculair).”
2.15 Bij beschikking van de kantonrechter van 21 september 2022 is de vader onder
curatele gesteld en is er een curator benoemd. Op 23 september 2022 heeft (onder andere)
klaagster aan verweerder verzocht het beroep tegen het provisioneel bewind in te trekken,
aangezien het provisioneel bewind niet meer relevant is omdat er een onafhankelijke
curator is benoemd.
2.16 Op 21 december 2022 heeft verweerder bij het hof een beroepschrift ingediend
tegen de beschikking van 21 september 2022, waarbij een curator is benoemd.
2.17 Op 5 januari 2023 heeft medisch adviseur, dokter T, bij de vader opnieuw
de diagnose dementie bevestigd. Hij schrijft op 6 januari 2023, voor zover relevant:
“Ondergetekende verklaart (…) van oordeel te zijn dat [de vader] gelet op zijn geestelijke
toestand blijvend niet in staat wordt geacht zijn financiële en persoonlijke zaken
en belangen zelfstandig naar behoren te behartigen. Mede gelet op het progressieve
verloop van de psychogeriatrische stoornissen en beperkingen wordt de reeds ingestelde
curatele objectief medisch ondersteund.”
2.18 Op 24 januari 2023 heeft verweerder een brief aan het hof gestuurd waarin
hij de partner van de vader (mevrouw P) aanwijst als de curator van de vader.
2.19 Op 25 januari 2023 heeft een zitting bij het hof plaatsgevonden.
2.20 Bij beschikking van het hof van 28 februari 2023 is het provisioneel bewind
bevestigd en bij tweede beschikking van het hof van 28 februari 2023 is de ondercuratelestelling
bevestigd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft de dementie van de vader ontkend en aangevochten, waarbij
de (medische) gegevens van de vader zijn genegeerd en verdraaid. Zo zijn de bevindingen
van de casemanager dementie, de neuroloog, de specialist ouderengeneeskunde en de
medisch adviseur door verweerder genegeerd en aangevochten;
b) verweerder heeft op basis van onwaarheden (i) beroep ingesteld tegen het provisioneel
bewind, (ii) de bodemprocedure gevoerd, en (iii) beroep ingesteld tegen de ondercuratelestelling.
Verweerder heeft de door deskundigen geconstateerde kwetsbaarheid en cognitieve achteruitgang
van de vader betwist en heeft bij het instellen van beroep tegen de ondercuratelestelling
het second opinion-onderzoek van 2 september 2022, waarin de diagnose dementie bij
de vader van klaagster opnieuw is bevestigd, genegeerd;
c) verweerder heeft genegeerd dat de 83-jarige vader afhankelijk is en onder
grote invloed staat van zijn 46-jarige buitenlandse vriendin, die met de vader wil
trouwen en met de vader op huwelijksreis naar Indonesië wil. Verweerder heeft niet
de belangen van de dementerende vader behartigd, maar de belangen van de vriendin
van de vader;
d) verweerder heeft verzuimd contact op te nemen met klaagster/provisioneel bewindvoerders,
voordat verweerder in hoger beroep ging tegen het provisioneel bewind. Verweerder
heeft geen enkele poging ondernomen om met de drie kinderen van de vader in gesprek
te gaan en te komen tot een minnelijke oplossing, maar de vader en de kinderen juist
lijnrecht tegenover elkaar geplaatst;
e) verweerder heeft verzuimd de curator (de wettelijke vertegenwoordiger van
vader) in te lichten over zijn voornemen in beroep te gaan tegen de ondercuratelestelling.
Verweerder heeft de curator niet in kennis gesteld van de inhoud van zijn beroepschrift,
waarin hij de dementie van vader opnieuw ontkent en aanvecht (ondanks het recente
second opinion-onderzoek, waarin de dementie van vader opnieuw is bevestigd);
f) verweerder heeft bepleit (i) dat de vader nog bekwaam zou zijn, (ii) dat klaagster
ten onrechte de beschermingsmaatregel voor haar vader zou hebben aangevraagd, (iii)
om de vader met zijn vriendin te laten trouwen, (iv) de vriendin van de vader als
curator aan te wijzen;
g) verweerder heeft zich kwetsend en met onwaarheden uitgelaten over klaagster
en daarmee de belangen van klaagster geschaad. Verweerder heeft de band tussen vader
en kinderen, die hun vader immer in zorg en zaken hebben bijgestaan, geschaad;
h) verweerder heeft de belangen van de dementerende vader geschaad. Het was immers
de wens van vader dat zijn kinderen de zaken en de zorg voor hem op zich zouden nemen
op het moment dat de vader daar zelf niet meer toe in staat zou zijn. Vader heeft
psychisch en lichamelijk geleden onder de door verweerder ingestelde procedures;
i) verweerder heeft zeer polariserend en escalerend opgetreden in een precaire
familiesituatie, waarin kinderen de moeilijke beslissing hebben moeten nemen om een
beschermingsmaatregel aan te vragen voor hun dementerende vader;
j) verweerder heeft met zijn werkwijze een eerlijke rechtsgang voor de vader
en kinderen belemmerd;
k) verweerder heeft als advocaat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid,
deskundigheid en integriteit geschonden;
l) verweerder heeft de volgende gedragsregels van de advocatuur geschonden. gedragsregel
1: Beroepsplichten, gedragsregel 2: Onafhankelijkheid, gedragsregel 5: Minnelijke
oplossing, gedragsregel 6: Doelmatigheid, gedragsregel 7: Geen ongepaste uitlatingen,
gedragsregel 8: Geen onjuiste informatie, gedragsregel 12: Zorgvuldigheid, gedragsregel
15: Belangenverstrengeling, gedragsregel 16: Informatieplicht, gedragsregel 20: Eerlijk
proces;
m) verweerder heeft: a. zich onnodig grievend uitgelaten over de wederpartij
b. feiten geponeerd waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen c.
de belangen van de wederpartij onnodig en onevenredig geschonden zonder redelijk doel
d. niet de belangen van vader behartigd, maar de belangen van vaders vriendin;
n) advocaten zoals verweerder, die medische verklaringen betreffende dementie
betwisten/verdraaien/negeren en juridische procedures starten om zogenaamd in het
belang van hun cliënt de dementie aan te vechten, maken misbruik van hun positie als
advocaat en maken zich schuldig aan ouderenmisbruik ten behoeve van hun eigen portemonnee.
Een dementerende is niet geholpen met het ontkennen van zijn dementie.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen
daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Aanbod klaagster indiening aanvullende stukken
5.3 Klaagster heeft ter zitting aangeboden aanvullend bewijs toe te zenden als
de raad dat nodig acht. De raad overweegt het volgende. Het is aan klaagster om haar
tuchtklacht voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en dit met bewijs te onderbouwen,
zodat de tuchtrechter de feiten die zij aan de klacht ten grondslag legt, kan vaststellen
en beoordelen. Daarbij is het de verantwoordelijkheid van klaagster om een selectie
van bewijsstukken aan te leveren die volgens haar relevant zijn voor de beoordeling
van de klacht. De raad heeft een toetsende rol en vraagt niet op eigen initiatief
stukken op.
De klachtonderdelen
5.4 De raad stelt vast dat de verwijten van klaagster aan het adres van verweerder
zijn weergegeven in de klachtonderdelen a) tot en met j) en n). De klachtonderdelen
k), l), en m) bevatten de juridische grondslag voor de schendingen, en geen verwijten
ten aanzien van verweerder. Met de klachtonderdelen k), l) en m) geeft klaagster aan
welke normen en kernwaarden verweerder zou hebben geschonden; zij bevatten geen concrete
verwijten en worden daarom niet zelfstandig beoordeeld.
Ontvankelijkheid
5.5 De raad zal eerst beoordelen of klaagster voor alle onderdelen van de klacht
ontvankelijk is. Hiervoor is relevant dat het klachtrecht niet in het leven is geroepen
voor iedereen, maar slechts voor degene die door het handelen of nalaten van een advocaat
rechtstreeks in zijn (of haar) belang is of kan worden getroffen. Als in het algemeen
belang een tuchtrechtelijke toetsing nodig is, kan de deken het klachtrecht uitoefenen.
5.6 De raad is van oordeel dat klaagster geen rechtstreeks eigen belang heeft
bij haar klachtonderdelen a), b), c), e), f), h), j), (voor zover het betreft de belemmering
van een eerlijke rechtsgang voor de vader) en n). Ter toelichting geldt het volgende.
5.7 Deze klachtonderdelen - op klachtonderdeel e) na - hebben betrekking op de
kwaliteit van verweerders bijstand aan de vader. Hoewel de raad begrip heeft voor
de persoonlijke betrokkenheid van klaagster als dochter, doet dit niet af aan het
feit dat zij in onderhavige tuchtprocedure de wederpartij van de vader is en de raad
haar rol als zodanig dient te beoordelen. Het staat verweerder vrij om de belangen
van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem in samenspraak met zijn cliënt
geraden voorkomt. Als wederpartij heeft klaagster geen bemoeienis hiermee en wordt
zij (als wederpartij) hierdoor niet rechtstreeks in haar belangen getroffen. Waar
klaagster zich in deze klachtonderdelen op het standpunt stelt dat verweerder bewust
onjuiste informatie heeft verkondigd (strijdig met gedragsregel 8) komt dit aan bod
bij de bespreking van klachtonderdeel g). Als verweerder de belangen van zijn dementerende
cliënt niet heeft behartigd op een wijze die van een redelijk bekwame en redelijk
handelend advocaat mag worden verwacht, dan is het aan de vader (eventueel met bijstand
van zijn curator) of aan de deken - als in het algemeen belang een tuchtrechtelijke
toetsing nodig wordt geacht - om het klachtrecht uit te oefenen. Dat betekent dat
klaagster niet-ontvankelijk is in deze klachtonderdelen.
5.8 Ook ter zake van klachtonderdeel e) is klaagster niet-ontvankelijk. In dit
klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij heeft verzuimd de curator (de wettelijke
vertegenwoordiger van vader) in te lichten over zijn voornemen in beroep te gaan tegen
de ondercuratelestelling. Klaagster wordt ook door dit handelen van verweerder niet
rechtstreeks in haar belang getroffen. Het gaat hier om het belang van de curator
en alleen de curator kan een klacht indienen over verweerder als hij vindt dat verweerder
zich jegens hem tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen.
Inhoudelijk beoordeling overige klachtonderdelen
Klachtonderdelen d) en i)
5.9 In deze klachtonderdelen verwijt klaagster verweerder dat hij heeft verzuimd
contact op te nemen met klaagster als provisioneel bewindvoerder, voordat hij in hoger
beroep ging tegen het provisioneel bewind. Verweerder heeft volgens klaagster verder
polariserend en escalerend opgetreden in een precaire familiesituatie waarin de kinderen
een moeilijke beslissing hebben moeten nemen om beschermingsmaatregelen aan te vragen
voor hun dementerende vader. Verweerder heeft geen enkele poging ondernomen om met
de drie kinderen van de vader in gesprek te gaan en te komen tot een minnelijke oplossing,
maar de vader en de kinderen juist lijnrecht tegenover elkaar geplaatst. Nadat de
kantonrechter op 21 september 2022 een onafhankelijke curator voor de vader had benoemd,
heeft (onder andere) klaagster aan verweerder verzocht het hoger beroep tegen het
provisioneel bewind in te trekken, aangezien dat bewind met de benoeming van de curator
niet meer van toepassing was. Verweerder weigerde echter het hoger beroep in te trekken.
Hij heeft in de rechtszaken de strijd en polarisatie opgezocht en geen enkele poging
ondernomen om te komen tot een minnelijke oplossing.
5.10 Deze klachtonderdelen slagen niet. Allereerst geldt dat, zoals ook door
verweerder is aangevoerd, niet verweerder maar zijn voorganger (mr. S) op 7 juni 2022
hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 11 maart 2022 waarbij klaagster
en haar broer tot provisioneel bewindvoerder zijn benoemd. Verweerder is pas daarna
(eind juni 2022) bijstand gaan verlenen aan de vader. Verweerder valt dan ook niet
te verwijten dat klaagster als provisioneel bewindvoerder niet voorafgaand aan het
instellen van hoger beroep is geïnformeerd. Voor wat betreft de overige verwijten
in deze klachtonderdelen geldt dat het de raad niet is gebleken dat verweerder polariserend
en escalerend heeft opgetreden. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat hij bij
de belangenbehartiging van zijn cliënt heeft getracht om de familieverhoudingen zo
min mogelijk op scherp te zetten. Op het moment dat verweerder de vader echter ging
bijstaan, waren de verhoudingen tussen de vader en zijn kinderen inmiddels al ernstig
verstoord. Dit was het gevolg van het feit dat de vader het volstrekt niet eens was
met het verzoek van de kinderen om hen tot provisioneel bewindvoerder te benoemen.
Dit beschouwde de vader als een onterechte inperking van zijn recht op zelfbeschikking.
Ook het feit dat het verzoek om provisioneel bewind mede gestoeld was op de stelling
dat sprake zou zijn van romantische fraude door de vriendin van de vader, heeft de
verhoudingen tussen de familieleden verder op scherp gesteld. De vader wilde hierdoor
niet meer in overleg met zijn kinderen. Dat verweerder daarin geen verandering heeft
kunnen brengen, valt hem niet te verwijten. Evenmin valt verweerder te verwijten dat
hij het hoger beroep tegen het provisioneel bewind niet op verzoek van klaagster heeft
ingetrokken. Verweerder kan en mag immers enkel gehoor geven aan instructies van zijn
eigen cliënt (de vader). Klachtonderdeel d) en i) zijn gelet op het voorgaande ongegrond.
Klachtonderdeel g)
5.11 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij zich onnodig
grievend en met onwaarheden over haar heeft uitgelaten en daarmee haar belangen heeft
geschaad. Verweerder heeft ook de band tussen de vader en de kinderen, die hun vader
in zorg en zaken hebben bijgestaan, geschaad. Klaagster heeft mede ter zitting toegelicht
dat zij het als kwetsend heeft ervaren dat verweerder in de onderliggende procedure
namens de vader heeft betoogd dat zij als de kinderen achter het geld van hun vader
aanzaten en dat zij bang waren dat zij bij het overlijden van de vader minder geld
zouden ontvangen dan waarop zij rekenden. Daarnaast heeft verweerder, volgens klaagster,
betoogd dat de kinderen, waaronder klaagster, de vriendin van de vader (mevrouw P)
ten onrechte afschilderden als geldwolf. Ook dit heeft klaagster als kwetsend ervaren.
Bovendien zijn al deze stellingen volgens klaagster onwaar. Tot slot heeft verweerder
in de onderliggende procedures onjuiste en misleidende informatie ingebracht over
de medische situatie van de vader.
5.12 Voor de verwijten in dit klachtonderdeel bieden de stukken onvoldoende basis.
Om te beginnen heeft niet verweerder maar zijn voorganger, mr. S, in het hoger beroepsschrift
van 7 juni 2022 namens de vader betoogd dat de kinderen zijn partner ten onrechte
afschilderden als geldwolf. Deze bewoordingen kunnen verweerder daarom niet aangerekend
worden. Dat verweerder zich aldus klaagster - door zich op 28 juni 2022 te stellen
als de advocaat van de vader - achter de inhoud van het hogerberoepschrift heeft geschaard,
betekent niet dat hij zich dan ook kan vinden in het taalgebruik van zijn voorganger.
Wel schrijft verweerder namens de vader in zijn reactie van 16 augustus 2022 aan de
kantonrechter dat het de vader thans duidelijk is dat het de kinderen om geld te doen
was. Tegen de achtergrond van onderliggende procedures en de wijze waarop klaagster
zich, op haar beurt, heeft uitgelaten over de vader en zijn partner - die onder meer
werd beschuldigd van romantische fraude - kwalificeren de door verweerder gebezigde
bewoordingen niet als onnodig grievend (en leveren daarmee geen schending op van gedragsregel
7). Het verwijt is zakelijk weergegeven en verwoordt het standpunt van de vader in
een procedure waarin voor de vader grote belangen op het spel stonden (namelijk zijn
recht op zelfbeschikking). Deze bewoordingen waren dan ook functioneel in het kader
van de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Dat verweerder verder bewust onjuiste
feiten heeft verkondigd in de onderliggende procedures over de medische situatie van
de vader (en daarmee in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld) is de raad evenmin
gebleken. Het stond verweerder vrij om het standpunt van zijn cliënt over zijn geestesvermogens
partijdig weer te geven. Dat klaagster het niet eens is met de duiding van de medische
informatie door verweerder betekent niet dat verweerder (bewust) informatie heeft
verstrekt die onjuist is. Het feit dat partijen het oneens zijn met elkaar hierover
is inherent aan het geschil dat partijen verdeeld houdt. Het behoort niet tot de taak
van de tuchtrechter om in het onderliggende geschil een oordeel te geven. Klachtonderdeel
g) is ongegrond.
Klachtonderdeel j) (overig)
5.13 Klaagster verwijt verweerder dat hij met zijn werkwijze een eerlijke rechtsgang
voor de kinderen heeft belemmerd. Nu klaagster deze stelling niet heeft onderbouwd
en ook in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor
de juistheid van dit verwijt, is dit klachtonderdeel voor het overige ongegrond.
Klachtonderdelen k), l) en m)
5.14 Klachtonderdelen k), l) en m) bevatten, zoals gezegd, geen zelfstandige
verwijten aan het adres van verweerder. Deze klachtonderdelen behoeven daarom verder
geen bespreking.
Conclusie
5.15 De raad komt tot de slotsom dat de klachtonderdelen a), b), c), e), f),
h), j), (voor zover het betreft de belemmering van een eerlijke rechtsgang voor de
vader) en n) niet-ontvankelijk zijn en de klachtonderdelen d), g), i) en j (overig)
ongegrond zijn. Verweerder is in zijn bijstand aan de vader binnen de grenzen van
het betamelijke gebleven. Al hetgeen klaagster verder heeft gesteld, leidt de raad
niet tot een ander oordeel
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a), b), c), e), f), h), j), (voor zover het betreft
de belemmering van een eerlijke rechtsgang voor de vader) en n) niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen d), g), i) en j (overig) ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en D.V.A. Brouwer, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 oktober 2025