ECLI:NL:TADRAMS:2025:188 Raad van Discipline Amsterdam 25-329/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2025:188 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-10-2025 |
| Datum publicatie: | 16-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | 25-329/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is in alle klachtonderdelen ongegrond. Verweerder behartigde de belangen van de vrouw en hij mocht uitgaan van de informatie die hij van zijn cliënte had gekregen. Van een uitzonderingssituatie waarin hij de juistheid van deze informatie had moeten controleren, is naar het oordeel van de raad geen sprake. Ten aanzien van het verwijt van klager dat verweerder niet zou zijn ingegaan op een mediationvoorstel van de kinderrechter, overweegt de raad dat het aan de vrouw was om hier al dan niet gehoor aan te geven. Het niet ingaan op een mediationvoorstel, voor zover daar al sprake van was, kan verweerder in ieder geval niet worden verweten. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 13 oktober 2025
in de zaak 25-329/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. R.E. Jonen
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Amsterdam in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 15 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2443810/JS/AP
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 september 2025. Daarbij
waren klager en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager en zijn ex-partner (hierna: de vrouw) zijn verwikkeld in een familierechtelijk
geschil. Zij hebben samen een minderjarige zoon (hierna: de zoon) en een meerderjarige
dochter (hierna: de dochter).
2.3 Verweerder stond in dit geschil de vrouw bij.
2.4 Op 27 augustus 2024 heeft verweerder in een brief aan klager geschreven,
voor zover relevant:
“Tot mij heeft zich gewend [de vrouw]. Zij heeft mij verzocht haar belangen te behartigen
in de aanstaande echtscheidingsprocedure.
(…)
Cliënte bericht mij dat er helaas sprake is geweest van (ernstig) huiselijk geweld/mishandeling(en)
en dat zij van verschillende gedragingen van u aangifte heeft gedaan bij de politie.
Verder bericht cliënte mij dat er sprake zou zijn van middelengebruik en bezit door
u en of [de dochter]. Uiteraard levert dit een fysiek en emotioneel onveilige situatie
op en is een verder samenwonen onder een dak onhoudbaar geworden, Cliënte stelt zich
dan ook op het standpunt dat aan haar met [de zoon] het uitsluitend gebruik van de
echtelijke woning zou dienen toe te komen (…) Cliënte hoopt dat u hiermee instemt,
bij gebreke waarvan ik daartoe een verzoek voorlopige voorzieningen zal indienen bij
de rechtbank om ordemaatregelen vast te laten tellen die zullen gelden gedurende de
echtscheidingsprocedure.
(…)”
2.5 In een e-mailbericht van 30 augustus 2024 heeft klager aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“(…) Ik heb bij uw cliënte aangedrongen op het inschakelen van een echtscheidingsadvocaat
daar zij reeds enige tijd, wat ik noem, (zeer) verward gedrag vertoond, zoals ook
het geval was medio 2016, met een langdurige GGZ-opname onder dwang tot gevolg. Eerder
heb ik aan haar familie en beste vriend aangegeven dat uw cliënte naar verwachting
in een psychose beland is, echter ik ben niet gekwalificeerd om deze diagnose te stellen.
GGZ-instelling Arkin heeft bij haar laatste consult, 9 juli 2024, de diagnose gesteld
dat uw cliënte weer extreem bipolair gedrag vertoond, zo spoedig mogelijk haar medicijnen
(Lithium en slaappillen) moet gaan slikken en een leven met rust en regelmaat moet
gaan leiden, met minimaal 8 uur ononderbroken slaap per nacht. Conflicten, stress
en prikkels moeten volledig vermeden. (…)
Ik stel vast dat u wel reeds gestart bent met het aanvragen van een voorlopige voorziening.(…)
Om verdere escalatie in de gezinssituatie te voorkomen en uw cliënte niet verder
te belasten met ongewenste prikkels stel ik voor dat we de gang naar de rechter zo
lang mogelijk uitstellen en alles in harmonie trachten te voorzien van goede regelingen,
ook wat betreft de woning waar onze twee kinderen nu naar volle tevredenheid wonen.
(…)”
2.6 Verweerder heeft hierop per brief van 3 september 2024 gereageerd met, voor
zover relevant:
“(…) Ik constateer en betreur dat uw reactie voor een zeer groot deel uit beschadigende
en onjuiste diskwalificaties van cliënte bestaat. Het woord GGZ komt 13 keer voor
in uw tekst, en verward(e) 9 keer en vals 5 keer. Dit is niet constructief, mede omdat
u daaraan geen herkenbaar rechtsgevolg verbindt. Het diskwalificeren van de andere
echtgenoot betekent tevens het diskwalificeren van de kinderen die immers voor 50%
bestaan uit de moeder. Ik mag voorstellen dat onze communicatie strikt zakelijk blijft,
zoals u zelf schrijft bent u niet gekwalificeerd om diagnoses te stellen.(…)”
2.7 Op 4 september 2024 heeft verweerder namens de vrouw een verzoekschrift tot
echtscheiding ingediend bij de rechtbank Amsterdam.
2.8 Op 3 en op 30 december 2024 heeft verweerder namens de vrouw aanvullende
verzoekschrift met nevenvorderingen ingediend.
2.9 Op 25 december 2024 heeft de vrouw de dochter de toegang tot de woning ontzegd.
2.10 Bij e-mail van 27 december 2024 heeft klager aan de vrouw- met verweerder
in cc het volgende bericht gestuurd, voor zover relevant:
“(…)
Vorige week heeft kinderrecht (…) ons zeer vermanend toegesproken en ons verzocht
om op heel korte termijn een mediationtraject in te gaan voor het welzijn van onze
kinderen. Contrair op het verzoek van kinderrechter (…) heb je eerste kerstdag, tijdens
mijn kerstdiner met de kinderen, per whatsapp je kinderen op straat gezet hebt, de
sloten van mijn huis zonder enig overleg vervangen en een reiskoffer van [de dochter]
buitengezet. Ik heb hierdoor weer de politie op bezoek gehad en de GGD heeft telefonisch
contact met me opgenomen. De politie heeft helaas weer een melding moeten maken bij
Veilig Thuis en Jeugdzorg. Het lijkt alsof de woorden van [de kinderrechter] niet
echt tot je zijn doorgedrongen.
(…)
Tot slot, ik stuur deze e-mail ook in cc naar jouw advocaat in de hoop dat deze
met jou in overleg wil treden om de belangen en het welzijn van onze kinderen met
je te bespreken.”
2.11 In een e-mailbericht van 30 december 2024 heeft verweerder aan klager het
volgende bericht gestuurd, voor zover relevant:
“(…) Cliënte bericht mij dat u haar op 23 december 2024 fysiek heeft aangevallen
in haar eigen woning. U bent haar dreigend achterna gerend nadat zij per ongeluk een
kunstvoorwerp heeft laten vallen, waarna u haar heeft klem gedrukt tegen de muur van
de trap en haar bij de keel hebben gegrepen en deze zou hebben willen dichtknijpen.
(…) Cliënte bericht mij dat het zeer regelmatig voorkomt dat u en/of [de dochter]
op maandagen en dinsdagen agressief zijn en zij heeft het vermoeden dat dit voortkomt
uit het regelmatige middelenmisbruik in de weekenden.
(…)
Vervolgens worden ook nog de kinderen in deze scheidingscontext betrokken door uw
handelen. (…) Cliënte heeft niet haar eigen kinderen op straat gezet zoals u stelt.
Zij heeft (…) (uw meerderjarige dochter) verzocht tijdelijk in uw huurwoning te gaan
wonen. Reden hiervoor is het blijvende middelenmisbruik van [de dochter]. Cliënte
accepteert niet dat in de woning drugs worden gebruikt en [de dochter] weigert vooralsnog
zich aan deze regel te houden. Reden waarom zij voorlopig beter bij u kan verblijven,
te meer omdat u zelf geen bezwaar lijkt te hebben tegen het gebruikt van verdovende
middelen door [de dochter] en [de dochter] haar moeder dit verbod verwijt. Cliënte
bericht mij verder dat [de dochter] haar persoonlijke eigendommen en alles wat zij
nodig heeft voor haar studie in haar bezit heeft.
(…)”
2.12 Op 31 december 2024 heeft klager per e-mail op voornoemd bericht gereageerd
met, voor zover relevant:
“Ik hecht er allereerst aan om u de werkelijke gang van zaken te schetsen van het
incident op 23 december 2024. (…) Op niets gebaseerd relateert u de twee incidenten
aan drugsgebruik. (…) Ik heb u eerder geschreven dat uw cliënte in 2016 en op 9 juli
2024 door Arkin gediagnosticeerd is als leidend aan een zware bipolaire stoornis.
Het afgelopen half jaar hebben mijn kinderen en ik daar geen enkele verbetering in
zien komen. Uw cliënte heeft dringend haar medicatie nodig en mijn dochter heeft haar
daar ook herhaaldelijk op gewezen. Daar u lijkt te twijfelen aan de door Arkin gestelde
diagnose stuur ik u later vandaag via whatsapp twee van haar verwarde optredens voor
de deurbel. Het zou goed zijn als uzelf ook in contact treedt met Arkin. (…)
Tot slot stel ik vast dat u, als haar advocaat, haar geestelijke verwardheid volkomen
negeert en haar adviezen geeft die niet passend zijn voor verwarde mensen, tevens
schaadt u de belangen van haar kinderen. U schendt hiermee uw beroepscode. Naar aanleiding
van uw e-mail van 30 december 2024 zal ik dit aanhangig maken bij de deken.”
2.13 Op 20 januari 2025 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij
de deken.
2.14 Op 18 februari 2025 is de dochter een kortgedingprocedure tegen de vrouw
gestart om te worden toegelaten tot de ouderlijke woning.
2.15 Bij vonnis van 25 februari 2025 zijn de vorderingen van de dochter toegewezen.
2.16 Op 12 maart 2025 heeft klager bericht ontvangen dat verweerder zich heeft
teruggetrokken als advocaat van de vrouw en dat de vrouw wordt bijgestaan door een
andere advocaat.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) ondanks het feit dat verweerder op de hoogte was van de gezondheidssituatie
van zijn cliënte (aangezien klager verweerder hier meerdere malen op heeft gewezen)
heeft verweerder hier niet naar gehandeld hetgeen ernstige gevolgen heeft voor klager
en de kinderen van klager en de ex-partner;
b) verweerder hanteert geen de-escalerende aanpak in het onderliggende familierechtelijke
geschil. Bij een dergelijke de-escalerende aanpak waren de kinderen niet uit huis
geplaatst en was de dochter geen kortgedingprocedure gestart;
c) verweerder heeft klager en de dochter ongefundeerd beschuldigd van verslavingen
in zijn e-mail van 30 december 2024.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor advocaten
geldt dat hun rol in beginsel een partijdige is en dat zij in principe alleen de belangen
van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat
in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten
mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden.
Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook
mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten
er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen
juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van
die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af
te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het
nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
5.3 Klager verwijt verweerder dat deze niet heeft gehandeld naar de instabiele
gezondheidstoestand waarin zijn cliënte verkeerde. Ondanks dat klager verweerder meermaals
had geïnformeerd over de manische ontremmingen van de vrouw en de al eerder bij haar
vastgestelde bipolaire stoornis, heeft verweerder hier niets mee gedaan. Dit heeft
ernstige gevolgen gehad voor de situatie van klager en de kinderen, aldus klager.
5.4 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder gemotiveerd toegelicht dat
zijn cliënte, de vrouw, stabiel op hem overkwam en dat er ook overigens geen aanleiding
voor verweerder bestond om aan haar gezondheidssituatie of wilsbekwaamheid te twijfelen.
De door klager genoemde stoornis werd door de vrouw betwist en deze stoornis is niet
door een deskundige bij haar gediagnosticeerd. Verweerder zag daarom geen redenen
om hierop door te vragen of op dit punt nader onderzoek te doen. Verweerder behartigde
de belangen van de vrouw en hij mocht uitgaan van de informatie die hij van zijn cliënte
had gekregen. Van een uitzonderingssituatie waarin hij de juistheid van deze informatie
had moeten controleren, is naar het oordeel van de raad geen sprake. Klachtonderdeel
a) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.5 Klager verwijt verweerder dat hij niet de-escalerend heeft opgetreden en
geen verantwoordelijkheid heeft genomen ten aanzien van de uithuisplaatsing van de
dochter. Een voorstel van de kinderrechter om mediation te starten is daarbij zonder
opgave van redenen door verweerder van de hand is gewezen.
5.6 De raad stelt vast dat verweerder de vrouw weliswaar bijstond in de kort
geding procedure tegen de dochter, maar uit niets blijkt dat verweerder (ook) enige
vorm van betrokkenheid zou hebben gehad bij het op 25 december 2024 uit huis zetten
van de dochter. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat de vrouw dit besluit op eigen
initiatief, en zonder contact hierover met verweerder, heeft genomen. Dat verweerder
hierin wel een rol zou hebben gespeeld, heeft klager niet onderbouwd. Evenmin is het
de raad gebleken dat verweerder op enige andere wijze het geschil tussen partijen
(al dan niet ter zitting) onnodig zou hebben laten escaleren.
5.7 Ten aanzien van het verwijt van klager dat verweerder niet zou zijn ingegaan
op een mediationvoorstel van de kinderrechter, overweegt de raad dat het aan de vrouw
was om hier al dan niet gehoor aan te geven. Het niet ingaan op een mediationvoorstel,
voor zover daar al sprake van was, kan verweerder in ieder geval niet worden verweten.
5.8 Gelet op het voorgaande is klachtonderdeel b) ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.9 In klachtonderdeel c) verwijt klager verweerder dat hij hem en de meerderjarige
dochter in een e-mailbericht van 30 december 2024 onterecht heeft beschuldigd van
een drugsverslaving.
5.10 De raad stelt vast dat verweerder in zijn e-mailbericht van 30 december
2024 onder meer heeft geschreven dat cliënte hem had bericht dat het zeer regelmatig
voorkwam dat klager (en de dochter) agressief waren en dat zij het vermoeden had dat
dit voortkwam uit middelengebruik. Ook heeft verweerder in dit bericht geschreven
dat klager “zelf geen bezwaar lijkt te hebben tegen het gebruik van verdovende middelen
door de dochter.” Naar het oordeel van de raad mocht verweerder dit, in zijn rol als
advocaat van de vrouw en ter behartiging van haar belangen, op deze manier opschrijven.
Dat er aanwijzingen voor verweerder bestonden dat de van zijn cliënte verkregen informatie
onjuist was, is de raad niet gebleken en klager heeft dit ook niet nader onderbouwd.
Verweerder heeft slechts opgeschreven wat hij van zijn cliënte had vernomen en hierin
valt hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
5.11 Klachtonderdeel c) is gelet op het voorgaande eveneens ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. D. Horeman en M. Kemmers, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 oktober 2025