ECLI:NL:TACAKN:2025:72 Accountantskamer Zwolle 25/64 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2025:72
Datum uitspraak: 01-12-2025
Datum publicatie: 01-12-2025
Zaaknummer(s): 25/64 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Betrokkene heeft de aangiften inkomstenbelasting (IB) voor klaagster verzorgd. Klaagster verwijt betrokkene dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting, dat hij de IB-aangiften 2016 en 2017 eerder had moeten indienen en dat hij de privacy van klaagster heeft geschonden. De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

ACCOUNTANTSKAMER

UITSPRAAK van 1 december 2025 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 31 december 2024 ontvangen klacht met nummer 25/64 Wtra AK van

X

wonende te [plaats1]

K L A A G S T E R

t e g e n

Y

accountant-administratieconsulent

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

1. De procedure

1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het aanvullend klaagschrift met bijlagen van 1 april 2025
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting door betrokkene overgelegde pleitaantekeningen.

1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 27 oktober 2025. Klaagster is verschenen. Betrokkene is ook verschenen.

2. De uitspraak samengevat

2.1. Betrokkene heeft de aangiften inkomstenbelasting (IB) voor klaagster verzorgd. Klaagster verwijt betrokkene dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting, dat hij de IB-aangiften 2016 en 2017 eerder had moeten indienen en dat hij de privacy van klaagster heeft geschonden. De Accountantskamer verklaart de klacht ongegrond.

3. De feiten

3.1. Betrokkene is sinds 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene was werkzaam bij [accountantskantoor1] te [plaats3] (hierna: het accountantskantoor). Met ingang van 1 januari 2020 is hij werkzaam bij de [overheidsorgaan1].

3.2. Klaagster is verpleegkundige en werkt als zzp-er.

3.3. Op 14 mei 2018 heeft klaagster het accountantskantoor opdracht gegeven voor het opstellen en indienen van haar aangiften inkomstenbelasting (IB) vanaf 2016. Betrokkene heeft de opdrachtbevestiging namens het accountantskantoor ondertekend.

3.4. Het accountantskantoor heeft de IB-aangiften 2016 en 2017 voor klaagster verzorgd. Deze zijn op respectievelijk 12 juli 2018 en 10 juli 2019 ontvangen door de Belastingdienst.

3.5. Bij brief van 3 juli 2019 heeft de Belastingdienst aan klaagster geschreven: ‘Ik heb de balanspositie van uw aangifte IH/VPB 2016 vergeleken met de ontvangen aangiften omzetbelasting en eventuele suppleties en aanslagen omzetbelasting. Het resultaat van deze vergelijking staat vermeld in onderstaand overzicht’. Klaagster is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

3.6. Betrokkene heeft bij brief van 16 juli 2019 namens klaagster gereageerd en aan de Belastingdienst een opgave van de nog af te dragen omzetbelasting verstrekt over de jaren 2014 t/m 2018. Betrokkene heeft onder meer aan de Belastingdienst geschreven dat klaagster in deze jaren in psychisch moeilijke omstandigheden verkeerde.

3.7. Op 9 oktober 2019 heeft de Belastingdienst, conform de brief van betrokkene van 16 juli 2019, aan klaagster meegedeeld dat haar over de jaren 2014 t/m 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting (btw) zal worden opgelegd van in totaal € 18.232. Ook staat in deze brief dat er, gelet op de verklaring van klaagster voor het afdrachtverschil in haar schriftelijke reactie van 16 juli 2019 en de (deels) vrijwillige verbetering, geen boete zal worden opgelegd.

3.8. De IB-aangifte 2018 en de gecorrigeerde IB-aangifte 2016 zijn op 2 november 2019 ontvangen door de Belastingdienst.

3.9. Betrokkene heeft op 7 november 2019 de Belastingdienst verzocht om uitstel van betaling van de naheffingsaanslag omzetbelasting en die naheffingsaanslag te verrekenen met de nog op te leggen IB-aanslagen 2016, 2017 en 2018, waaruit een teruggaaf voortvloeit van ongeveer € 20.000.

3.10. Klaagster heeft daarna vragen gesteld aan betrokkene en de vertrouwenspersoon van het accountantskantoor over (onder andere) de werkzaamheden van betrokkene en de relatiebeheerder van het accountantskantoor.

3.11. Betrokkene heeft zijn werkzaamheden voor klaagster op 25 november 2019 overgedragen aan een collega. Klaagster heeft op 10 december 2019 de opdracht aan het accountantskantoor beëindigd.

3.12. Op 30 december 2019 heeft mr. drs. [A] RB namens het accountantskantoor naar aanleiding van de klachten van klaagster aan haar bericht dat betrokkene en de relatiebeheerder geen steken hebben laten vallen. Ook heeft hij laten weten dat het accountantskantoor de IB-aangifte 2019 niet voor klaagster kan indienen, omdat zij te kennen heeft gegeven geen vertrouwen te hebben in de manier waarop het accountantskantoor haar belangen behartigt.

4. De klacht

4.1. Betrokkene heeft volgens klaagster gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

4.2. Klaagster heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij betrokkene het volgende verwijt:

1. betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting;

2. betrokkene had de IB-aangiften 2016 en 2017 eerder moeten indienen;

3. betrokkene heeft de privacy van klaagster geschonden.

5. De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1. Betrokkene heeft in de eerste plaats aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht, omdat de klacht niet tijdig dan wel onredelijk laat is ingediend.

5.2. De Accountantskamer overweegt dat met ingang van 1 januari 2019 een klachttermijn geldt van tien jaar na het moment van de verweten gedraging. De klacht is binnen deze termijn ingediend. Op grond van overgangswetgeving[1] geldt deze klachttermijn van tien jaar echter niet als de oude klachttermijn (die drie of zes jaar was) al vóór 1 januari 2019 was verstreken. Daarvan is in dit geval geen sprake. De klacht heeft immers betrekking op het handelen van betrokkene vanaf mei 2018, waardoor de drie- of zesjaarstermijn op 1 januari 2019 nog niet was verstreken. De klacht is daarom tijdig ingediend. Dat het voor betrokkene niet duidelijk is waarom klaagster meer dan vijf jaar heeft gewacht met het indienen van haar klacht, maakt dat niet anders en is overigens ook niet relevant.

5.3. Ook het verweer van betrokkene dat hij zich niet adequaat tegen de klacht kan verweren, omdat de gemaakte verwijten volgens hem onvoldoende individualiseerbaar zijn, wordt niet gevolgd. Uit het verweerschrift blijkt namelijk dat betrokkene wel degelijk heeft begrepen wat klaagster hem verwijt. In het verweerschrift is hij uitgebreid ingegaan op de klacht.

5.4. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren. Daarmee komt de Accountantskamer toe aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht. De Accountantskamer toetst het handelen of nalaten van betrokkene aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

Klachtonderdeel 1: betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting

5.5. Klaagster heeft aangevoerd dat betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag, terwijl zij daarvoor wel opdracht had gegeven. Klaagster heeft op 1 december 2019 zelf een bezwaarschrift ingediend bij de Belastingdienst.

5.6. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat klaagster hem geen opdracht heeft gegeven om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag. Volgens betrokkene heeft hij met klaagster afgesproken dat hij de Belastingdienst zou vragen om de aanslag te verrekenen met de teruggaven IB 2016 tot en met 2018, welk verzoek hij op 7 november 2019 aan de Belastingdienst heeft gedaan (zie 3.9). Daarbij heeft betrokkene erop gewezen dat hij niet om verrekening zou hebben verzocht als het de bedoeling was geweest om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag.

5.7. De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster, gelet op het gemotiveerde verweer van betrokkene, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij betrokkene opdracht heeft gegeven om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting. Daarbij is in aanmerking genomen dat klaagster geen stukken heeft overgelegd waaruit het bestaan van deze opdracht blijkt. Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene de opdracht had om bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag, kan hem niet worden verweten dat hij dat niet heeft gedaan. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2: betrokkene had de IB-aangiften 2016 en 2017 eerder moeten indienen

5.8. Klaagster heeft in dit verband naar voren gebracht dat betrokkene de IB-aangiften 2016 en 2017 eerder had moeten indienen bij de Belastingdienst, omdat zij dan geen heffingsrente had hoeven te betalen.

5.9. De Accountantskamer overweegt dat klaagster op de zitting heeft erkend dat zij geen concrete afspraken met betrokkene heeft gemaakt over het moment waarop de IB-aangiften uiterlijk moesten zijn ingediend. Gelet hierop en omdat de aangiften binnen de daarvoor geldende termijnen zijn ingediend bij de Belastingdienst, moet worden geconcludeerd dat betrokkene zijn werkzaamheden tijdig heeft uitgevoerd. Dat de aangiften mogelijk (nog) eerder ingediend hadden kunnen worden, betekent niet dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Anders dan klaagster kennelijk meent, heeft zij daardoor ook geen nadeel ondervonden. De IB-aangiften 2016 en 2017 hebben immers geleid tot een teruggaaf, waardoor zij over deze jaren geen heffingsrente hoefde te betalen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 3: betrokkene heeft de privacy van klaagster geschonden

5.10. Met betrekking tot dit klachtonderdeel heeft klaagster naar voren gebracht dat betrokkene haar privacy heeft geschonden, doordat hij in zijn brief van 9 juli 2019 aan de Belastingdienst heeft geschreven dat zij het psychisch moeilijk heeft gehad. Volgens klaagster is haar psychische toestand privacygevoelig en heeft de Belastingdienst daar niets mee te maken.

5.11. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij op 8 mei 2019 en 9 juli 2019 met klaagster heeft gesproken over de op te leggen naheffingsaanslag en dat hij haar tijdens deze gesprekken ook heeft gewezen op het boeterisico in verband met het niet tijdig melden van suppletie en het niet tijdig voldoen van de verschuldigde btw. Volgens betrokkene heeft hij met klaagster besproken dat het raadzaam is om richting de Belastingdienst omstandigheden te benoemen die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging of niet-oplegging van een boete. In dit verband heeft hij de psychische situatie van klaagster genoemd als verlichtende omstandigheid. Klaagster heeft toen niet gezegd dat zij niet wilde dat deze informatie met de Belastingdienst zou worden gedeeld. Verder heeft betrokkene erop gewezen dat de door hem gekozen aanpak succesvol is geweest en heeft geleid tot het niet-opleggen van boetes.

5.12. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene de privacy van klaagster niet heeft geschonden. Hiervoor is van belang dat betrokkene in zijn brief van 16 juli 2019 de psychische situatie van klaagster slechts in algemene bewoordingen heeft genoemd. Hij heeft alleen geschreven dat klaagster in de desbetreffende jaren in psychisch moeilijke omstandigheden verkeerde. Daar komt bij dat klaagster in elk geval de indruk heeft gewekt dat zij geen bezwaar had tegen het delen van deze informatie, doordat zij tijdens de gesprekken hierover niet tegen betrokkene heeft gezegd dat zij dat niet wilde. Het delen van de informatie was ook in haar eigen belang. Dat deze gesprekken volgens klaagster op een ander moment hebben plaatsgevonden, zoals zij op de zitting heeft verklaard, leidt niet tot een ander oordeel. Klaagster heeft de inhoud van deze gesprekken namelijk niet bestreden. Het klachtonderdeel is ongegrond.

5.13. De slotsom is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond zal worden verklaard.

6. De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. J.N. Bartels en mr. P. van der Stroom (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en C.M. Verdiesen AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. E.N.M. van de Beld, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

_________ __________

secretaris voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.

[1] Artikel 51 Wtra