ECLI:NL:TACAKN:2025:60 Accountantskamer Zwolle 24/4266 Wtra AK 25/1501 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2025:60 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-09-2025 |
| Datum publicatie: | 22-09-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht over het handelen van betrokkene in zijn nevenfunctie als lid c.q. voorzitter van een toezichthoudend orgaan van een stichting. Klager meent dat betrokkene in die rol niet in het algemeen belang heeft gehandeld noch in het belang van de stichting en daarmee als accountant is tekortgeschoten in de uitoefening van deze functie. De Accountantskamer verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk omdat de gedragingen waarover wordt geklaagd meer dan tien jaar voor de datum waarop de klacht is ingediend hebben plaatsgevonden. De klacht is voor het overige ongegrond. Niet gebleken is dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 22 september 2025 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 11 december 2024 ontvangen klacht met nummer 24/4266 Wtra AK en de op 22 mei 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1501 Wtra AK van
X
wonende te [plaats1]
K L A G E R
t e g e n
drs. Y
registeraccountant
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. M.W. Renzen te Rotterdam
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen
- het verweerschrift met bijlagen
- de brief van klager met bijlagen d.d. 21 mei 2025
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 30 juni 2025. Klager is in persoon verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door mr. M.W. Renzen.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Deze klacht gaat over het handelen van betrokkene in zijn nevenfunctie als lid c.q. voorzitter van een toezichthoudend orgaan van een stichting. Klager meent dat betrokkene in die rol niet in het algemeen belang heeft gehandeld noch in het belang van de stichting en daarmee als accountant is tekortgeschoten in de uitoefening van deze functie.
De beslissing van de Accountantskamer.
2.2. De Accountantskamer verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk omdat de gedragingen waarover wordt geklaagd meer dan tien jaar voor de datum waarop de klacht is ingediend hebben plaatsgevonden. De klacht is voor het overige ongegrond. Niet gebleken is dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds [datum] 1999 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is werkzaam bij de [overheidsinstantie1]. In zijn vrije tijd beoefent betrokkene de schietsport. Hij is lid van de [vereniging1] (hierna: [vereniging1]). Daarnaast is hij lid van de bestuursraad van de [stichting1] te [plaats1] (hierna: [stichting1]). De bestuursraad fungeert binnen de [stichting1] als raad van toezicht. Van juni 1992 tot april 2019 is betrokkene voorzitter geweest van de bestuursraad. Dit was een onbezoldigde functie.
3.2. Tot 1948 was [vereniging1] eigenaar van een schietbanencomplex. Dat complex heeft [vereniging1] toen om niet overgedragen aan de voor het beheer van de schietbanen opgerichte [stichting1]. Als tegenprestatie kreeg [vereniging 1] het recht om op overeen te komen tijden om niet te mogen schieten. De in 1948 door [stichting1] verworven schietbanen zijn niet langer in gebruik. Wel is een ander schietbanencomplex in gebruik genomen. In 1979 is voor het eerst een overeenkomst tussen [stichting1] en [vereniging1] tot stand gekomen waarin is vastgelegd dat [vereniging 1] huur verschuldigd is voor het gebruik van de schietbanen van [stichting1]. In 2018 is een nieuwe huurovereenkomst tussen [stichting1] en [vereniging 1] tot stand gekomen.
3.3. [stichting1] verhuurt het schietbanencomplex aan meerdere huurders waaronder [vereniging 1]. De huurprijzen zijn op individuele basis per huurder overeengekomen. Tussen [stichting1] en een aantal huurders is een conflict ontstaan doordat zij menen dat [vereniging1] bevoordeeld wordt ten opzichte van hen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een aantal gerechtelijke procedures tot in hoger beroep waarin het Gerechtshof te Den Haag (hierna: het gerechtshof) op 25 maart 2025 uitspraak heeft gedaan. Het Gerechtshof heeft de beslissing in eerste aanleg, waarbij de vorderingen van de overige huurders waren afgewezen, bekrachtigd. Ook heeft het Gerechtshof geoordeeld dat niet is gebleken van een oogmerk van bevoordeling van [vereniging1].
3.4. Klager was tot voor kort lid van de schietvereniging [vereniging2]-[plaats1] (hierna: [vereniging2] [plaats1]), een van de schietverenigingen die een civielrechtelijke procedure was begonnen tegen [stichting1] en [vereniging1].
4. De klacht
4.1. Klager vindt dat betrokkene in zijn nevenfunctie als lid c.q. voorzitter van een toezichthoudend orgaan van een stichting niet in het algemeen belang heeft gehandeld noch in het belang van de stichting en daarmee als accountant is tekortgeschoten in de uitoefening van deze functie. Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.
4.2. Klager verwijt betrokkene in de klacht met nummer 24/4266 het volgende:
1. betrokkene heeft in de periode van 1992 tot 2000 de nieuwe bestuurders van [stichting1] en de externe accountants misleid door het bestaan van de in 1979 tussen [stichting1] en [vereniging1] gesloten overeenkomst voor hen verborgen te houden;
2. betrokkene heeft toegestaan dat valse facturen worden gebruikt en hij heeft toegestaan dat vermogen van [stichting1] wordt uitgekeerd aan [vereniging1];
3. betrokkene heeft op 28 februari 2023 bij de rechtbank Rotterdam niet volledig en naar waarheid verklaard;
4. betrokkene heeft in 2000 ten onrechte gememoreerd dat de winst van [stichting1] eigenlijk aan [vereniging1] uitgekeerd zou moeten worden;
5. betrokkene heeft in 2003 aanwijzingen gegeven over hoe een uitkering aan [vereniging1] in de jaarrekening van [stichting1] kan worden verantwoord zonder dat dit de externe accountant zou opvallen;
6. betrokkene heeft in 2015 de toenmalige penningmeester [A] niet volledig geïnformeerd;
7. betrokkene heeft ten onrechte de schuld van de verkeerde facturatie bij [overheidsinstantie2] bij derden neergelegd, terwijl betrokkene die onjuiste facturatie zelf heeft veroorzaakt door anderen te misleiden;
8. betrokkene heeft in strijd met de statuten de bestuursraad van [stichting1] ondertallig laten worden;
9. betrokkene heeft de bestuursraad van [stichting1] laten aanvullen met een lid dat een conflicterend belang heeft;
10. betrokkene heeft bewerkstelligd dat de bestuursraad van [stichting1] zonder hoor en wederhoor twee bestuursleden van [stichting1] heeft ontslagen;
11. betrokkene heeft de brief waarbij twee bestuursleden van [stichting1] zijn ontslagen ten onrechte niet naar de beide ontslagen bestuursleden laten sturen, maar enkel aan de overgebleven bestuursleden;
12. betrokkene heeft de huurovereenkomst tussen [stichting1] en [vereniging1] op 19 december 2018 ten onrechte mede ondertekend;
13. betrokkene heeft ten onrechte gesteld dat leden van andere schietverenigingen maar ergens anders moeten schieten, hij heeft ten onrechte bewerkstelligd dat de huur van deze andere verenigingen is opgezegd en hij heeft de uurtarieven van [vereniging1] ten onrechte niet laten aanpassen;
14. betrokkene is in strijd met de statuten van [stichting1] ten onrechte akkoord gegaan met een samenstellingsverklaring in plaats van een controleverklaring bij de jaarrekening 2021;
15. betrokkene was in strijd met het bepaalde in het Handelsregisterbesluit 2008 niet ingeschreven als toezichthouder bij de Kamer van Koophandel;
16. door het gedrag van betrokkene is in de periode van 1993 tot 2023 in totaal € 370.000 minder gefactureerd dan contractueel had gemoeten.
4.3. Klager heeft zich bij schrijven van 21 mei 2025 opnieuw tot de Accountantskamer gewend. De Accountantskamer heeft dit schrijven van klager aangemerkt als een nieuwe klacht en heeft daaraan het zaaknummer 25/1501 toegekend. Ter zitting heeft klager verklaard dat het niet zijn bedoeling was om met deze brief een nieuwe klacht in te dienen. Gelet op deze verklaring van klager oordeelt de Accountantskamer dat klagers schrijven van 21 mei 2025 ten onrechte als een nieuwe klacht is aangemerkt en zal die in deze uitspraak verder buiten bespreking laten.
5. De beoordeling
5.1. Klager legt aan zijn klacht een groot aantal gebeurtenissen en geschillen
ten grondslag die zich hebben afgespeeld binnen de [stichting1] en [vereniging1] en
terug te voeren zijn op het standpunt van klager dat betrokkene heeft bewerkstelligd
dat [vereniging1] ten onrechte is bevoordeeld boven andere schietverenigingen. Volgens
klager heeft betrokkene bij het uitvoeren van zijn nevenfunctie als lid van een toezichthoudend
orgaan de voor een accountant geldende gedrags- en beroeps geschonden. Deze gedragingen
van betrokkene zouden niet verenigbaar zijn met de titel van registeraccountant.
5.1.2. Betrokkene stelt dat het zijn van lid of voorzitter van de Bestuursraad
geen professionele dienst betreft. Onder professionele dienst wordt immers verstaan:
“werkzaamheden waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend”
en daarvan is volgens betrokkene geen sprake.Betrokkene heeft ter zitting echter verklaard
dat hij vanwege zijn kennis en vakbekwaamheid als accountant aan de bestuursraad verbonden
is. Anders dan betrokkene is de Accountantskamer daarom van oordeel dat betrokkenes
handelen in deze functie is aan te merken als een professionele dienst en dat betrokkene
zich daarbij moet houden aan alle fundamentele beginselen van de Verordening gedrags-
en beroepsregels accountants (VGBA).
5.1.3. In deze tuchtprocedure is het aan klager om zijn klachten over het handelen
c.q. nalaten van betrokkene aannemelijk te maken. Als de feiten en omstandigheden
voldoende aannemelijk zijn gemaakt, wordt van de accountant verwacht dat hij de klacht
gemotiveerd betwist en zijn betwisting waar mogelijk ook met stukken onderbouwt.
5.1.4. De feiten die klager aan zijn klacht ten grondslag legt, bestrijken zo’n
dertig jaren terwijl de Accountantskamer een klacht tegen een accountant niet in behandeling
neemt indien tussen het moment van het handelen of nalaten en het moment van indiening
van de klacht een periode van tien jaar is verstreken[1]. Dit is de wettelijke verjaringstermijn voor tuchtklachten tegen accountants, die
sinds 1 januari 2019 geldt. Voor 2019 gold een kortere termijn van zes jaar, met een
aanvullende eis dat de klacht binnen drie jaar na constatering van het handelen of
nalaten moest worden ingediend. Bij de invoering van de nieuwe termijn is overgangsrecht[2] van toepassing, wat betekent dat de oude termijnen nog steeds van toepassing kunnen
zijn in bepaalde gevallen.
De Accountantskamer zal bij de klachtonderdelen waar dat aan de orde is eerst bezien of de klacht ontvankelijk is en daarmee inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5.1.5. Betrokkene heeft zich tegen de klacht verweerd en onder meer aangevoerd dat klager geen belanghebbende is bij de klacht en - gedreven vanuit rancune - met zijn klacht misbruik maakt van het tuchtrecht voor accountants. De Accountantskamer ziet geen aanleiding voor de stelling van betrokkene dat moeten worden afgezien van een inhoudelijke behandeling vanwege misbruik van klachtrecht. Volgens vaste jurisprudentie[3] met betrekking tot het tuchtrecht ten aanzien van accountants is het niet relevant of de klager een persoonlijk belang heeft bij het indienen van een klacht, terwijl de handelwijze van de klager of de (gestelde) motieven voor het indienen van een klacht evenmin ter zake doen. Van misbruik van klachtrecht zal dan ook niet snel sprake zijn. Zoals in de Memorie van Toelichting bij de Wtra (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 397, nr. 3, blz. 9) ook is toegelicht, is de tuchtrechtspraak erop gericht in het algemeen belang een optimaal functioneren van de accountant te verzekeren door in individuele gevallen tegen inbreuken op de wettelijke bepalingen en de ambtsethiek op te treden. In dit uitgangspunt ligt, aldus de toelichting, besloten dat de tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in het algemeen belang. De enkele omstandigheid dat klager een klacht heeft ingediend over het handelen van betrokkene omdat hij en betrokkene gebrouilleerd zijn geraakt, maakt niet dat sprake is van misbruik van klachtrecht.
Klachtonderdeel 1:
Betrokkene heeft in de periode van 1992 tot 2000 de nieuwe bestuurders van [stichting1] en de
externe accountants misleid door het bestaan van de in 1979 tussen [stichting1] en [vereniging1]
gesloten overeenkomst voor hen verborgen te houden.
5.2. Het gestelde handelen van betrokkene waarover klager in dit klachtonderdeel
klaagt, heeft meer dan tien jaar voor de datum waarop de klacht is ingediend plaatsgevonden.
Klachtonderdeel 1 is daarom niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel 2:
Betrokkene heeft toegestaan dat valse facturen worden gebruikt en hij heeft toegestaan dat
vermogen van [stichting1] wordt uitgekeerd aan [vereniging1].
5.3.1. De Accountantskamer stelt vast dat wat klager betrokkene in dit klachtonderdeel verwijt grotendeels betrekking heeft op gedragingen die volgens klager hebben plaatsgevonden in de periode van 1992 tot en met 1999. Hiervoor geldt dat dit handelen meer dan tien jaar voor de datum waarop de klacht is ingediend heeft plaatsgevonden. In zoverre is dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk.
5.3.2. Voor zover dit klachtonderdeel ook betrekking heeft op gebeurtenissen die niet op grond van de tien-, zes- of driejaarstermijn zijn verjaard, overweegt de Accountantskamer dat betrokkene voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd dat hij (als toezichthouder) niet betrokken is geweest bij de facturatie door of namens [stichting1]. Klachtonderdeel 2, voor zover ontvankelijk, is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel 3:
Betrokkene heeft op 28 februari 2023 bij de rechtbank Rotterdam niet volledig en naar waarheid verklaard.
5.4.1. Dit klachtonderdeel heeft betrekking op een verklaring die betrokkene op 28 februari 2023 tijdens een zitting van de rechtbank Rotterdam in het kader van een civiele procedure heeft afgelegd. Betrokkene is toen samen met de statutair bestuurder van [stichting1] ter zitting verschenen.
5.4.2. Betrokkene heeft de stelling van klager dat hij tijdens de zitting op 28 februari 2023 een onjuiste en onvolledige verklaring heeft afgelegd gemotiveerd weersproken. Klager heeft daarna niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene niet naar waarheid dan wel onvolledig heeft verklaard. Klachtonderdeel 3 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4:
Betrokkene heeft in 2000 ten onrechte gememoreerd dat de winst van [stichting1] eigenlijk aan [vereniging1] uitgekeerd zou moeten worden.
5.5. Het gestelde handelen van betrokkene waarover klager in dit klachtonderdeel klaagt, heeft meer dan tien jaar voor de datum waarop de klacht is ingediend plaatsgevonden. Klachtonderdeel 4 is daarom niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel 5:
Betrokkene heeft in 2003 aanwijzingen gegeven over hoe een uitkering aan [vereniging1] in de jaarrekening van [stichting1] kan worden verantwoord zonder dat dit de externe accountant zou opvallen.
5.6. Het gestelde handelen van betrokkene waarover klager in dit klachtonderdeel klaagt, heeft meer dan tien jaar voor de datum waarop de klacht is ingediend plaatsgevonden. Klachtonderdeel 5 is daarom niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel 6:
Betrokkene heeft in 2015 de toenmalige penningmeester [A] niet volledig geïnformeerd.
5.7. De Accountantskamer stelt vast dat klager in dit klachtonderdeel niet onderbouwt waarom betrokkene in 2015 gehouden zou zijn om [A] (hierna: [A]), als penningmeester van [stichting1], bepaalde informatie te verschaffen. Ook is niet concreet toegelicht welke informatie aan [A] zou zijn onthouden. Nu dit klachtonderdeel niet concreet door klager is onderbouwd en bovendien gemotiveerd is betwist door betrokkene, kan dit niet slagen. Klachtonderdeel 6 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 7:
Betrokkene heeft ten onrechte de schuld van de verkeerde facturatie bij [overheidsinstantie2] bij derden neergelegd, terwijl betrokkene die onjuiste facturatie zelf heeft veroorzaakt door anderen te misleiden.
5.8.1. In het klaagschrift heeft klager toegelicht dat in het contract met het [overheidsinstantie2] een bepaalde component tot 2016 ten onrechte niet was geïndexeerd. Volgens klager heeft betrokkene de schuld hiervan ten onrechte bij anderen gelegd hoewel hij deze fout zelf heeft veroorzaakt.
5.8.2. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene het in dit klachtonderdeel aan hem gemaakte verwijt gemotiveerd heeft betwist. Zo heeft hij erop gewezen dat hij als voorzitter van de bestuursraad niet betrokken was bij de facturaties dan wel bij de controle daarop. Nu klager dit klachtonderdeel na dit verweer niet nader heeft onderbouwd, kan dit niet slagen. Klachtonderdeel 7 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 8:
Betrokkene heeft in strijd met de statuten de bestuursraad van [stichting1] ondertallig laten worden.
5.9.1. Artikel 9, zesde lid, van de statuten van [stichting1] bepaalde, in de periode waarop de klacht betrekking heeft, dat de bestuursraad uit minstens 15 leden diende te bestaan. Hieraan werd tot 2018 niet voldaan.
5.9.2. De Accountantskamer stelt voorop dat het bij de beoordeling van een klacht over het handelen van een accountant als lid van een toezichthoudend orgaan, zoals de bestuursraad van [stichting1], gaat om het individuele handelen van de betrokken accountant. Het enkele gegeven dat de samenstelling van de bestuursraad op een bepaald onderdeel niet in overstemming was met de statuten is op zichzelf genomen onvoldoende voor gegrondverklaring van deze klacht.
5.9.3. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij zich er als voorzitter van de bestuursraad van bewust was dat niet werd voldaan aan het volgens de statuten minimaal vereiste aantal leden van de bestuursraad. Hij en de overige leden van de bestuursraad meenden aanvankelijk dat 15 of meer leden niet goed werkbaar was. Toen in 2018 bleek dat het met het oog op besluitvorming door de bestuursraad nodig was om te voldoen aan het minimaal volgens de statuten vereiste aantal leden, zijn hiertoe stappen gezet wat ertoe heeft geleid dat weer aan dit vereiste werd voldaan.
5.9.4. De Accountantskamer is van oordeel dat het gegeven dat betrokkene, als voorzitter van de bestuursraad, niet eerder dan in 2018 stappen heeft gezet om te voldoen aan het op grond van de statuten minimaal vereiste aantal leden onvoldoende is voor het oordeel dat hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. In dit verband is van belang dat betrokkene, toen hij zich ervan bewust werd dat het met het oog op besluitvorming door de bestuursraad nodig was dat voldaan werd aan het minimaal vereiste aantal leden, met de nodige voortvarendheid de benodigde stappen heeft gezet om hieraan alsnog te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat de ondertalligheid voor 2018 in de weg heeft gestaan aan het effectief functioneren van de bestuursraad. Klachtonderdeel 8 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 9:
Betrokkene heeft de bestuursraad van [stichting1] laten aanvullen met een lid dat een conflicterend belang heeft.
5.10.1. Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de benoeming van [B] (hierna: [B]) als lid van de bestuursraad van [stichting1], in 2019. [B] was van 1995 tot 1999 penningmeester van [stichting1]. Ook was hij lid van het bestuur van [vereniging1].
5.10.2. De Accountantskamer overweegt dat voor wat betreft [B] geen sprake was van benoeming in een functie die op grond van de statuten van [stichting1] onverenigbaar was met een andere functie die hij vervulde. Dat [B] ooit penningmeester is geweest van [stichting1] en dat hij tevens bestuurslid was van [vereniging1] hoefde voor betrokkene, als voorzitter van de bestuursraad, geen aanleiding te vormen om de stappen te zetten om deze benoeming te voorkomen. Zonder nadere motivering die evenwel niet door klager is gegeven is klachtonderdeel 9 daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 10:
Betrokkene heeft bewerkstelligd dat de bestuursraad van [stichting1] zonder hoor en wederhoor twee bestuursleden van [stichting1] heeft ontslagen.
5.11.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de bestuursraad van [stichting1] op 2 november 2018 twee bestuursleden heeft ontslagen zonder dat deze bestuursleden voorafgaand aan het ontslag zijn gehoord.
5.11.2. Zoals de Accountantskamer hiervoor al heeft overwogen, gaat het bij de beoordeling van een klacht over het handelen van een accountant als lid van een toezichthoudend orgaan, zoals de bestuursraad van [stichting1], om het individuele handelen van de betrokken accountant. Betrokkene heeft ter zitting van de Accountantskamer toegelicht dat hij de avond voorafgaand aan de vergadering van de bestuursraad op 2 november 2018 nog heeft gesproken met [C] (hierna: [C]), een van de twee ontslagen bestuursleden. Betrokkene heeft verklaard dat hem tijdens dat gesprek is gebleken dat sprake was van fundamenteel verschil van inzicht en dat geen beweging mogelijk was. Ook heeft hij verklaard dat de mogelijkheid dat dit zou kunnen leiden tot het ontslag van [C] als bestuurslid tijdens dit gesprek ter sprake is gekomen. Verder heeft betrokkene erop gewezen dat van de bestuursraad drie juristen, waaronder een advocaat, deel uitmaakten. Deze juristen zagen geen bezwaar in de wijze van ontslag van de beide bestuursleden, op welke juridische beoordeling betrokkene, met zijn expertise op dat moment, af mocht gaan. De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene onder deze specifieke omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het niet horen van de beide bestuursleden voorafgaand aan het ontslag.
5.11.3. Klager heeft bij dit klachtonderdeel gewezen op een in 2020 gewezen vonnis van Rechtbank Rotterdam naar aanleiding van een juli 2019 genomen ontslagbesluit ten aanzien van een ander bestuurslid. De rechtbank heeft dat ontslagbesluit vernietigd vanwege het niet voldoen aan de hoorplicht, maar dat leidt niet tot een ander oordeel ten aanzien van het handelen door betrokkene. Betrokkene was op 2 november 2018 niet bekend met dit later gewezen vonnis.
5.11.4. De Accountantskamer is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat klachtonderdeel 10 ongegrond is.
5.11.5. Ten overvloede overweegt de Accountantskamer, ter voorlichting van de beroepsgroep, dat het oordeel naar aanleiding van dit klachtonderdeel niet betekent dat de Accountantskamer niet langer vasthoudt aan haar eerdere jurisprudentie over het horen van een persoon die wordt ontslagen dan wel op non-actief wordt gesteld (ECLI:NL:TACAKN:2022:7, i.h.b. rechtsoverweging 4.11). In de onderhavige zaak leiden de specifieke omstandigheden zoals eerder benoemd de Accountantskamer tot het oordeel dat betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt van het niet horen voorafgaand aan het ontslag.
Klachtonderdeel 11:
Betrokkene heeft de brief waarbij twee bestuursleden van [stichting1] zijn ontslagen ten onrechte niet naar de beide ontslagen bestuursleden laten sturen, maar enkel aan de overgebleven bestuursleden.
5.12.1. Vaststaat dat de brief waarbij de twee bestuursleden op 2 november 2018 zijn ontslagen in eerste instantie alleen naar het bestuur van [stichting1] is gestuurd. Op hun verzoek is alsnog een kopie van de ontslagbrief toegezonden aan de beide bestuursleden. Betrokkene heeft op 8 november 2018 schriftelijk zijn excuses aangeboden voor deze gang van zaken.
5.12.2. De Accountantskamer kan betrokkene volgen in zijn verweer dat het niet direct (laten) toesturen van een afschrift van de ontslagbrief aan de beide ontslagen bestuursleden een omissie was. Deze omissie is destijds binnen een week hersteld en betrokkene heeft zijn excuses gemaakt. Van een tuchtrechtelijk relevant verwijt is naar het oordeel van de Accountantskamer geen sprake. Klachtonderdeel 11 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 12:
Betrokkene heeft de huurovereenkomst tussen [stichting1] en [vereniging1] op 19 december 2018 ten onrechte mede ondertekend.
5.13.1. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene de tussen [stichting1] en [vereniging1] gesloten huurovereenkomst van 19 december 2018 als voorzitter van de bestuursraad mede heeft ondertekend.
5.13.2. Klager verwijt betrokkene dat hij door de ondertekening van die huurovereenkomst valsheid in geschrifte heeft gepleegd doordat afspraken in een eerdere overeenkomst uit 1979 niet zijn nageleefd.
5.13.3. De Accountantskamer overweegt dat de overeenkomst van 19 december 2018 de afspraken bevat die tussen [stichting1] en [vereniging1] zijn gemaakt. In deze overeenkomst zijn ook afspraken gemaakt over de beëindiging van lopende procedures tussen [stichting1] en [vereniging1]. Op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder e, van de statuten van [stichting1] was voorafgaande goedkeuring door de bestuursraad in dit geval vereist. Betrokkene heeft door het als voorzitter van de bestuursraad bijtekenen van de overeenkomst dan ook niet gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. Het door klager gemaakte verwijt dat sprake zou zijn van valsheid in geschrifte is voldoende weerlegd door betrokkene. Uit de beschikking van het gerechtshof van 25 maart 2025, waarbij de tegen [stichting1] ingestelde vorderingen zijn afgewezen, volgt dat organen van [stichting1] in het kader van de totstandkoming van de tussen [stichting1] en [vereniging1] gesloten overeenkomst van 19 december 2018 niet onrechtmatig hebben gehandeld. Klachtonderdeel 12 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 13:
Betrokkene heeft ten onrechte gesteld dat leden van andere schietverenigingen maar ergens anders moeten schieten, hij heeft ten onrechte bewerkstelligd dat de huur van deze andere verenigingen is opgezegd en hij heeft de uurtarieven van [vereniging1] ten onrechte niet laten aanpassen.
5.14.1. De Accountantskamer stelt vast dat dit klachtonderdeel drie verwijten ten aanzien van betrokkene bevat. De Accountantskamer zal deze drie verwijten hierna achtereenvolgens bepreken.
5.14.2. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel in het klaagschrift volgt dat betrokkene volgens klager op 18 oktober 2022, tijdens een zitting van de rechtbank Rotterdam, heeft verklaard dat leden van andere schietverenigingen maar ergens anders moeten schieten. Betrokkene heeft ontkend dat hij dit heeft verklaard. De Accountantskamer stelt vast dat uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Rotterdam niet volgt dat betrokkene iets dergelijks verklaard heeft. Dit verwijt mist dan ook feitelijke grondslag en slaagt daarom niet.
5.14.3. Ten aanzien van het verwijt van klager dat betrokkene heeft bewerkstelligd dat de huur van de andere schietverenigingen is opgezegd, overweegt de Accountantskamer dat de opzegging van de huur heeft plaatsgevonden door het bestuur van [stichting1] en niet door de bestuursraad. Betrokkene heeft onweersproken verklaard dat de bestuursraad eerst later van deze opzeggingen op de hoogte is gebracht. Dit verwijt slaagt daarom niet.
5.14.4. Ten aanzien van het verwijt dat betrokkene de uurtarieven van [vereniging1] niet heeft laten aanpassen, overweegt de Accountantskamer dat het laten aanpassen van de uurtarieven sowieso niet tot de bevoegdheden van betrokkene als lid van de bestuursraad behoorde zodat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Dit verwijt slaagt dan ook niet.
5.14.5. De Accountantskamer is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat klachtonderdeel 13 ongegrond is.
Klachtonderdeel 14:
Betrokkene is in strijd met de statuten van [stichting1] ten onrechte akkoord gegaan met een samenstellingsverklaring in plaats van een controleverklaring bij de jaarrekening 2021.
5.15.1. Artikel 13, tweede lid, van de uit 1999 daterende statuten van [stichting1] bepaalde dat bij het jaarverslag met balans en rekening van baten en lasten een accountantsverklaring diende te worden gevoegd. Het bestuur van [stichting1] meende aanvankelijk dat volstaan kon worden met een samenstellingsverklaring bij de jaarrekening 2021. Betrokkene, die op dat moment niet langer voorzitter, maar nog wel lid was van de bestuursraad, heeft hierop aangegeven dat volgens hem met de term ‘accountantsverklaring’ in de uit 1999 daterende statuten een controleverklaring wordt bedoeld. Vervolgens heeft het bestuur contact opgenomen met de accountant van [stichting1]. Uit de ontvangen offerte bleek dat de kosten voor een controle ruim € 24.000, exclusief btw, bedroegen. Omdat dit bedrag, gezien de jaaromzet van [stichting1], als onaanvaardbaar hoog werd beschouwd, is door het bestuur en de bestuursraad gezocht naar een andere oplossing. Aanvankelijk was het de bedoeling dat volstaan zou worden met een beoordelingsverklaring. Nadat een bestuurswisseling had plaatsgevonden en besloten was dat de statuten van [stichting1] zouden worden gewijzigd, is voor wat betreft de jaren 2022 volstaan met een beoordelingsverklaring. Op advies van de accountant van [stichting1] is voor wat betreft de jaarrekening 2021 volstaan met een samenstellingsverklaring.
5.15.2. De Accountantskamer stelt vast dat betrokkene wel degelijk heeft geacteerd naar aanleiding van het standpunt van het bestuur van [stichting1] dat volstaan kon worden met een samenstellingsverklaring bij de jaarrekening over 2021. Hij heeft erop gewezen dat met de in de statuten uit 1999 gebruikte term ‘accountantsverklaring’ mogelijk een controleverklaring is bedoeld. Dit heeft ertoe geleid dat gezocht is naar een oplossing die enerzijds recht zou doen aan de gewenste zekerheid zoals de bedoeling van de statuten zou kunnen zijn en anderzijds ook rekening werd gehouden met de kosten die hiermee gemoeid waren. In dat kader was een statutenwijziging nodig die het mogelijk maakte dat in het vervolg volstaan kon worden met een beoordelingsverklaring. Vanwege gewijzigde wetgeving was het echter niet mogelijk de statuten alleen op dit punt te wijzigen, maar was een algehele herziening van de statuten noodzakelijk, waardoor een en ander een langere doorlooptijd vergde. Daarbij was ook sprake van een bestuurswisseling. In deze omstandigheden acht de Accountantskamer het verdedigbaar dat betrokkene zich bij het standpunt van het bestuur heeft neergelegd en dat voor wat betreft 2021 volstaan werd met een samenstellingsverklaring. Klager voert ook aan dat sprake was van een fout in de jaarrekening. Betrokkene heeft toegelicht dat hij zich ervoor heeft ingespannen om die fout in de jaarrekening te laten herstellen, wat uiteindelijk is gebeurd door middel van een toelichtende paragraaf in de jaarrekening over 2023. Onder de gegeven omstandigheden heeft betrokkene al met al in voldoende mate geacteerd. Klachtonderdeel 14 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 15:
Betrokkene was in strijd met het bepaalde in het Handelsregisterbesluit 2008 niet ingeschreven als toezichthouder bij de Kamer van Koophandel.
5.16.1. Klager heeft in de toelichting op dit klachtonderdeel aangegeven, onder verwijzing naar de Handelsregisterbesluit 2008 (HRB), dat uit een uittreksel uit het handelsregister van 25 oktober 2024 blijkt dat betrokkene niet als toezichthouder bij [stichting1] stond ingeschreven. Hij heeft evenmin als zodanig ingeschreven gestaan.
5.16.2. Betrokkene is vanaf 1991 lid van de bestuursraad van de stichting. De inschrijving van een stichting vond op dat moment plaats op basis van art 2:289 (oud) BW in combinatie met het Besluit Stichtingenregister. Beiden maken geen melding van de inschrijving van toezichthouders.
Nadien is daarover andere wet- en regelgeving van kracht geworden waaruit onder meer
volgt dat het bestuur verplicht is de stichting in te schrijven en ervoor te zorgen
dat de gegevens juist en volledig zijn. Dat volgt uit artikel 19 Handelsregisterwet
2007 (HRW 2007).
Betrokkene heeft tijdens de zitting verklaard dat hij er niet mee bekend was dat
de bestuursraad een Raad van Toezicht was in de zin van de wet.
Uit artikel 29 van het HRB 2008, gelezen in samenhang met artikel 17 van de HRW 2007 , volgt dat de persoonlijke gegevens van leden van een toezichthoudend orgaan worden opgenomen in het handelsregister. Dat de gegevens van leden van de bestuursraad niet vermeld waren in het handelsregister was dan ook niet in overeenstemming met de wet. Van het niet voldoen aan deze verplichting kan betrokkene evenwel geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Uit het bepaalde in artikel 19, eerste lid, HRW 2007 volgt dat de verplichting om ervoor zorg te dragen dat deze gegevens te allen tijde juist en volledig in het handelsregister ingeschreven zijn op het bestuur rust. Deze verplichting rustte niet op betrokkene als lid van een toezichthoudend orgaan binnen [stichting1]. Klachtonderdeel 15 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 16:
Door het gedrag van betrokkene is in de periode van 1993 tot 2023 in totaal € 370.000 minder
gefactureerd dan contractueel had gemoeten.
5.17. De Accountantskamer overweegt naar aanleiding van dit verwijt, voor zover ontvankelijk, dat uit de beschikking van 25 maart 2025 van het Gerechtshof volgt dat [stichting1] met de aan [vereniging1] in rekening gebrachte tarieven niet onrechtmatig heeft gehandeld. Reeds daarom kan betrokkene hiervan geen verwijt worden gemaakt, nog daargelaten de vraag in hoeverre betrokkene hiervoor als lid van de bestuursraad verantwoordelijk kan worden gehouden zoals eerder is overwogen. Klachtonderdeel 16 is daarom ongegrond.
6. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2, 4 en 5 niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, mr. J.W. Frieling en mr. J.E. Brink-van der Meer (rechterlijke leden) en Th. A. Verkade RA en drs. E.R. van der Wösten RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2025.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Artikel 22 lid 1 sub b Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra)
[2] Artikel 51 Wtra
[3] ECLI:NL:CBB:2021:430