ECLI:NL:TGZRAMS:2024:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2023/5512

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2024:38
Datum uitspraak: 23-02-2024
Datum publicatie: 23-02-2024
Zaaknummer(s): A2023/5512
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een huisarts kennelijk niet-ontvankelijk. Klager heeft een klacht ingediend over het door hem veronderstelde handelen van de huisarts rondom het overlijden van zijn moeder. Klager heeft in zijn klaagschrift geen duidelijke omschrijving gegeven van het handelen of nalaten van de huisarts waarop zijn klacht betrekking heeft en heeft zijn klacht in een latere brief onvoldoende verduidelijkt. Klager heeft niet beschreven wat de huisarts precies heeft gedaan of zou hebben nagelaten. Klager heeft ook te kennen gegeven dat hij niet weet wat er is gebeurd en dat hij dat nu juist graag wil achterhalen. De procedure bij het tuchtcollege is echter niet bedoeld om op deze wijze informatie te verkrijgen omtrent het handelen van een zorgverlener. Nu geen sprake is van een voldoende concreet verwijt aan het adres van de huisarts voldoet het klaagschrift niet aan de daaraan krachtens de wet gestelde eisen. Bovendien is klager niet gerechtigd om de klacht in te dienen. Uit het klaagschrift en het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek blijkt dat de moeder van klager een levensgezel had, aan wie zij de bevoegdheid had gegeven om namens haar medische (en financiële) beslissingen te nemen als zij daartoe zelf niet meer in staat zou zijn. Deze levensgezel is in eerste instantie klachtgerechtigd. Van zijn instemming met het indienen van deze tuchtklacht is echter niet gebleken. Dit betekent dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is.

A2023/5512


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Voorzittersbeslissing van 27 juli 2023 naar aanleiding van de klacht van


A,
wonende in B,
klager,


tegen:


C,
huisarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de huisarts.


1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlage, gedateerd 14 februari 2023, ontvangen op 21 maart 2023;
- de brief van de secretaris aan klager van 17 mei 2023;
- een brief van klager van 27 mei 2023 met een aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 1 juni 2023.


2. De overwegingen
2.1 Klager heeft een klacht ingediend over het door hem veronderstelde handelen van de huisarts rondom het overlijden van zijn moeder, geboren in 1948, overleden in februari 2023. Voordat de klacht inhoudelijk kan worden beoordeeld, moet de voorzitter beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. De voorzitter is van oordeel dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is. Voor die beslissing is het volgende van belang.

2.2 Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen (artikel 65 lid 2 van de Wet BIG in verbinding met artikel 4 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG). Naar het oordeel van de voorzitter is niet voldoende duidelijk geworden wat de klacht van klager precies is.

2.3 Klager heeft in zijn klaagschrift geen duidelijke omschrijving gegeven van het handelen of nalaten van de huisarts waarop zijn klacht betrekking heeft. In de brief van 17 mei 2023 heeft de secretaris klager daarom gevraagd zijn klacht te verduidelijken. De secretaris heeft aan klager gevraagd wat precies de klacht is, wat er is gebeurd en wanneer dit is gebeurd. De secretaris heeft klager erop gewezen dat als de klacht niet duidelijk wordt, de klacht niet in behandeling kan worden genomen.

2.4 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager ook in zijn brief van 27 mei 2023 zijn klacht onvoldoende verduidelijkt. Klager heeft een opsomming gegeven van verwijten, waarbij hij in algemene termen heeft opgemerkt dat de huisarts geen verantwoordelijkheid heeft genomen en geen verantwoording heeft willen afleggen voor de verleende zorg in het kader van het overlijden en het ‘medisch herstel’ van zijn moeder. Klager heeft niet beschreven wat de huisarts precies heeft gedaan of zou hebben nagelaten. Klager heeft ook te kennen gegeven dat hij niet weet wat er is gebeurd en dat hij dat nu juist graag wil achterhalen. De procedure bij het tuchtcollege is echter niet bedoeld om op deze wijze informatie te verkrijgen omtrent het handelen van een zorgverlener. Nu geen sprake is van een voldoende concreet verwijt aan het adres van de huisarts voldoet het klaagschrift niet aan de daaraan krachtens de wet gestelde eisen.

2.5 Bovendien is klager niet gerechtigd om de klacht in te dienen. Uit de rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg volgt dat het klachtrecht van een nabestaande is afgeleid van de in het algemeen te veronderstellen of veronderstelde wil van de patiënt. Van belang is dus of degene die klaagt de veronderstelde wil van de overleden patiënt uitdrukt. Daarvoor moet aansluiting worden gezocht bij de vertegenwoordigingsregeling in artikel 7:465, lid 3 BW. Als de patiënt tijdens zijn leven een levensgezel had, is deze levensgezel de eerst aangewezen klachtgerechtigde, omdat deze persoon wordt geacht dichter bij de (overleden) patiënt te staan dan de overige nabestaanden en de wil van de patiënt het best te kennen.

2.6 Uit het klaagschrift blijkt dat de moeder van klager een levensgezel had, aan wie zij de bevoegdheid had gegeven om namens haar medische (en financiële) beslissingen te nemen als zij daartoe zelf niet meer in staat zou zijn. Deze levensgezel is, gelet op het genoemde wetsartikel, in eerste instantie klachtgerechtigd. Van zijn instemming met het indienen van deze tuchtklacht is echter niet gebleken.

2.7 Dat betekent dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.


3. De beslissing
De klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.


Deze beslissing is gegeven op 27 juli 2023 door N.B. Verkleij, voorzitter, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris.