ECLI:NL:TGZCTG:2024:60 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/2031
ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2024:60 |
---|---|
Datum uitspraak: | 18-03-2024 |
Datum publicatie: | 18-03-2024 |
Zaaknummer(s): | C2023/2031 |
Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster is gedurende enkele weken opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek. De verpleegkundige is betrokken geraakt bij klaagster nadat zij de kliniek heeft verlaten. De verpleegkundige heeft klaagster gesproken in aanwezigheid van haar moeder en haar psycholoog en hiervan aantekeningen gemaakt. Klaagster verwijt de verpleegkundige (a) dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd en feiten heeft verdraaid; (b) dat hij de moeder van klaagster heeft gestalkt en bedreigd; en (c) dat hij in een brief onjuiste opnamedata heeft genoemd en ten onrechte heeft opgeschreven dat behandeling ‘tot op heden’ nog plaatsvindt. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2023/2031 van
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., verpleegkundige, werkzaam in B., verweerder in beide instanties,
hierna: de verpleegkundige.
1. Procesverloop
Klaagster heeft op 24 juni 2022 bij het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam een klacht
ingediend tegen de verpleegkundige. Dat college heeft in zijn beslissing van 27 juni
2023, onder nummer A2022/5116, de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond
verklaard. Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. De verpleegkundige
heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift in beroep.
De zaak is op 26 februari 2024 uitgeroepen voor behandeling op een openbare zitting
van het Centraal Tuchtcollege. Klaagster en de verpleegkundige zijn op de juiste wijze
voor deze zitting uitgenodigd, maar zijn daar - zonder bericht van verhindering -
niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag
gelegd.
“1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft naar aanleiding van verschillende gebeurtenissen in de periode
van januari tot en met mei 2014 klachten ingediend tegen een groot aantal hulpverleners,
onder wie artsen, psychologen en verpleegkundigen van D., E. en het F.-Ziekenhuis
in B.. In deze zaak klaagt klaagster over het gedrag van de verpleegkundige, die in
juni 2014 als sociaal psychiatrisch verpleegkundige betrokken is geweest bij klaagster
na haar opname bij E..
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 juni 2022;
- de brief van 6 juli 2022 met als bijlage het aanvullende klaagschrift,
gedateerd op 11 juli 2021 (met bijlagen);
- de brief van 17 oktober 2022 (met bijlagen);
- het verweerschrift.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster (nu 40 jaar) is van januari tot juli 2014 in behandeling geweest
bij een klinisch psycholoog van D. wegens gevoelens van depressiviteit, onveiligheid
en stemmingswisselingen.
3.2 Klaagster bezocht op 30 april 2014 de Spoedeisende Hulp van het F.- Ziekenhuis
in B.. Naar eigen zeggen was zij op dat moment radioactief. De crisisdienst heeft
klaagster beoordeeld, waarna zij op 1 mei 2014 om 03.30 uur is opgenomen in het Klinisch
Centrum Acute Psychiatrie (KCAP) van E. in verband met een psychose.
3.3 Op 1 mei 2014 is klaagster door een psychiater beoordeeld. Deze psychiater
heeft om 18.56 uur in het dossier aangetekend: “Bij po zie ik nu geen aanwijzingen
voor een psychotisch toestandsbeeld. Geen rden om opname voor te zetten, kan met ontslag”
(alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven).
3.4 Diezelfde dag trof de politie klaagster rond 21.00 uur angstig op straat aan.
De politie heeft haar toen naar de Opvang Verwarde Personen (hierna: OVP) gebracht,
waar een verpleegkundige, niet zijnde verweerder, met klaagster heeft gesproken, haar
lichamelijk heeft onderzocht en haar heeft beoordeeld. Klaagster is daarna opnieuw
opgenomen in het KCAP op grond van een inbewaringstelling (IBS). Nadat de IBS – die
op 6 mei 2014 door de rechter werd verlengd – is verlopen, is de opname geëeindigd
en is klaagster begin juni 2014 naar huis gegaan.
3.5 De verpleegkundige is betrokken geraakt bij klaagster nadat zij de kliniek
heeft verlaten. Op 4 juni 2014 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit bezoek
heeft de verpleegkundige klaagster niet gesproken.
3.6 Op 1 juli 2014 heeft de verpleegkundige klaagster gesproken in aanwezigheid
van haar moeder en haar psycholoog van D.. Hierover staat het volgende in het dossier:
“01-07-2014 14:52 C., (Sociaal psychiatrisch verpleegkundige)
[…]
Gesprek met patiente, moeder en behandelaar van D. Psychotrauma en Centrum Eerste
Psychose. Thema: hoe nu verder. Pte verklaard dat de opname traumatisch voor haar
is geweest. Kan zich niet geheel haar toestand herinneren welk geleid heeft tot opname
(uiteindelijk met IBS). Geeft aan dat ze niet alleen kan zijn, is blij dat moeder
nu voor periode van 3 maanden bij haar is. Geeft nog aan dat dit laatste in haar cultuur
heel gewoon is. Moeder kan 3 maanden in Nederland verblijven (visum) en gaat afgelost
worden door zus van moeder, daarna wederom moeder voor
3 maanden etc. Pte geeft aan steun bij familie te hebben (met zus heeft ze chter nauwelijks
contact) en bij haar geloof en personen uit dat netwerk. de afronding van studie verloopt
vooralsnog minder goed, mede door de opname is haar studietermijn van 10 jaar overschreden
en zal ze opgezadeld raken met een forse studieschuld. D. gaat bekijken of er vanwege
medische gronden iets te regelen valt.
Mede door haar ervaringen met de opname ziet patiente vooralsnog af van verdere behandeling
zowel bij D. als bij Centrum Eerste Psychose. Pte maakt geen psychotische indruk,
doet coherend haar verhaal, er is nu geen gevaarscriterium aanwezig, pte wijst ieder
zorgaanbod af. Wordt derhalve uitgeschreven. Mijn contactgegevens achtergelaten bij
patiente en moeder voor het geval.
01-07-2014 14:56 C., (Sociaal psychiatrisch verpleegkundige)
[…]
Overleg psychiater en SPV. Terugkoppeling gesprek met pte bij D. Psychotrauma. Pte
wordt uitgeschreven bij Centrum Eerste Psychose.”
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Het college begrijpt dat klaagster de verpleegkundige het volgende verwijt:
a) dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd en feiten heeft verdraaid;
b) dat hij de moeder van klaagster heeft gestalkt en bedreigd;
c) dat hij in zijn brief van 3 juli 2014 onjuiste opnamedata heeft genoemd en ten
onrechte heeft opgeschreven dat behandeling ‘tot op heden nog plaatsvindt’.
4.2 De verpleegkundige heeft verweer gevoerd.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Klachtonderdelen a) en b) valsheid in geschrifte, feiten verdraaien, stalking en bedreiging
5.2 Klaagster stelt dat de verpleegkundige valsheid in geschrifte heeft gepleegd
en feiten heeft verdraaid, nu hij – zo begrijpt het college – ten onrechte zou hebben
gezegd dat de moeder van klaagster hem tijdens het huisbezoek stukken zou hebben laten
zien waaruit zou blijken dat zij leerkracht is. Daarnaast stelt klaagster dat de verpleegkundige
haar moeder heeft gestalkt en bedreigd. De verpleegkundige zou meermalen bij klaagster
aan de deur zijn geweest toen zij niet thuis was, terwijl zij meerdere keren had aangegeven
geen enkel contact met medewerkers van E. te willen hebben. Hierbij zou de verpleegkundige
de moeder van klaagster hebben bedreigd door te zeggen dat hij problemen zou maken
als klaagster geen afspraak met hem zou maken. De verpleegkundige heeft verweer gevoerd.
Volgens de verpleegkundige heeft er eenmalig een huisbezoek plaatsgevonden, maar heeft
hij klaagster verder niet behandeld omdat zij dat niet wilde.
5.3 Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat de verpleegkundige uitgebreid
dossier heeft bijgehouden van zijn betrokkenheid bij klaagster. De stellingen van
klaagster vinden geen steun in deze stukken. Het college heeft geen aanleiding om
te veronderstellen dat in het medisch dossier iets anders staat beschreven dan wat
er in werkelijkheid is gebeurd. Noch in klaagsters stellingen, noch in de rest van
het dossier is daar enige aanwijzing voor te vinden. Van het verdraaien van feiten,
valsheid in geschrifte, stalking of bedreiging is dan ook geen sprake. Deze klachtonderdelen
zijn daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) onjuiste opname- en behandeldata?
5.4 Klaagster stelt verder dat de verpleegkundige in zijn brief van 3 juli 2014
heeft opgeschreven dat klaagster van 29 april 2014 tot 1 juni 2024 opgenomen is geweest
en dat behandeling ‘tot op heden nog plaatsvindt’, terwijl dit niet klopt.
5.5 Het college constateert dat de in de brief genoemde data niet overeenkomen
met wat er in het medisch dossier staat. Dit is echter onvoldoende om te concluderen
dat sprake is van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid aan de zijde van de verpleegkundige.
Wat de zinsnede over de behandeling betreft is ook niet gebleken dat sprake is van
tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. In deze zogenaamde ‘uitschrijfbrief’ aan de huisarts
schrijft de verpleegkundige dat klaagster ‘tot en met heden […] bij onze zorginstelling
in behandeling [is] geweest’. Weliswaar was klaagster niet in behandeling bij de verpleegkundige,
maar zij is wel in behandeling geweest bij de instelling waar de verpleegkundige werkt.
Bovendien is het niet ongebruikelijk om als einddatum van de behandeling de datum
te noemen waarop de patiënt is uitgeschreven. Dat was in dit geval de datum van de
brief. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.’
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave
is in beroep niet of in elk geval onvoldoende bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Zij wil met haar beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege de zaak in volle omvang
opnieuw beoordeelt. Klaagster verzoekt dit college de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de in eerste
aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk
gevoerde debat. De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de
zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de overwegingen en het oordeel
van het Regionaal Tuchtcollege over de klacht en neemt deze overwegingen en dit oordeel
integraal over. Dat de verpleegkundige valsheid in geschrifte heeft gepleegd en de
moeder van klaagster heeft gestalkt en bedreigd is op geen enkele manier aannemelijk
gemaakt. Ook overigens is niet gebleken dat de verpleegkundige tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld.
4.4 Uit het voorgaande volgt dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond
heeft verklaard. Het beroep wordt verworpen.
5. De beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R.C.A.M. Philippart, voorzitter; T.W.H.E. Schmitz
en
M.W. Zandbergen, leden-juristen en H.A. de Visser en L. Maasdam, leden-beroepsgenoten
en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 18 maart 2024.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.