ECLI:NL:TADRSGR:2024:224 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-791/DH/DH
ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2024:224 |
---|---|
Datum uitspraak: | 18-12-2024 |
Datum publicatie: | 18-12-2024 |
Zaaknummer(s): | 24-791/DH/DH |
Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een echtscheidingskwestie. Niet gebleken is dat verweerster elk redelijk overleg heeft afgewezen. Evenmin gebleken dat verweerster feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
18 december 2024 in de zaak 24-791/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 oktober 2024 met kenmerk K103 2023 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 07 (inhoudelijk) en 1 tot en met 6 (procedureel). Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van klager van 21 november 2024.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is in 1993 getrouwd. In 2017 besluiten hij en zijn vrouw (hierna:
de vrouw) te scheiden en maken zij afspraken over de verdeling.
1.2 Medio 2021 wendt de vrouw zich tot verweerster voor bijstand.
1.3 Op 14 oktober 2021 dient verweerster namens de vrouw een verzoekschrift echtscheiding
met nevenvoorzieningen in bij de rechtbank.
1.4 Op 31 januari 2022 stuurt klagers advocaat een brief aan de rechtbank met
het verzoek om vervroeging van de geplande zitting, gelet op klagers gezondheidssituatie.
1.5 Op 28 april 2022 vindt de mondelinge behandeling bij de rechtbank Rotterdam
plaats. In de zittingsaantekeningen van de zitting staat onder meer:
“[Verweerster]: -pleitnota-
R: ik lees: luxerend is een rechtszaak… doelt u daar op in uw pleitnota? (…)
[Klager]: kwetsend om zo neergezet te worden. Als er gezegd wordt waarom niet eerder
in behandeling? Trigger voor behandeling was aanpak van deze zaak door [verweerster].
Zo onrechtvaardig. Toen eind januari verhaal kwam we hebben nooit een goede relatie
gehad omdat meneer depressief was.
R; u zegt de klacht omschreven omdat woning moet worden verkocht. Dat is niet zo.
Het is bipolair met angst- en spanningsstoornis. Dat is wat anders. Ik bedoel dat
ik het met meneer eens ben dat het niet klachten zijn.
[Verweerster]: Ik wil het terugnemen want ik bedoel meneer is hier terechtgekomen
omdat mevrouw geweend verdeling vraagt
R: dat is mij duidelijk maar meneer vraagt met beroep op gezondheid iets. De omschrijving
die u geeft op die gezondheid is niet correct.
[Verweerster]: ik trek het in en bied mijn excuses aan bij deze.”
1.6 Bij beschikking van 5 augustus 2022 spreekt de rechtbank de echtscheiding
tussen klager en de vrouw uit, stelt de door klager te betalen alimentatie vast en
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap. De beschikking is uitvoerbaar bij
voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding.
1.7 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen (onderdelen van) de beschikking.
1.8 De echtscheidingsbeschikking is op 6 september 2022 ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand.
1.9 Op 15 december 2022 dient verweerster een verweerschrift in hoger beroep
in.
1.10 Op 20 maart 2023 start verweerster een kort geding tegen klager over de
verkoop van één van de gezamenlijke woningen.
1.11 Op 3 april 2023 is het kort geding mondeling behandeld.
1.12 Op 20 april 2023 wijst de voorzieningenrechter vonnis en oordeelt onder
meer dat klager zijn volledige medewerking moet verlenen aan het in de verkoop zetten
van de betreffende woning.
1.13 Op 11 mei 2023 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft vanaf het begin overleg in redelijkheid, zoals mediation,
afgewezen.
Klager wilde onder begeleiding van een mediator tot een oplossing komen, maar verweerster
stond alleen open voor een viergesprek. Dat viergesprek was verre van constructief:
al na een kwartier merkte verweerster met stemverheffing op dat klager op dat moment
moest tekenen voor verdeling per die dag en dat zij anders een procedure zou starten.
b) Verweerster richt veel schade aan en schuwt daarbij leugens, onfatsoen en
persoonlijke rancune niet. Zij liegt stelselmatig over feiten en cijfers.
Klager noemt in zijn repliek voorbeelden uit de processtukken van verweerster, zoals
uit het verzoekschrift van 14 oktober 2021, haar pleitnota (voor de zitting van 28
april 2022), haar verweerschrift in hoger beroep, de kort geding dagvaarding en haar
pleitnota in kort geding.
c) Verweerster is bekend met klagers ziekte (manische depressie) en zet keer
op keer in op maximale beschadiging in de hoop daar buitenproportioneel voordeel uit
te halen
2.2 Klager stelt dat verweerster alleen maar bezig is met zo veel mogelijk schade
aanrichten om zo lang mogelijk haar uurtjes te kunnen schrijven. Haar werkwijze is
polariserend en niet in het belang van beide partijen. Zij houdt de strijd in stand
zonder een oplossing na te streven.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Het gaat om een klacht over advocaat van de wederpartij van klager. Voorop
staat dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn
cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze
vrijheid is niet absoluut, maar kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat
zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen
feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c)
de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de
wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij
geldt voorts dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de
hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen
mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is
de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te
wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan
hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt.
Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd
zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken,
onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties, waaronder ook erfrechtelijk
kwesties, in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie; van de advocaat mag
een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen
in die procedures een grote rol kunnen spelen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking
op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting
als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij
van geval tot geval afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure;
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan;
- het verloop van het geschil tot dan toe; en
- de kans op succes van een procedure in het oog houden.
Klachtonderdeel a)
4.3 Een advocaat moet voor ogen houden dat een regeling in der minne veelal de
voorkeur verdient boven een proces (gedragsregel 5). Hoewel een advocaat daar waar
mogelijk en in het belang van zijn cliënt om een geschil door middel van een schikking
op te lossen in het oog moet houden, behelst regel 5 geen absolute verplichting daartoe.
Het gaat erom dat een advocaat zich voldoende inzet om tussen partijen tot een oplossing
te komen. Een wederpartij kan dus niet verlangen dat een advocaat in elke situatie
tracht een regeling in der minne te treffen. Dit is ter vrije beoordeling van de advocaat
en zijn cliënt.
4.4 De voorzitter overweegt dat partijen bij het uit elkaar gaan in 2017 afspraken
hebben gemaakt over de verdeling. In 2021 heeft de vrouw zich tot verweerster gewend
om de echtscheiding in gang te zetten. Voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift
heeft een viergesprek plaatsgevonden. Verweerster heeft uitgelegd dat tijdens dat
gesprek duidelijk werd dat beide partijen hun standpunt handhaafden en dat zij daarop
heeft aangegeven dat verder overleg geen zin zou hebben. De voorzitter acht dat niet
klachtwaardig. De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat
verweerster mediation heeft afgewezen. Klager stelt dit, maar onderbouwt dit niet.
Het is de voorzitter dan ook niet gebleken dat verweerster elk redelijk overleg heeft
afgewezen. Van onnodig polariserend optreden van verweerster op dit punt is niet gebleken.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.5 Dit verwijt ziet er met name op dat verweerster stelselmatig liegt over (onder
meer) feiten en cijfers. Klager heeft gewezen op diverse stellingen van verweerster.
Verweerster heeft betwist dat zij onjuistheden heeft gesteld en stelt dat zij steeds
het standpunt van haar cliënte heeft verwoord.
4.6 De voorzitter overweegt dat het gaat om standpunten in een gerechtelijke
procedure. Klager kon zich (met bijstand van zijn advocaat) in de betreffende procedure
hiertegen verweren, waarna het oordeel daarover aan de civiele rechter was. Uit de
zittingsaantekeningen van de zitting van 28 april 2022 blijkt ook dat dat is gebeurd
en zowel klager als zijn advocaat uitgebreid zijn ingegaan op de stellingen van verweerster
namens haar cliënte. De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen
dat verweerster feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs
kon kennen. Verweerster mocht afgaan op de informatie die zij van haar cliënte ontving.
Dat er sprake was van onwaarheden waarvan verweerster bovendien op de hoogte was,
heeft klager onvoldoende onderbouwd. Het is de voorzitter verder niet gebleken dat
verweerster de belangen van klager onnodig heeft geschaad. Dit klachtonderdeel is
daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.7 Dit verwijt ziet op de manier waarop verweerster in haar processtukken en
ter zitting zich heeft uitgelaten over klagers ziekte. De voorzitter begrijpt dat
stellingnames van verweerster omtrent klagers gezondheidssituatie mogelijk pijnlijk
zijn geweest voor klager, maar het is aan verweerster om de belangen van haar cliënte
zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen. Daarbij was de gezondheidssituatie
van klager blijkens de processtukken kennelijk van belang. Dat verweerster in dit
verband onnodig grievend is opgetreden, is de voorzitter niet gebleken. Dat geldt
eveneens voor hetgeen verweerster ter zitting van 28 april 2022 naar voren heeft gebracht.
De voorzitter constateert dat verweerster tijdens deze zitting wel kennelijk op enig
moment is gecorrigeerd door de rechter, die haar heeft medegedeeld dat het niet aan
de advocaat was om een mening te geven over de gezondheidssituatie van klager. Echter
omdat verweerster vervolgens de door haar gebezigde woorden heeft teruggenomen en
haar excuses heeft aangeboden, ziet de voorzitter ook op dit punt geen tuchtrechtelijk
verwijtbaar gedrag. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2024.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 december 2024