ECLI:NL:TADRSGR:2024:201 Raad van Discipline 's-Gravenhage 24-336/DH/RO
ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2024:201 |
---|---|
Datum uitspraak: | 04-11-2024 |
Datum publicatie: | 21-11-2024 |
Zaaknummer(s): | 24-336/DH/RO |
Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt |
Beslissingen: | Regulier |
Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Vaststaat dat verweerder enkele weken onbereikbaar is geweest voor klager, zelfs nadat met zijn kantoor belafspraken zijn gemaakt. Verweerder heeft erkend dat hij daarmee niet juist heeft gehandeld. Van belang is voorts dat klager en verweerder begin december 2023 hebben gesproken over het starten van een kort geding. Er was dus sprake van een, bij verweerder kenbaar, spoedeisend belang. Juist in die situatie wordt van een advocaat verwacht voortvarend te werk te gaan en bereikbaar te zijn. Dat is nu niet gebeurd. Dat verweerder in de bewuste periode druk was door de kerstvakantie en te maken had met een pijnlijke blessure, maakt dat niet anders. Van een advocaat mag worden verwacht op die situaties voorbereid te zijn en daartoe passende maatregelen te treffen, zoals het inschakelen van een waarnemer. In dit geval valt verweerder van zijn passieve houding temeer een verwijt te maken nu een blessure er niet aan in de weg staat dat een belafspraak wordt nagekomen. Klacht gegrond. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 4 november 2024
in de zaak 24-336/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 januari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 7 mei 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2024/48 van de
deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 23 september 2024. Daarbij
heeft klager digitaal deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft fysiek deelgenomen
aan de zitting.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 18.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 2 november 2023 heeft klager contact gezocht met verweerder voor het instellen
van hoger beroep tegen een afwijzende beschikking op zijn verzoek tot ondertoezichtstelling
van zijn ex-partner.
2.3 Op 23 november 2023 heeft klager de afwijzende beschikking aan verweerder
doorgezonden.
2.4 Op 29 november 2023 hebben klager en verweerder telefonisch contact gehad
over het hoger beroep en is een kort geding ter nakoming van het ouderschapsplan besproken.
2.5 Op 30 november 2023 heeft klager verweerder ge-e-maild.
2.6 Op 4 december 2023 heeft verweerder klagers dossier ontvangen van de voorgaande
advocaat.
2.7 Op 5 december 2023 hebben klager en verweerder telefonisch contact gehad.
2.8 Op 8 december 2023 heeft klager aan verweerder per WhatsApp geschreven:
“Inzake [klager] / [ex-partner] hebben wij contact gehad over het hoger beroep.
Alsook een kort geding ter nakoming omgangsregeling. Ik was even benieuwd hoe snel
dat kort geding kan plaatsvinden.”
2.9 Op 11 december 2023 hebben klager en verweerder telefonisch contact gehad.
2.10 Op 14 december 2023 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Naar aanleiding van ons telefonisch contact van afgelopen maandag kan ik hierbij
melden dat moeder niet heeft gereageerd op mijn (zoveelste) verzoeken per email &
whatsapp om alsnog morgen te gaan zitten voor de overeengekomen evaluatie en wijziging
omgangsregeling. Ze heeft in het geheel niet gereageerd op de laatste verzoeken. […]
Wij bespraken het sturen van een brief inzake het aankondigen van een kort geding
inzake nakomen omgangsregeling.
Daarnaast wil ik in een bodemprocedure graag uitbreiding van het aantal dagen, zodat
er minimaal een gelijkwaardige 50/50 verdeling is. Tenzij moeder hier vrijwillig aan
mee wil werken. […]”
2.11 Op 20 december 2023 heeft klager geprobeerd om verweerder telefonisch te
bereiken.
2.12 Klager heeft via het secretariaat van verweerder een belafspraak gemaakt
met verweerder voor 21 december 2023.
2.13 Op 21 december 2023 heeft klager aan verweerder per WhatsApp geschreven:
“Er is mij toegezegd dat u vandaag contact met mij op zou nemen.”
Klager heeft die dag diverse keren geprobeerd om verweerder telefonisch te bereiken.
2.14 Op 22 december 2023 heeft klager aan verweerder per WhatsApp geschreven:
“Ik hoor graag.”
Klager heeft die dag diverse keren geprobeerd om verweerder telefonisch te bereiken.
2.15 Op 27 december 2023 heeft klager per WhatsApp een (uiteindelijk verwijderd)
bericht verzonden aan verweerder. Ook heeft klager die dag geprobeerd om verweerder
telefonisch te bereiken.
2.16 Op 13 januari 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Ondanks alle beloftes en belafspraken is het nu al 5 weken doodstil van uw kant.
Er wordt niet op mijn berichten (appjes) gereageerd. Oproepen naar uw mobiel worden
niet beantwoord, ook belt u niet terug. Belafspraken worden eveneens niet nagekomen
– ook nadien hoor ik niets. Voor de volledigheid: u bent niet langer mijn gemachtigde.
Ik zal tevens overgaan tot het indienen van een tuchtklacht. Deze hele gang van zaken
is ronduit bizar en volstrekt onacceptabel.”
2.17 Op 15 januari 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Mijn excuses dat ik de week voorafgaand aan kerst niet heb teruggebeld. Helaas
kwam dit door alle drukte die week. Vervolgens ben ik zoals u door kantoor is aangegeven
2 weken met vakantie gegaan. Door veel ziekteverzuim binnen kantoor (griep, een gebroken
been van mijn juridisch medewerker, een gescheurde meniscus mijnerzijds) is uw dossier
even blijven liggen. Vanzelfsprekend ben ik bereid uw zaak voort te zetten.”
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder
niets te hebben gedaan na de overdracht van het dossier, dat hij niets van zich heeft
laten horen ondanks een groot aantal pogingen van klager om contact te krijgen en
dat hij belafspraken niet nakomt.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Door de decemberdrukte
en een pijnlijke blessure is verweerder de belafspraak vergeten. De zaak is ook daarna
niet opgepakt vanwege de kerstvakantie en gezondheidsproblemen bij verweerders medewerkers.
Verweerder erkent dat hij verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen binnen zijn
kantoor. Ook heeft verweerder zijn excuses aangeboden aan klager.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De klacht gaat over de dienstverlening door de (eigen) advocaat. Gezien het
bepaalde in artikel 46 van de Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak om
de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij
deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat
heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes -
zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van
de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht
mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene
wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. De raad toetst of verweerder
heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende
advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat
er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van
breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Beoordeling
5.2 Vaststaat dat verweerder enkele weken onbereikbaar is geweest voor klager,
zelfs nadat met zijn kantoor belafspraken zijn gemaakt. Verweerder heeft erkend dat
hij daarmee niet juist heeft gehandeld. Van belang is voorts dat klager en verweerder
begin december 2023 hebben gesproken over het starten van een kort geding. Er was
dus sprake van een, bij verweerder kenbaar, spoedeisend belang. Juist in die situatie
wordt van een advocaat verwacht voortvarend te werk te gaan en bereikbaar te zijn.
Dat is nu niet gebeurd. Dat verweerder in de bewuste periode druk was door de kerstvakantie
en te maken had met een pijnlijke blessure, maakt dat niet anders. Van een advocaat
mag worden verwacht op die situaties voorbereid te zijn en daartoe passende maatregelen
te treffen, zoals het inschakelen van een waarnemer. In dit geval valt verweerder
van zijn passieve houding temeer een verwijt te maken nu een blessure er niet aan
in de weg staat dat een belafspraak wordt nagekomen. De klacht is dan ook gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft erkend dat hij onjuist heeft gehandeld door niet bereikbaar
te zijn voor klager en heeft daarvoor ook zijn verantwoordelijkheid genomen. De raad
gaat er dan ook vanuit dat verweerder in het vervolg anders zal handelen. De raad
volstaat daarom met het opleggen van een waarschuwing.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden
binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in overweging 7.3.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. M.G. van den Boogerd
en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken
ter openbare zitting van 4 november 2024.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 4 november 2024