Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORSHE:2022:34 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2020/53, 54 en 55

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2022:34
Datum uitspraak: 17-10-2022
Datum publicatie: 03-11-2022
Zaaknummer(s): SHE/2020/53, 54 en 55
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen:
  • Verzet niet-ontvankelijk
  • Verzet ongegrond
Inhoudsindicatie: Verzet tegen gecombineerde voorzittersbeslissing, waarbij de zevende en achtste tuchtklacht die klager tegen de notaris heeft ingediend zijn afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en ongegrondheid en waarbij de negende tuchtklacht tegen de notaris buiten behandeling is gesteld wegens misbruik van klachtrecht. De kamer verklaart het verzet tegen de beslissing van de voorzitter op de achtste en negende tuchtklacht ongegrond en verklaart het verzet tegen de buitenbehandelingstelling van de negende tuchtklacht niet-ontvankelijk. Geen overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM waarbinnen op de klachten had moeten worden beslist. Nu de – door het procedeergedrag van klager veroorzaakte – verwijzing van de behandeling van de twee door klager ingediende wrakingsverzoeken naar een andere kamer voor het notariaat er in overwegende mate toe heeft geleid dat de behandeling van deze verzetprocedures is vertraagd, is de kamer van oordeel dat deze vertraging voor rekening van klager behoort te blijven.

Zaaknummers      : SHE/2020/53 (voorheen klacht SHE/2020/14)
                            SHE/2020/54 (voorheen klacht SHE/2020/16)
                            SHE/2020/55 (voorheen klacht SHE/2020/32)
Datum uitspraak  : 17 oktober 2022

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) op het verzet tegen de beslissingen van de plaatsvervangend voorzitter (hierna: de voorzitter) van de kamer van 18 juni 2020 naar aanleiding van de bovengenoemde klachten van:


de heer mr. drs. […] (hierna: klager)
wonende in […]

tegen

notaris de heer mr. […] (hierna:de notaris)
gevestigd in […]

1.            De procedure

1.1.         De kamer heeft op 6 april 2020, 15 april 2020 en 13 mei 2020 klaagschriften (met bijlagen) ontvangen van klager, waarin hij tuchtklachten tegen de notaris heeft geformuleerd. De kamer heeft deze klachten geregistreerd als respectievelijk SHE/2020/14, SHE/2020/16 en SHE/2020/32. 

1.2.         Bij brief van 18 juni 2020 heeft de voorzitter (samengevat) geoordeeld dat de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 niet-ontvankelijk en/of ongegrond zijn en heeft zij klacht SHE/2020/32 buiten behandeling gesteld wegens misbruik van klachtrecht (hierna ook: de voorzittersbeslissing/de bestreden beslissing). 

1.3.         Bij e-mail (met bijlagen) van 21 juni 2020 heeft klager bij de kamer bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de voorzitter op (de uit zes klachtonderdelen bestaande) klacht SHE/2020/14 en heeft hij die klacht uitgebreid met een zevende klachtonderdeel.

1.4.         Bij e-mail (met bijlage) van 25 juni 2020 heeft klager bij de kamer bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de voorzitter op klacht SHE/2020/32.

1.5.         Bij e-mail (met bijlage) van 3 juli 2020 heeft klager bij de kamer bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de voorzitter op klacht SHE/2020/16.

1.6.         Klager heeft de kamer bij e-mail van 16 juli 2020 bericht dat zijn hiervoor genoemde bezwaren tegen de beslissing van de voorzitter op de genoemde drie klachten moeten worden beschouwd als schriftelijk verzet tegen die beslissing. Daarbij heeft klager meegedeeld dat hij over zijn verzet wil worden gehoord. De kamer heeft het verzet tegen de beslissing op de drie genoemde klachten geregistreerd als respectievelijk SHE/2020/53, SHE/2020/54 en SHE/2020/55. 

1.7.         De kamer heeft klager en de notaris bij brief van 13 augustus 2020 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de drie verzetzaken op de zitting van de kamer van 16 november 2020. In de oproepbrief is meegedeeld dat de kamer op die zitting als volgt zou zijn samengesteld: mr. P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders, rechter, en mr. L.J.M. Teunissen, notaris.

1.8.         Bij e-mail (met bijlagen) van 25 augustus 2020 heeft klager in de drie verzetzaken een verzoek ingediend tot wraking van mr. Snijders en mr. Teunissen. Door dat wrakingsverzoek is de behandeling van de drie verzetzaken geschorst. Mr. Snijders en mr. Teunissen hebben niet in de wraking berust.

1.9.         Het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) heeft de kamer bij brief van 9 september 2020 bericht dat klager op 20 juli 2020 (ook) hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter op de drie klachten. 

1.10.       Bij beslissing van 5 november 2020 heeft het hof de behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Snijders en mr. Teunissen doorverwezen naar de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag. Die kamer heeft dit wrakingsverzoek bij beslissing van 17 februari 2021 afgewezen.

1.11.       De kamer heeft klager en de notaris vervolgens bij brief van 11 maart 2021 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de drie verzetzaken op de zitting van de kamer van 15 juni 2021, waarbij is meegedeeld dat de kamer op die zitting als volgt zou zijn samengesteld: mr. Messer-Dinnissen, voorzitter, mr. J.H.L.M. Snijders, rechter, en mr. E.J.M.W. van Egeraat, notaris.

1.12.       Bij brief van 3 juni 2021 heeft de kamer klager en de notaris meegedeeld dat bij de voorbereiding van de geplande behandeling van de drie verzetzaken was gebleken dat klager bij het hof ook hoger beroep had ingesteld tegen de voorzittersbeslissing. De kamer heeft daarbij namens de voorzitter van de zittingscombinatie die de verzetten zou gaan behandelen, meegedeeld dat was besloten om de uitkomst van de procedure in hoger beroep af te wachten en de behandeling van de verzetzaken aan te houden.

1.13.       Het hof heeft klager bij beslissing van 22 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de voorzittersbeslissing.

1.14.       Klager heeft bij brief van 2 juli 2021, door de kamer ontvangen op 6 juli 2021, gereageerd op die beslissing van het hof.

1.15.       De kamer heeft klager en de notaris bij brief van 22 juli 2021 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de drie verzetzaken op de zitting van de kamer van 4 oktober 2021. In beide brieven is onder meer meegedeeld dat de beslissing van het hof van 22 juni 2021 en de inhoud van de brief van klager van 2 juli 2021 bij die behandeling mede aan de orde zullen worden gesteld en dat de kamer op die zitting als volgt zou zijn samengesteld: mr. Messer-Dinnissen, voorzitter, mr. Snijders, rechter, en mr. Van Egeraat, notaris.

1.16.       Bij e-mail van 29 september 2021 heeft klager de kamer gevraagd wanneer en door wie de drie verzetzaken op zitting zullen worden behandeld. De kamer heeft klager diezelfde dag per e-mail een scan gestuurd van de oproepbrief van 22 juli 2021, die op 23 juli 2021 per aangetekende post op zijn adres was bezorgd. Daarna heeft klager de kamer bij e-mail van diezelfde dag gevraagd of de samenstelling van de kamer inmiddels niet was gewijzigd, waarna de kamer klager bij e-mail van diezelfde dag heeft bericht dat de kamer zou zijn samengesteld zoals in de oproepbrief was vermeld. Bij e-mail van die zelfde dag (20:26 uur) heeft klager in de drie verzetzaken een verzoek ingediend tot wraking van mr. Messer-Dinnissen, mr. Snijders en mr. Van Egeraat.

1.17.       Naar aanleiding van dit wrakingsverzoek heeft de kamer klager en de notaris bij e-mail van 30 september 2021 bericht dat de geplande behandeling van de drie verzetzaken op 4 oktober 2021 zou worden aangehouden. Mr. Messer-Dinnissen, mr. Snijders en mr. Van Egeraat hebben niet in de wraking berust.

1.18.       Bij beslissing van 25 november 2021 heeft het hof de behandeling van het verzoek tot wraking van mr. Messer-Dinnissen, mr. Snijders en mr. Van Egeraat doorverwezen naar de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag. Die kamer heeft klager bij beslissing van 2 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking van deze drie leden. 

1.19.       De kamer heeft klager en de notaris bij brief van 29 maart 2022 opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de drie verzaken op de zitting van de kamer van 19 september 2022, waarbij is meegedeeld dat de kamer dan als volgt is samengesteld: mr. Snijders, voorzitter, mr. J.D. Streefkerk, rechter, en mr. Van Egeraat, notaris. 

1.20.       De drie verzetzaken zijn gecombineerd mondeling behandeld op de openbare zitting van de kamer van 19 september 2022. Klager en de notaris zijn bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest en hebben hun standpunt over en weer toegelicht.

2.            De beoordeling

2.1.         Op grond van artikel 99 lid 15 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) kan een klager tegen de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van een klacht binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij de kamer. De kamer constateert dat klager binnen deze termijn bezwaar heeft gemaakt tegen de voorzittersbeslissing naar aanleiding van de klachten SHE/2020/14, SHE/2020/16 en SHE/2020/32.

2.2.         Deze drie klachten – zoals gemeld door de kamer ontvangen in april en mei 2020 – zijn respectievelijk de achtste, negende en tiende tuchtklacht die klager sinds september 2014 tegen de notaris heeft ingediend. In de bestreden beslissing heeft de voorzitter (samengevat) overwogen dat klacht SHE/2020/14 naar haar oordeel niet-ontvankelijk is, deels wegens overschrijding van de vervaltermijn als omschreven in artikel 99 lid 21 Wna en deels wegens het ook in het notariële tuchtrecht van toepassing zijnde ne bis in idem-beginsel. Ten aanzien van klacht SHE/2020/2016 heeft zij (samengevat) overwogen dat deze naar haar oordeel deels niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de genoemde vervaltermijn en overigens ongegrond.

2.3.         De voorzitter heeft de bestreden beslissing als volgt afgesloten:

“Ik kom tot de conclusie dat van alle eerder ingediende klacht(onderdel)en slechts twee klacht(onderdel)en hebben geleid tot onherroepelijke gegrondverklaring. Deze twee klacht(onderdel)en - namelijk het van u verlangen van een vergoeding van de kosten van de klachtbehandeling en het aan het verlenen van (notariële) medewerking verbinden van de voorwaarde dat u dan de tuchtklacht(en) die u tegen de notaris had ingediend, intrekt - betreffen het terechte verwijt dat door de notaris een drempel is opgeworpen voor u om een klachtprocedure te voeren. In beide gevallen is geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden de handelwijze van de notaris niet zodanig ernstig is dat het opleggen van een maatregel geboden is.

De overige door u tegen de notaris ingediende klacht(onderdel)en hebben steeds geleid tot niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondverklaring. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat u in de meeste gevallen tegen de beslissingen van de kamer (voor u telkens zonder succes) hoger beroep heeft ingesteld en/of daarvan herziening heeft gevraagd. 

Zoals ik hiervoor heb uiteengezet moeten de nieuwe klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 naar mijn oordeel hetzelfde lot delen.

Verder constateer ik, zoals de plaatsvervangend voorzitter bij beslissing van 20 april 2020 (SHE/2020/3) ook heeft overwogen, dat alle klachten (ook de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16) betrekking hebben op de afwikkeling van de nalatenschappen van uw ouders en in de kern zijn terug te voeren op het geschil tussen u en de notaris (in zijn hoedanigheid van vereffenaar) over wat er met de woning moet gebeuren. Uit hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet volgt dat veel van uw klacht(onderdel)en voortbouwen op dit geschil en op eerder gevoerde procedures. Het recht om te klagen houdt echter een keer op. 


Inmiddels is de afhandeling van al deze procedures voor de kamer dermate tijdrovend geworden dat een dergelijke investering vanaf heden onverantwoord is, gelet op de overige taken van deze kamer. 

Dit brengt mee dat uw klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 gericht tegen de notaris niet verder in behandeling worden genomen, maar buiten behandeling worden gesteld wegens misbruik van klachtrecht. Hetzelfde geldt voor de door u bij brief van 9 mei 2020 ingediende klacht tegen de notaris (door de kamer ontvangen op 13 mei 2020), die is geregistreerd onder klachtnummer SHE/2020/32. Op deze laatste klacht zal om de hiervoor aangegeven redenen niet meer inhoudelijk worden gereageerd. Op vervolgcorrespondentie ter zake van vergelijkbare en aanverwante kwesties, of in verband met dit bericht, zal ook niet meer worden gereageerd; deze zal zonder beantwoording terzijde worden gelegd. Op deze correspondentie zal ook geen ontvangstbevestiging meer worden verzonden.

Deze reactie zal teleurstellend voor u zijn. De kamer acht het juist u de beweegreden om tot deze ingrijpende stap te komen op deze wijze aan u kenbaar te maken.”

2.4.         Ten aanzien van het verzet van klager tegen de buitenbehandelingstelling van klacht SHE/2020/32 overweegt de kamer als volgt. Bij de genoemde beslissing van 22 juni 2021 naar aanleiding van het hoger beroep van klager tegen de voorzittersbeslissing heeft het hof geconstateerd dat noch de kamer, noch de voorzitter een (inhoudelijke) beslissing heeft gegeven op klacht SHE/2020/32 en dat de voorzitter heeft meegedeeld dat ook geen beslissing zal worden gegeven. Mede in verband met die overweging van het hof is de kamer met klager van oordeel dat ten aanzien van klacht SHE/2020/32 geen sprake is van een beslissing van de voorzitter in de zin van artikel 99 lid 11 Wna waartegen overeenkomstig lid 15 van dat artikel verzet kan worden ingesteld. Om die reden zal de kamer het verzet tegen het besluit tot buitenbehandelingstelling van klacht SHE/2020/32 niet-ontvankelijk verklaren.

2.5.         Bij de genoemde beslissing van 22 juni 2021 heeft het hof verder geoordeeld dat de beslissing van de voorzitter dat de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond zijn een beslissing is in de zin van artikel 99 lid 11 Wna. Mede gelet op die beslissing van het hof is de kamer van oordeel dat het verzet tegen die beslissingen van de voorzitter op de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 (wel) ontvankelijk is. Bij de beoordeling van dat verzet is allereerst de vraag aan de orde of de voorzitter op goede gronden heeft geoordeeld dat de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 niet-ontvankelijk of ongegrond zijn.

2.6.         In zijn verzetschriften heeft klager – samengevat – inhoudelijk bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de voorzitter dat de diverse onderdelen van de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 niet-ontvankelijk of ongegrond zijn. Sterk samengevat is er volgens klager geen sprake van herhaald klagen over de notaris of het te laat indienen van de klachten. Klager stelt bovendien dat de voorzitter heeft gehandeld in strijd met artikel 26 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“De rechter mag niet weigeren te beslissen”) door de klacht(en) buiten behandeling te stellen. Het behoort immers tot de taak van de voorzitter en de kamer om te oordelen over de vraag of een notaris heeft gehandeld conform de regelgeving die voor zijn beroep geldt, aldus klager.

2.7.         De kamer constateert dat klager niet heeft weersproken dat alle tuchtklachten die hij tegen de notaris heeft ingediend in de kern zijn terug te voeren tot het conflict dat in 2014 tussen hem en de notaris, die daarbij handelde in zijn hoedanigheid van vereffenaar, is ontstaan over (met name) de vraag wat er met de tot de nalatenschappen van zijn ouders behorende woning in België (hierna: de woning) zou moeten gebeuren. Zoals ook in eerdere beslissingen naar aanleiding van eerdere klachten van klager tegen de notaris is overwogen, hebben de kamer en het hof geoordeeld dat het handelen van de notaris in zijn hoedanigheid van vereffenaar zo nauw verbonden is met zijn functioneren als notaris, dat hij zich voor zijn handelen of nalaten als vereffenaar tuchtrechtelijk moet verantwoorden.

De verzetten van klager tegen de beslissing van de voorzitter op de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 worden hierna afzonderlijk beoordeeld.

  • Klacht SHE/2020/14

2.8.         In deze klacht, die uit zes onderdelen bestaat, verwijt klager de notaris dat hij in 2015, 2016 en 2017 tegenover diverse betrokkenen (onder wie de kamer, het hof, de Rabobank, de Federale Overheidsdienst Financiën in België (hierna: FOD) en de bij de vereffening betrokken kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant) zesmaal heeft gelogen over de gang van zaken rond de indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop van de woning, dat op 13 mei 2015 namens de notaris zou zijn ingediend bij de Rechtbank in Eerste Aanleg in Hasselt, België (hierna ook: de procedure in België). Zoals vermeld, heeft de voorzitter geoordeeld dat de diverse onderdelen van deze klacht niet-ontvankelijk zijn wegens ne bis in idem en/of wegens overschrijding van de vervaltermijn.

Ne bis in idem

2.9.         Voor zover de voorzittersbeslissing is gebaseerd op ne bis in idem overweegt de kamer als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van het hof geldt in het tuchtrecht de regel dat na behandeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over “hetzelfde feit” niet nog eens kan worden behandeld. Er kan dus niet herhaaldelijk over dezelfde gedraging van een notaris worden geklaagd. Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” is of de notaris over wie geklaagd wordt in redelijkheid heeft kunnen menen dat met de beoordeling van het tuchtrechtelijk aspect in de eerdere zaak, de tuchtrechtelijke beoordeling van het desbetreffende handelen is geëindigd (vergelijk hof 21 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1446).

2.10.       Vast staat dat klager op 20 januari 2016 (SHE/2016/5) en 19 februari 2016 (SHE/2016/16) zijn tweede en derde klacht tegen de notaris heeft ingediend. Ook in die twee klachten verweet hij de notaris (onder meer) dat hij diverse betrokkenen, onder wie de Belgische advocate mr. [X], de genoemde rechtbank in België, de bij de vereffening betrokken kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de kantonrechter) en klager zelf, onjuist had geïnformeerd dan wel had gelogen over de procedure in België.

2.11.       De kamer heeft op 19 september 2016 een (gecombineerde) beslissing gegeven op de tweede en derde klacht en op de later ingediende vierde klacht (SHE/2016/22), waarbij de kamer de klachtonderdelen over het onjuist informeren van klager ofwel de kantonrechter over de procedure in België gegrond heeft verklaard.

2.12.       De notaris heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Na de mondelinge behandeling van dat hoger beroep is aan de kamer bekend geworden dat de in hoger beroep bestreden beslissing van 19 september 2016 mede was gegeven door een (plaatsvervangend belasting)lid van de kamer dat niet als zodanig benoemd had kunnen worden. De kamer heeft klager, de notaris en het hof daarvan op de hoogte gesteld, waarna het hof de behandeling van de zaken heeft heropend en klager en de notaris in de gelegenheid heeft gesteld om zich uit te laten over de onbevoegdheid van dat lid van de kamer. Klager heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en gesteld dat de beslissing van de kamer moet worden vernietigd en dat de kamer de drie klachten opnieuw moet behandelen en daarop moet beslissen. Bij beslissing van 13 juni 2017 heeft het hof – met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2607 “Meavita”) – de beslissing van de kamer van 19 september 2016 vernietigd en de drie klachten in hoger beroep op de voet van artikel 107, lid 4, Wna opnieuw in volle omvang behandeld en zelf afgedaan. Daarbij heeft het hof de klachtonderdelen over het onjuist informeren van betrokkenen over de procedure in België ongegrond verklaard.

2.13.       Volgens klager kan geen sprake zijn van ne bis in idem omdat de kamer nooit een rechtsgeldige beslissing heeft gegeven op de klachten SHE/2016/5, SHE 2016/16 en SHE/2016/22 en  omdat het hof op 13 juni 2017 uitdrukkelijk onbevoegd was om te oordelen over de nietige uitspraak van de kamer. In dat verband heeft klager gesteld dat het hof voorafgaand aan de beslissing van 13 juni 2017 – op 9 mei 2017 – prejudiciële vragen had gesteld aan de Hoge Raad over de rechtsgeldigheid van een vonnis in burgerlijke zaken dat mede was gewezen door een rechter die daartoe onbevoegd was en over de gevolgen voor de verdere behandeling van die zaak als zou worden geoordeeld dat zo’n vonnis nietig is. “Het zegt genoeg over de arrogantie van dit Gerechtshof, dit wetende, toch uitspraak te doen d.d. 13 juni 2017 in ondergetekende zijn zaak”, aldus klager, die erop heeft gewezen dat de Hoge Raad naar aanleiding van die vragen op 13 april 2018 (onder meer en samengevat) heeft geoordeeld dat een vonnis dat is gewezen door een daartoe onbevoegde rechter nietig is en dat de zaak vervolgens moet worden terugverwezen naar de rechtbank waar de zaak vandaan komt. In verband met dat oordeel heeft klager betoogd dat het hof op 13 juni 2017 onbevoegd was om uitspraak te doen op de drie genoemde klachten uit 2016, dat het hof de behandeling daarvan had moeten terugverwijzen naar de kamer en dat de kamer nog steeds uitspraak moet doen op die klachten.

2.14.       Naar het oordeel van de kamer heeft het hof bij beslissing van 13 juni 2017 echter inhoudelijk op de klachten SHE/2016/5, SHE/2016/16 en SHE/2016/22 beslist. Dat de Hoge Raad nadien in een civiele procedure heeft geoordeeld dat die zaak moest worden terugverwezen naar de vorige instantie, maakt dat niet anders. De kamer is dan ook van oordeel dat de (hoogste notariële) tuchtrechter heeft geoordeeld over de beide klachten van klager dat de notaris diverse betrokkenen destijds onjuist heeft geïnformeerd over de procedure in België. Daaruit volgt dat een volgende klacht over hetzelfde feitencomplex wegens ne bis in idem niet-ontvankelijk kan zijn.

2.15.       Mede gelet op de inhoud van de processtukken in de dossiers SHE/2016/5 en SHE/2016/16, het verhandelde bij de gecombineerde mondelinge behandeling van die klachten door de kamer en het hof – zoals deze blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling door de kamer op 18 juli 2016 en de hierna onder 2.19. en 2.20. geciteerde overwegingen van de kamer en het hof – is de kamer van oordeel dat de notaris er na de beslissing van het hof op beide klachten van uit mocht gaan dat de tuchtklachten over de mededelingen die hij had gedaan over de procedure in België waren afgedaan. Nu klager zich in klacht SHE/2020/14 opnieuw heeft beklaagd over leugenachtige mededelingen die de notaris destijds – zij het deels tegenover andere betrokkenen – zou hebben gedaan, is de kamer van oordeel dat de voorzitter op goede gronden heeft geoordeeld dat de klachtonderdelen 3 en 4 van deze klacht niet-ontvankelijk zijn wegens ne bis in idem.

Vervaltermijn

2.16.       Voor zover klager heeft gesteld dat de voorzitter ten aanzien van de overige klachtonderdelen ten onrechte heeft geoordeeld dat de driejaarstermijn als bedoeld in artikel 99 lid 21 Wna was verstreken toen klacht SHE/2020/14 op 6 april 2020 door de kamer werd ontvangen, overweegt de kamer als volgt.

2.17.       In de kern heeft klager betoogd dat hij er pas mee bekend is geworden dat de notaris in 2015, 2016 en 2017 bepaalde leugenachtige mededelingen had gedaan over de procedure in België toen hij op 18 augustus 2017 (na inzage van zijn dossier bij de FOD) kennis had genomen van een e-mail van de notaris aan de FOD van 5 november 2015. Volgens klager worden de zes leugens die hij ten grondslag heeft gelegd aan klacht SHE/2020/14 gestaafd door die e-mail van 5 november 2015, waarvan de inhoud (voor zover relevant voor de beoordeling van deze zaak) als volgt luidt:

“-            Ik heb [naam klager] vandaag gemeld dat ik gezien zijn verdere vertraging, de onderhandse verkoop van de woning weer zal oppakken.  Hij kan daartegen de beslissing van de kantonrechter inroepen. Ik heb hem ook geadviseerd dat te doen, en snel omdat we in België volgens mij al toestemming van de rechter hebben (en er is ook al een conceptakte van levering).

-             Ik zal contact opnemen met notaris [naam Belgische notaris] (Hamont-Achel) voor de levering. Zij heeft onder meer de machtiging verzorgd.

Rabobank zond ik eenzelfde bericht.”

Omdat klager voor 18 augustus 2017 niet bekend was met deze e-mail is hij van mening dat de driejaarstermijn om zich te beklagen over de zes beweerdelijke leugens die de notaris eerder had verkondigd, pas op dat moment is gaan lopen zodat deze nog niet was verstreken toen hij klacht SHE/2020/14 indiende.

2.18.       Ter onderbouwing van zijn stellingen over de beweerdelijke leugens van de notaris heeft klager bij klacht SHE/2020/14 (evenals bij de klachten SHE/2016/5 en SHE/2016/16) een kopie overgelegd van een aan hem gerichte brief van de genoemde rechtbank in België van 10 mei 2016.

De inhoud daarvan luidt als volgt:

“Naar aanleiding van uw schrijven dd. 20 april 2016 kan ik u meedelen dat er namens de heer [naam klager] een verzoekschrift van de erfgenamen om machtiging tot onderhandse verkoop van onroerende goederen behorende tot een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving werd neergelegd op 13 mei 2015.

Het verzoekschrift werd door mr. [X], advocaat te Hamont-Achel, [adres], neergelegd ter griffie.

Mr. [X] heeft ondertussen meegedeeld dat zij zonder instructies is en niet meer optreedt namens notaris [naam van de beklaagde notaris].”

Daaruit blijkt dat klager er vanaf medio mei 2016 mee bekend was dat volgens die rechtbank namens de notaris een verzoek tot het verkrijgen van een machtiging tot onderhandse verkoop van de woning was ingediend. Gelet op de inhoud van die brief is de kamer dan ook van oordeel dat klager vanaf medio mei 2016 in de gelegenheid was om te beoordelen of de mededelingen van de notaris over het verzoek tot onderhandse verkoop overeenstemden met de informatie die hij daarover van die rechtbank had ontvangen. Vast staat dat klager de notaris na ontvangst van die brief ook om opheldering heeft gevraagd over de procedure in België en dat hij zich naar aanleiding van de antwoorden die de notaris vervolgens op zijn vragen heeft gegeven in de klachten SHE/2016/5 en SHE/2016/16 (onder meer) heeft beklaagd over de beweerdelijk leugenachtige informatie die de notaris aan diverse betrokkenen, onder wie klager zelf, over die procedure had verstrekt.

2.19.       In de genoemde (overigens nietige) beslissing van 19 september 2016 op die beide klachten heeft de kamer naar aanleiding van de wederzijdse standpunten van klager en de notaris over de procedure in België als volgt overwogen:

“5.7.       Klager verwijt de notaris dat hij in een brief van 19 januari 2016 in strijd met de waarheid vermeld heeft geen enkele gerechtelijke procedure te zijn gestart ter zake de verkoop van de woning terwijl hij in een verzoekschrift van 12 november 2015 aan de kantonrechter uitdrukkelijk te kennen gegeven heeft een procedure te zijn gestart bij de Rechtbank te Hasselt (België). De notaris heeft erin gepersisteerd nimmer een procedure te zijn gestart en verwijst daarvoor naar een e-mail bericht van een Belgische advocate van 27 november 2015. Ook heeft hij aangevoerd dat de Belgische aspecten zijn behandeld door een Belgische collega en dat er mogelijk slechts een concept verzoekschrift aan de rechtbank is voorgelegd. Klager heeft daar echter een bericht van de Rechtbank in eerste aanleg in Hasselt tegenovergesteld waarin bevestigd wordt dat een procedure door of namens de notaris is opgestart. De notaris heeft dit bericht niet kunnen weerleggen zodat de kamer ervan uitgaat dat er voor of namens de notaris een procedure gespeeld heeft bij de rechtbank te Hasselt. De notaris heeft hierover onvoldoende/onjuiste informatie verstrekt aan (onder meer) klager. In zoverre acht de kamer dit klachtonderdeel gegrond.”

2.20.       Bij de genoemde beslissing van 13 juni 2017 heeft het hof daarover als volgt geoordeeld:

“6.12. Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris de gang van zaken met betrekking tot de procedure in België nader toegelicht. De notaris heeft aangevoerd dat notaris [naam Belgische notaris] wat de woning betreft zelfstandig vereffenaar was, dat zij uit dien hoofde een advocaat (mr. [X]) in de arm heeft genomen om de verkoop van de woning via een gerechtelijke procedure mogelijk te maken, en dat de zaak in België op de rol is gezet maar nog niet kon worden aangevangen, omdat het verzoek nog niet compleet was. Dit blijkt volgens de notaris ook uit de door hem overgelegde e-mails. De notaris heeft hieraan toegevoegd dat hij niet weet waarom notaris [naam Belgische notaris] dat op deze manier heeft gedaan. Nu klager niet heeft betwist dat notaris [naam Belgische notaris] met betrekking tot de woning als zelfstandig vereffenaar optrad en het hof geen aanleiding heeft om hieraan te twijfelen, kan op het punt van de in België gestarte gerechtelijke procedure enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris niet worden vastgesteld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.”

2.21.       De klachtonderdelen 1 en 2 van klacht SHE/2020/14 gaan over de beweerdelijk leugenachtige mededelingen die de notaris bij het hof heeft gedaan over de betrokkenheid van de genoemde Belgische advocaat [X] en de Belgische notaris [Y] (hierna: [X] en [Y]). Over de ontvankelijkheid van die klachtonderdelen overweegt de kamer als volgt. Uit de processtukken en het proces-verbaal van de gecombineerde mondelinge behandeling van de klachten SHE/2016/5 en SHE/2016/16 door de kamer blijkt dat de mededelingen van de notaris over de procedure in België en de betrokkenheid daarbij van [X] en [Y] destijds uitgebreid onderwerp van debat hebben gevormd. Uit het beroepschrift van de notaris en de genoemde beslissing van het hof blijkt dat dit debat in hoger beroep is voortgezet. Nu klager niet heeft weersproken dat hij op 2 maart 2017 bij de mondelinge behandeling van dit hoger beroep aanwezig is geweest, is de kamer van oordeel dat de voorzitter terecht heeft overwogen dat aangenomen mag worden dat klager op 2 maart 2017 bekend is geworden met de beweerdelijke leugens van de notaris over de betrokkenheid van [X] en [Y], zodat de driejaarstermijn om zich over die beweerdelijke leugens te beklagen op dat moment is gaan lopen. Dat klager naar zijn zeggen pas op 18 augustus 2017 bekend is geworden met de inhoud van de hiervoor onder 2.17. geciteerde e-mail van de notaris maakt dat niet anders, nu de inhoud van die e-mail naar het oordeel van de kamer niet wezenlijk afwijkt van eerdere mededelingen van de notaris over de procedure in België waar klager ten tijde van de mondelinge behandeling van het hoger beroep mee bekend was. In dat verband wijst de kamer op de brief van de notaris aan de kantonrechter van 12 november 2015, waarin hij meedeelt dat in België al toestemming is verzocht voor de onderhandse verkoop. Opmerking verdient daarbij dat klager die brief van de notaris zelf op 20 januari 2016 als bijlage bij zijn tweede klacht (SHE/2016/5) in het geding heeft gebracht (en overigens ook als bijlage bij zijn derde klacht (SHE/2016/16) en als bijlage bij deze klacht), zodat hij op zijn minst vanaf 20 januari 2016 bekend mag worden verondersteld met deze (vergelijkbare) beweerdelijk leugenachtige mededeling van de notaris. Gelet op het vorenstaande is de kamer van oordeel dat de voorzitter terecht heeft geoordeeld dat de driejaarstermijn was verstreken toen klager deze klacht(onderdelen) indiende, zodat de klachtonderdelen 1 en 2 niet-ontvankelijk zijn.

2.22.       Ten aanzien van klachtonderdeel 3 heeft de kamer hiervoor onder 2.15. al geoordeeld dat dit niet-ontvankelijk is wegens ne bis in idem. De vraag of de voorzitter terecht heeft geoordeeld dat dit klachtonderdeel eveneens niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de driejaarstermijn kan daarom in het midden blijven.

2.23.       De klachtonderdelen 5 en 6 gaan over de mededelingen die de notaris bij zijn hiervoor onder 2.21. genoemde brief van 12 november 2015 aan de kantonrechter heeft gedaan over de procedure in België. Overwegende dat niet was gesteld of gebleken dat klager met de inhoud van die brief pas begin april 2017 bekend was geworden, heeft de voorzitter geoordeeld dat de driejaarstermijn was verstreken toen deze klacht op 6 april 2020 door de kamer werd ontvangen. Zoals vermeld had klager deze brief van de notaris al op 20 januari 2016 bij zijn tweede klacht in het geding gebracht, zodat vast staat dat hij destijds al bekend was met de inhoud daarvan. De kamer is dan ook van oordeel dat de voorzitter op goede gronden heeft geoordeeld dat ook de klachtonderdelen 5 en 6 niet-ontvankelijk zijn wegens overschrijding van de driejaarstermijn.

2.24.       Gelet op het vorenstaande is de kamer van oordeel dat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter op klacht SHE/2020/14 ongegrond is.

2.25.       Bij zijn verzetschrift heeft klager klacht SHE/2020/14 uitgebreid met een zevende klachtonderdeel, inhoudende dat de notaris ten overstaan van de kamer heeft gelogen. Het Reglement omtrent de werkwijze van de kamers voor het notariaat biedt echter niet de mogelijkheid om een klacht na indiening van een klaagschrift uit te breiden. Daarom gaat de kamer daaraan voorbij.

  • Klacht SHE/2020/16

2.26.       In deze klacht verwijt klager de notaris ten eerste dat hij zich bij e-mail van 23 september 2016 ten onrechte op zijn notariële geheimhoudingsplicht heeft beroepen toen hij weigerde bepaalde informatie aan klager te verstrekken. Uit de door klager overgelegde kopie van die e-mail blijkt dat de notaris deze op die datum aan klager heeft toegezonden. Nu niet is gesteld of gebleken dat klager die e-mail destijds niet heeft ontvangen, heeft de voorzitter naar het oordeel van de kamer terecht geoordeeld dat klager vanaf 23 september 2016 bekend mag worden verondersteld met het feit dat de notaris een beroep deed op zijn geheimhoudingsplicht, zodat de driejaarstermijn om zich daarover te beklagen op dat moment is gaan lopen. Volgens vaste jurisprudentie van het gerechtshof Amsterdam is voor de aanvang van die termijn niet vereist dat een klager op dat moment ook bekend is met de juridische (of tuchtrechtelijke) beoordeling van dat handelen of nalaten. Voor zover klager heeft gesteld dat de notaris pas eind 2019 naar voren heeft gebracht dat hij niet als notaris maar als vereffenaar optrad, lijdt dat er naar het oordeel van de kamer dan ook niet toe dat deze vervaltermijn pas op dat moment is gaan lopen. Omdat de klacht over het beroep op de geheimhoudingsplicht niet eerder dan op 15 april 2020 – dus na het verstrijken van de driejaarstermijn – bij de kamer is binnengekomen, is de kamer van oordeel dat de voorzitter de klacht op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Opmerking verdient overigens dat klager de e-mail van 23 september 2016 ook al in het geding had gebracht bij de vijfde tuchtklacht die hij bij brief van 29 september 2016 tegen de notaris had ingediend (SHE/2016/77). In die klacht stelde hij zich (onder meer) al op het standpunt dat een vereffenaar geen geheimhoudingsplicht heeft. 

2.27.       Ten tweede verwijt klager de notaris dat hij zich bij eerdere procedures in Nederland en België over zijn handelwijze consequent op zijn hoedanigheid van notaris heeft beroepen, terwijl hij later bij een procedure in Nederland ineens heeft erkend “dat hij zijn werkzaamheden als vereffenaar niet uit hoofde van zijn functie als notaris uitvoert en dat deze werkzaamheden niets te doen hebben met zijn hoedanigheid als notaris”, aldus klager. Door zich, zoals het hem uitkomt, wel of niet als notaris uit te geven bij het verrichten van zijn werkzaamheden als vereffenaar, probeert hij volgens klager uit te komen onder het notariële tuchtrecht en de verplichtingen die voor een notaris gelden bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Omdat het een gedaagde/verweerder in een juridische procedure inderdaad in beginsel vrijstaat zijn verweer naar eigen inzicht te voeren, is de kamer van oordeel dat de voorzitter dit klachtonderdeel terecht ongegrond heeft verklaard. Overigens heeft de kamer – zoals klager in zijn klaagschrift nota bene zelf heeft gesteld – en heeft ook het hof naar aanleiding van eerdere klachten van klager tegen de notaris al geoordeeld dat de notaris ook voor zijn handelen als vereffenaar onder het notariële tuchtrecht valt. Zo heeft het hof al bij beslissing van 13 juni 2017 naar aanleiding van de tweede, derde en vierde klacht van klager onder meer als volgt overwogen:

“6.6. Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het handelen in een andere hoedanigheid dan notaris dat voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, zonder dat het handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden.

6.7. In deze zaak heeft de notaris gehandeld in hoedanigheid van vereffenaar. Naar het oordeel van het hof houden de gedragingen van een vereffenaar voldoende verband met het daarbij passende gedragsniveau van een notaris, zodat de notaris zich voor zijn handelen als vereffenaar tuchtrechtelijk moet verantwoorden. Hierop dient een uitzondering te worden gemaakt voor de regels die de functie van een vereffenaar in algemene zin betreffen. Op dat gebied is de kantonrechter bevoegd.”

Dat klager de notaris jaren later desalniettemin verwijt dat hij als vereffenaar onder het notariële tuchtrecht “probeert uit te komen”, acht de kamer dan ook niet terecht.

2.28.       Gelet op het vorenstaande is de kamer van oordeel dat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter op klacht SHE/2020/16 ongegrond is.

  • Redelijke termijn

2.29.       Bij de mondelinge behandeling heeft klager gesteld dat hij recht heeft op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar waarbinnen op zijn klachten had moeten worden beslist. Naar aanleiding daarvan stelt de kamer voorop dat in het notariële tuchtrecht niet is vastgelegd binnen welke termijn op een klacht moet worden beslist. De kamer hanteert als uitgangspunt dat dit moet gebeuren binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zoals vermeld zijn de klachten SHE/2020/14, SHE/2020/16 en SHE/2020/32 ingediend op respectievelijk 6 april 2020, 15 april 2020 en 13 mei 2020 en wordt deze beslissing uitgesproken op 17 oktober 2022. Dit betekent dat tussen het moment waarop de klachten in behandeling zijn genomen en deze beslissing in de verzetprocedures ongeveer 30 maanden zijn verstreken.

2.30        Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat daarmee de redelijke termijn is overschreden, moet vervolgens worden vastgesteld aan wie de overschrijding in overwegende mate moet worden toegerekend. Uit de hiervoor onder 1 weergegeven omschrijving van de verzetprocedures blijkt dat klager tweemaal (tevergeefs) een wrakingsincident heeft opgeworpen. Mede in verband met de behandeling van de zeven eerdere tuchtklachten die klager tegen de notaris had ingediend, de behandeling van een verzoek tot herziening van de beslissing van de kamer op de eerste tuchtklacht en de behandeling van twee eerdere (tevergeefs) opgeworpen wrakingsincidenten in de procedure tot behandeling van de zesde tuchtklacht, heeft de kamer zich genoodzaakt gezien het hof te vragen om de behandeling van de beide wrakingsverzoeken in deze verzetprocedures te verwijzen naar een andere kamer. Opmerking verdient daarbij dat klager inmiddels viermaal (tevergeefs) een verzoek heeft gedaan tot wraking van mr. J.H.L.M. Snijders. Tussen het moment van indiening van de beide wrakingsverzoeken in deze verzetprocedures en het moment waarop de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag na verwijzing door het hof op de beide wrakingsverzoeken heeft beslist, is respectievelijk circa zes en circa vijf maanden verstreken terwijl de kamer doorgaans op aanzienlijk kortere termijn op een wrakingsverzoek beslist. Nu de – door het procedeergedrag van klager veroorzaakte – verwijzing er in overwegende mate toe heeft geleid dat de behandeling van deze verzetprocedures is vertraagd, is de kamer van oordeel dat deze vertraging voor rekening van klager behoort te blijven.


2.31.       Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.            De beslissing

De kamer:

  • verklaart verzet SHE/2020/53 (klachtnummer SHE/2020/14) ongegrond;
  • verklaart verzet SHE/2020/54 (klachtnummer SHE/2020/16) ongegrond;
  • verklaart verzet SHE/2020/55 (klachtnummer SHE/2020/32) niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend rechterlijk lid, en mr. E.J.W.M. van Egeraat, plaatsvervangend notarieel lid.

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2022 door mr. J.D. Streefkerk, (mede) plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

______________________________________________________________________________________________

(bestreden voorzittersbeslissing:)

Geachte heer [naam klager],

Bij brieven van 4 respectievelijk 12 april 2020 heeft u klachten geformuleerd tegen notaris mr. [naam notaris] (hierna: de notaris) te [naam vestigingsplaats]. Deze brieven zijn op 6 april respectievelijk 15 april 2020 door de kamer voor het notariaat (hierna: de kamer) ontvangen en geregistreerd onder de klachtnummers SHE/2020/14 en SHE/2020/16.

Een vervolgbericht heeft sindsdien even op zich laten wachten maar dat is niet zonder reden. Ik licht dat toe.

Voorgeschiedenis

Naast de hierboven genoemde twee klachten heeft u in het recente verleden de nodige andere klachten tegen deze notaris bij deze kamer ingediend en vervolgprocedures gevoerd.

Ik ben daarom ambtshalve bekend met de achtergrond.

  • Uw moeder is op 11 mei 2011 overleden, waarna uw vader op 19 juni 2011 is overleden. U en uw twee zussen zijn als erfgenamen gerechtigd tot de nalatenschap van vader. U heeft deze nalatenschap zuiver aanvaard. Uw zussen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
  • Op verzoek van uw zussen heeft de rechtbank Oost-Brabant de notaris met ingang van 16 april 2014 tot vereffenaar van de nalatenschappen van moeder en vader benoemd.
  • Tot de nalatenschap van vader behoort onder meer (een onverdeeld aandeel in) de in België gelegen ouderlijke woning (hierna: de woning). Op de woning rusten twee rechten van hypotheek: een recht van eerste hypotheek ten behoeve van Rabobank N.V. en een recht van tweede hypotheek ten behoeve van de Federale Overheidsdienst Financiën (hierna: FOD of de Belgische belastingdienst). U wenst dat de woning aan u wordt toegedeeld.

Verder heb ik het volgende geconstateerd.

a) Omdat u niet tevreden was over de wijze waarop de notaris zijn werkzaamheden als vereffenaar verrichtte, heeft u op 9 september 2014 bij deze kamer een (eerste) klacht tegen de notaris ingediend (SHE/2014/73). Bij beslissing van 21 september 2015 heeft de kamer die klacht niet-ontvankelijk verklaard. U heeft hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Gerechtshof) heeft u bij beslissing van 14 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard in uw hoger beroep.

b) Bij brief van 18 juli 2016 heeft u de kamer verzocht de beslissing van 21 september 2015 te herzien (SHE/2016/63). Bij brief van 11 september 2016 heeft u het Gerechtshof verzocht om herziening van de beslissing van 14 juni 2016. Het Gerechtshof heeft dit herzieningsverzoek afgewezen bij brief van 13 oktober 2016. Bij beslissing van 15 mei 2017 heeft de kamer u niet-ontvankelijk verklaard in uw herzieningsverzoek. Tegen die beslissing heeft u hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 9 januari 2018 heeft het Gerechtshof de bestreden beslissing van de kamer vernietigd en, opnieuw beslissende, het herzieningsverzoek afgewezen.

c) Bij brieven van 18 januari 2016, 19 februari 2016 en 29 maart 2016 heeft u opnieuw klachten geformuleerd tegen de notaris over zijn handelwijze met betrekking tot de nalatenschap van vader (SHE/2016/5, SHE/2016/16 en SHE/2016/22). De kamer heeft deze klachten gecombineerd behandeld. Bij beslissing van 19 september 2016 heeft de kamer u in een deel van de klachten niet-ontvankelijk verklaard, is een deel van de klachten gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel en is het overige deel van de klachten ongegrond verklaard. U heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof. Bij (gecombineerde) beslissing van 13 juni 2017 heeft het Gerechtshof de bestreden beslissing vernietigd en u niet-ontvankelijk verklaard in een deel van uw klacht, het klachtonderdeel met betrekking tot het in rekening brengen van kosten naar aanleiding van de klachtbehandeling gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Vervolgens heeft u bij het Gerechtshof een verzoek ingediend tot herziening van de beslissing van 13 juni 2017. Het Gerechtshof heeft dit verzoek tot herziening afgewezen bij beslissing van 5 juni 2018.

d) Op 30 september 2016 heeft u opnieuw een (vijfde) klacht tegen de notaris ingediend (SHE/2016/77). Bij beslissing van 24 april 2017 heeft de kamer die klacht ongegrond verklaard. U heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 8 mei 2018 heeft het Gerechtshof de beslissing van de kamer vernietigd ten aanzien van twee klachtonderdelen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, u niet-ontvankelijk verklaard in die twee klachtonderdelen. Het Gerechtshof heeft de beslissing van de kamer voor het overige bevestigd.

e) Op 26 september 2017 heeft u opnieuw een (zesde) klacht tegen de notaris ingediend (SHE/2017/95). Bij beslissing van 20 mei 2019 heeft de kamer die klacht - inhoudende dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat de notaris aan het verlenen van zijn medewerking aan toedeling van de woning aan u de voorwaarde had verbonden dat u dan alle tuchtklachten die u tegen de notaris had ingediend, zou moeten intrekken - gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.

f) Op 21 januari 2020 heeft u een (zevende) klacht tegen de notaris ingediend (SHE/2020/3). Samengevat verwijt u de notaris dat hij tijdens de mondelinge behandeling van de zesde klacht (SHE/2017/95) op 18 maart 2019 vier uitspraken heeft gedaan die onjuist en in strijd met de bij de notaris bekende feiten zijn. Bij voorzittersbeslissing van 20 april 2020 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de kamer de klacht terstond afgewezen, omdat deze kennelijk niet-ontvankelijk is. In deze beslissing staat onder meer vermeld:

“4.2.       In het verleden heeft klager tegen de notaris al zes klachten ingediend. Deze klachten hebben geleid tot de hiervoor onder “De feiten”opgesomde beslissingen. Uit die beslissingen volgt dat de grote hoeveelheid ingediende klacht(onderdel)en er vrijwel steeds op neerkomen dat klager het niet eens is met de wijze waarop de nalatenschap(pen) van vader (en moeder) wordt/worden afgewikkeld door de notaris in zijn hoedanigheid van vereffenaar. In de kern is sprake van een geschil tussen klager en de notaris over wat er met de woning moet gebeuren.

4.3.         Van alle eerder ingediende klacht(onderdel)en hebben er slechts twee geleid tot onherroepelijke gegrondverklaring. Deze twee klacht(onderdel)en - namelijk het van klager verlangen van een vergoeding van de kosten van de klachtbehandeling en het aan het verlenen van (notariële) medewerking verbinden van de voorwaarde dat klager dan de tuchtklacht(en) die hij tegen de notaris had ingediend, intrekt - betreffen het terechte verwijt dat door de notaris een drempel is opgeworpen voor klager om een klachtprocedure te voeren. In beide gevallen is geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden de handelwijze van de notaris niet zodanig ernstig is dat het opleggen van een maatregel geboden is.

4.4.         De overige door klager tegen de notaris ingediende klacht(onderdel)en hebben steeds geleid tot niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondverklaring. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat klager telkens (voor hem zonder succes) hoger beroep heeft ingesteld tegen de gegeven beslissingen en/of daarvan herziening heeft gevraagd.

4.5.         De voorzitter volgt de notaris in zijn verweer dat ook de huidige klacht is terug te voeren op het geschil tussen klager en de notaris (in zijn hoedanigheid van vereffenaar) over wat er met de woning moet gebeuren. Hoewel het belangrijk is dat aan iedereen een laagdrempelige toegang tot het tuchtrecht wordt geboden, is de voorzitter tegen de achtergrond van alle vorige klachten van oordeel dat klager met het indienen van wederom een nieuwe klacht, die betrekking heeft op de afwikkeling van de nalatenschappen, waaronder een aspect dat samenhangt met de woning - welke klacht hij bovendien niet heeft onderbouwd - niet alleen de notaris maar ook de kamer op onevenredige wijze belast. Daarmee overschrijdt klager de grenzen die redelijkerwijze aan gebruikmaking van het klachtrecht kunnen worden gesteld. Ook klager moet begrijpen dat het recht om te klagen een keer ophoudt. Naar het oordeel van de voorzitter is in de gegeven omstandigheden sprake van misbruik van klachtrecht en is de klacht daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De klacht zal terstond worden afgewezen.”

Tot zover het overzicht van uw belangrijkste ondernomen acties voor zover ik die heb geconstateerd.

Ik zal hierna inhoudelijk reageren op de in het begin van deze brief genoemde twee klachten, die u in april 2020 bij de kamer heeft ingediend en die zijn geregistreerd onder de klachtnummers SHE/2020/14 en SHE/2020/16.

Klacht SHE/2020/14

Deze klacht betreft uw verwijt dat de notaris meerdere keren aantoonbaar en opzettelijk onwaarheden c.q. leugens heeft verkondigd. U wijst op de volgende zes onwaarheden/leugens.

  • Leugens geuit door de notaris voor het Gerechtshof in het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer in de klachten SHE/2016/5, SHE/2016/16 en SHE/2016/22 (zie hiervoor onder c). In het klaagschrift staat vermeld:

1. “Mevrouw notaris mr. [naam Belgische [Y]] was zelfstandig vereffenaar wat de woning betreft, dat zij uit dien hoofde een advocaat mevrouw [X] in de arm heeft genomen om de verkoop van de woning via een gerechtelijke procedure mogelijk te maken.”

2. De notaris stelt dat hij niet weet waarom notaris [Y] dit op deze manier heeft gedaan (de opdracht in zijn naam te verstrekken om betreffend verzoekschrift tot onderhandse verkoop bij de Rechtbank Eerste Aanleg te Hasselt in zijn naam in te dienen).”

  • Leugen geuit door de notaris voor de kamer in de klachten SHE/2016/5, SHE/2016/16 en SHE/2016/22 (zie hiervoor onder c). In het klaagschrift staat vermeld:

3. “De notaris heeft erin gepersisteerd nimmer een procedure te zijn gestart.”

  • Leugen geuit door de notaris jegens FOD en de Rabobank d.d. 5 november 2015, volgens u op 18 augustus 2017 duidelijk geworden. In het klaagschrift staat vermeld:

4. “Omdat we in België volgens mij al toestemming van de rechter hebben (en er is ook al een conceptakte van levering). Ik zal contact opnemen met notaris [Y] (Hamont-Achel) voor de levering. Zij heeft onder meer de machtiging verzorgd. Rabobank zond ik eenzelfde bericht.”

  • Leugens geuit door de notaris jegens kantonrechter Rechtbank Oost-Brabant d.d. 12 november 2015 (vastgesteld door inhoud in beslissing Hof d.d. 13 juni 2017). In het klaagschrift staat vermeld:

5. “Op 12 november 2015 schrijft [de notaris] een brief aan de kantonrechter met o.a. de volgende tekst. “Door een Belgische notaris is al een concept van de overdrachtsakte voorbereid. Deze is onder meer nodig voor toestemming van de Belgische rechter. Toestemming is al verzocht. Met de toestemming ga ik de woning nu verkopen aan de koper die ik daarvoor heb gevonden. De hypotheekhouders hebben daar eerder al akkoord voor gegeven, ondanks dat zij dan niet geheel kunnen worden afgelost. Indien u van mening bent dat ik de onderhandse verkoop toch niet moet doorzetten, verzoek ik u eerbiedig om mij daarvoor een aanwijzing als bedoeld in art. 4:210 lid 1 BW te geven.”

Ofwel hij deelt de Kantonrechter mede dat hij een akkoord van de Rechtbank in Eerste Aanleg heeft om de woning onderhands te mogen verkopen, zoals hij dit ook mededeelde d.d. 5 november 2015 aan de FOD Financiën en aan de Rabobank. Anders zou hij dat niet nu willen realiseren. Dit hebt u ook vastgesteld in uw beslissing d.d. 19 september 2016.

6. Op 12 november 2015 stelt notaris mr. [naam notaris] in zijn brief aan de Rechtbank Oost Brabant dat ondergetekende al meer dan een jaar de vereffening van de nalatenschappen onnodig ophoudt. Hij onderneemt zelf geen enkele actie, anders dan e-mails verzenden met eigen (onjuiste) interpretaties van wetteksten en schofferingen. Daarop reageren brengt de vereffening niet verder. [Klager] werkt anderszins niet mee aan de vereffening.” Verder stelt hij dat ik niet aan de wensen van Rabobank wil voldoen.”

Op de klachtonderdelen 1 en 2 is de vervaltermijn van artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt (Wna) van toepassing. Artikel 99 lid 21 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een (oud-) notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennisgenomen (de driejaarstermijn). Indien de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de (oud-)notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van de door u gestelde leugens 1 en 2 constateer ik dat uit overweging 6.12. van het arrest van het Gerechtshof van 13 juni 2017 blijkt dat de notaris deze vermeende leugens ter zitting van 2 maart 2017 zou hebben verkondigd. Uit overweging 1.6. van het arrest blijkt dat u bij die zitting aanwezig was. Op grond hiervan mag worden aangenomen dat u met de vermeende leugens bekend werd op 2 maart 2017. In ieder geval is gesteld noch gebleken dat u hiervan op een later moment kennis heeft genomen. De driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna is, nu de klacht op 6 april 2020 bij de kamer is ingediend, verstreken. De klachtonderdelen 1 en 2 zijn daarom niet-ontvankelijk.

Ook op klachtonderdeel 3 is de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna van toepassing. De onder 3 gestelde leugen is verkondigd in de procedure bij de kamer, waarin op 19 september 2016 uitspraak is gedaan. In overweging 5.7. van deze beslissing staat de betreffende stelling van de notaris vermeld. Op grond hiervan mag worden aangenomen dat u met de vermeende leugen in ieder geval bekend was op of kort na 19 september 2016. De driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna is, nu de klacht op 6 april 2020 bij de kamer is ingediend, verstreken. Klachtonderdeel 3 is daarom niet-ontvankelijk. Daar komt bij dat de onder 3 verweten leugen al door de kamer is behandeld. In de beslissing van 19 september 2016 heeft de kamer in overweging 5.7. namelijk overwogen:

“Klager verwijt de notaris dat hij in een brief van 19 januari 2016 in strijd met de waarheid vermeld heeft geen enkele gerechtelijke procedure te zijn gestart ter zake de verkoop van de woning terwijl hij in een verzoekschrift van 12 november 2015 aan de kantonrechter uitdrukkelijk te kennen gegeven heeft een procedure te zijn gestart bij de Rechtbank te Hasselt (België). De notaris heeft erin gepersisteerd nimmer een procedure te zijn gestart en verwijst daarvoor naar een e-mail bericht van een Belgische advocate van 27 november 2015. Ook heeft hij aangevoerd dat de Belgische aspecten zijn behandeld door een Belgische collega en dat er mogelijk slechts een concept verzoekschrift aan de rechtbank is voorgelegd. Klager heeft daar echter een bericht van de Rechtbank in eerste aanleg in Hasselt tegenovergesteld waarin bevestigd wordt dat een procedure door of namens de notaris is opgestart. De notaris heeft dit bericht niet kunnen weerleggen zodat de kamer ervan uitgaat dat er voor of namens de notaris een procedure gespeeld heeft bij de rechtbank te Hasselt. De notaris heeft hierover onvoldoende/onjuiste informatie verstrekt aan (onder meer) klager. In zoverre acht de kamer dit klachtonderdeel gegrond.”

Omdat niet herhaaldelijk over dezelfde gedraging van een notaris kan worden geklaagd wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel bent u ook om die reden niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 3. 

Ten aanzien van klachtonderdeel 4 constateer ik dat uw verwijt dat de notaris de FOD en de Rabobank zou hebben misleid met betrekking tot de (verkoop van de) woning al eerder door de kamer is behandeld. Dit heeft geresulteerd in de beslissing van de kamer van 19 september 2016 (zie hiervoor onder c). In overweging 5.4.1. van deze beslissing heeft de kamer overwogen:

“Deze klacht heeft onder meer betrekking op de communicatie met de [bank]en/of de Belgische belastingdienst rondom de beoogde overdracht van de woning (waaronder hierna tevens te verstaan: overgang middels toedeling van de woning) aan klager. Vaststaat dat de [bank] zich bereid verklaard heeft mee te willen werken aan een overdracht van de woning aan klager. De [bank] heeft aan deze medewerking wel voorwaarden verbonden, zoals onder meer de voldoening van advocaatkosten (buitengerechtelijke incassokosten). Ook de Belgische belastingdienst heeft zich kennelijk uiteindelijk onder voorwaarden bereid verklaard mee te willen werken aan een overdracht van de woning aan klager. Gebleken is dat klager zich niet kon vinden in de door de [bank] en de belastingdienst gestelde voorwaarden. Wat betreft de schuld aan de [bank] heeft klager zelfs het standpunt ingenomen dat de hypotheekvoorwaarden überhaupt niet meer van toepassing zouden zijn omdat de [bank] de geldlening opgeëist heeft. De vordering van de belastingdienst zou naar de mening van klager niet afdwingbaar zijn omdat deze nog niet vaststond. Om deze redenen heeft klager zijn medewerking aan de afwikkeling van de transactie onthouden. De kamer is van oordeel dat het niet doorgaan van de transactie aan klager moet worden toegerekend en dat de notaris hiervan geen verwijt gemaakt kan worden. Dat de notaris de [bank] en/of de Belgische belastingdienst ter zake onjuist zou hebben geïnformeerd, zoals aangevoerd door klager, is niet vast komen te staan. Los daarvan heeft de beweerdelijke onjuiste informatie de [bank] en de Belgische belastingdienst er kennelijk niet van weerhouden zich - onder voorwaarden - bereid te verklaren medewerking te verlenen aan de afwikkeling van de transactie, maar heeft de houding van klager aan het effectueren van de transactie in de weg gestaan.”

Omdat niet herhaaldelijk over dezelfde gedraging van een notaris kan worden geklaagd wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel bent u in klachtonderdeel 4 niet-ontvankelijk. Dat u naar eigen zeggen pas sinds 18 augustus 2017 over het bewijs beschikt van de vermeende leugen, maakt dit niet anders.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 5 en 6 stelt u dat de notaris in zijn brief van 12 november 2015 aan de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant twee leugens vermeldt, namelijk dat de notaris al toestemming had van de Belgische rechtbank om de woning onderhands te verkopen en dat u de vereffening van de nalatenschappen van uw ouders al meer dan een jaar onnodig ophield. Ik merk op dat, anders dan u stelt, in deze brief niet staat vermeld dat de notaris al toestemming van de Belgische rechtbank had om de woning te verkopen, maar dat hij om deze toestemming heeft verzocht. Los hiervan is ook op de klachtonderdelen 5 en 6 de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna van toepassing. De twee vermeende leugens staan vermeld in de brief van de notaris aan de kantonrechter van 12 november 2015. Gesteld noch gebleken is dat u met de inhoud van deze brief pas na begin april 2017 bekend bent geworden. Nu de klacht op 6 april 2020 bij de kamer is ingediend, is de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna verstreken en zijn de klachtonderdelen 5 en 6 daarom niet-ontvankelijk.

Klacht SHE/2020/16

In uw klaagschrift staat vermeld dat deze klacht uiteenvalt in de volgende twee onderdelen.

1) Op 23 september 2016 weigert de notaris afschriften van opgevraagde gespecificeerde correspondenties aan u te verstrekken door ten onrechte een beroep te doen op zijn geheimhoudingsplicht. Op 15 januari 2020 weigert de notaris op geheel andere grondslagen afschriften van de specifiek opgevraagde documenten aan u te verstrekken.
2) De notaris heeft zich in alle eerdere procedures, zeker in België, maar ook in Nederland consequent op zijn hoedanigheid als notaris beroepen en aangevoerd dat hij deze vereffening als notaris uitvoert. Op 29 oktober 2019 erkent hij voor de rechtbank Oost-Brabant ineens uitdrukkelijk dat hij zijn werkzaamheden als vereffenaar niet uit hoofde van zijn functie als notaris uitvoert en dat deze werkzaamheden niets te doen hebben met zijn hoedanigheid van notaris. Ofwel hij geeft zich, zoals het hem uitkomt, wel of niet als notaris uit bij het verrichten van zijn werkzaamheden als vereffenaar. Door niet als notaris handelingen te verrichten probeert hij onder het tuchtrecht, dat voor een notaris geldt, uit te komen alsmede aan de daarbij behorende verplichtingen die voor een notaris gelden bij de uitvoering van zijn werkzaamheden (onafhankelijk, onpartijdig, competent, zorgvuldig, integer enz).

Op klachtonderdeel 1 is de driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna van toepassing. De door u verweten weigering van de notaris om bepaalde afschriften te verstrekken was bij u op 23 september 2016 bekend. De driejaarstermijn van artikel 99 lid 21 Wna is, nu de klacht op 15 april 2020 bij de kamer is ingediend, verstreken. Klachtonderdeel 1 is daarom niet-ontvankelijk. Het feit dat de notaris op 15 januari 2020 een andere reden voor zijn weigering zou hebben aangevoerd, maakt dit niet anders.

In klachtonderdeel 2 verwijt u de notaris dat zijn verweer in de verschillende Belgische en Nederlandse civiele procedures en/of tuchtprocedures niet consistent is. Ik wijs u er op dat het een gedaagde/verweerder in civiele procedures en tuchtprocedures vrij staat om zijn verweer naar eigen inzicht te voeren. Klachtonderdeel 2 is daarom ongegrond.

Conclusie

Ik kom tot de conclusie dat van alle eerder ingediende klacht(onderdel)en slechts twee klacht(onderdel)en hebben geleid tot onherroepelijke gegrondverklaring. Deze twee klacht(onderdel)en - namelijk het van u verlangen van een vergoeding van de kosten van de klachtbehandeling en het aan het verlenen van (notariële) medewerking verbinden van de voorwaarde dat u dan de tuchtklacht(en) die u tegen de notaris had ingediend, intrekt - betreffen het terechte verwijt dat door de notaris een drempel is opgeworpen voor u om een klachtprocedure te voeren. In beide gevallen is geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden de handelwijze van de notaris niet zodanig ernstig is dat het opleggen van een maatregel geboden is.
De overige door u tegen de notaris ingediende klacht(onderdel)en hebben steeds geleid tot niet-ontvankelijkheid- dan wel ongegrondverklaring. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat u in de meeste gevallen tegen de beslissingen van de kamer (voor u telkens zonder succes) hoger beroep heeft ingesteld en/of daarvan herziening heeft gevraagd.
Zoals ik hiervoor heb uiteengezet moeten de nieuwe klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 naar mijn oordeel hetzelfde lot delen.

Verder constateer ik, zoals de plaatsvervangend voorzitter bij beslissing van 20 april 2020 (SHE/2020/3) ook heeft overwogen, dat alle klachten (ook de klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16) betrekking hebben op de afwikkeling van de nalatenschappen van uw ouders en in de kern zijn terug te voeren op het geschil tussen u en de notaris (in zijn hoedanigheid van vereffenaar) over wat er met de woning moet gebeuren. Uit hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet volgt dat veel van uw klacht(onderdel)en voortbouwen op dit geschil en op eerder gevoerde procedures. Het recht om te klagen houdt echter een keer op. 

Inmiddels is de afhandeling van al deze procedures voor de kamer dermate tijdrovend geworden dat een dergelijke investering vanaf heden onverantwoord is, gelet op de overige taken van deze kamer. Dit brengt mee dat uw klachten SHE/2020/14 en SHE/2020/16 gericht tegen de notaris niet verder in behandeling worden genomen, maar buiten behandeling worden gesteld wegens misbruik van klachtrecht. Hetzelfde geldt voor de door u bij brief van 9 mei 2020 ingediende klacht tegen de notaris (door de kamer ontvangen op 13 mei 2020), die is geregistreerd onder klachtnummer SHE/2020/32. Op deze laatste klacht zal om de hiervoor aangegeven redenen niet meer inhoudelijk worden gereageerd. Op vervolgcorrespondentie ter zake van vergelijkbare en aanverwante kwesties, of in verband met dit bericht, zal ook niet meer worden gereageerd; deze zal zonder beantwoording terzijde worden gelegd. Op deze correspondentie zal ook geen ontvangstbevestiging meer worden verzonden.

Deze reactie zal teleurstellend voor u zijn. De kamer acht het juist u de beweegreden om tot deze ingrijpende stap te komen op deze wijze aan u kenbaar te maken.

Kopie van deze brief wordt naar de beklaagde notaris verzonden.

Hoogachtend,

mr. W.F.J. Aalderink

plaatsvervangend voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort ‘s-Hertogenbosch