Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORARL:2022:22 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/397112/KL RK 21-184

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2022:22
Datum uitspraak: 07-06-2022
Datum publicatie: 30-06-2022
Zaaknummer(s): C/05/397112/KL RK 21-184
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
  • Personen- en Familierecht, subonderwerp: Testamenten
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: De positie van klagers als afstammelingen van erflater is door (de werking van) het testament aanvankelijk gedefinieerd als erfgenaam en vervolgens, mede ten gevolge van het beroep op de legitieme, getransformeerd in legitimaris. Klagers valt daarom naar het oordeel van de kamer niet te ontzeggen dat zij een redelijk belang hebben bij (een klacht over) de redactie van het testament en (een klacht over over) de communicatie van het mandaat van de notaris voor wat betreft de afwikkeling van het testament. Het niet-ontvankelijkheids-verweer in deze zaak treft daarom geen doel.De kamer is van oordeel dat klagers terecht klagen over de redactie van het testament, aangezien daaruit zonder uitleg niet duidelijk blijkt welk gevolg de bepaling van met name artikel zes van het testament (hierboven aangehaald) beoogt. De klacht over het onduidelijke mandaat van de notaris treft geen doel. Wel gegrond zijn de klachten over de onjuiste en onvolledige informatie over de gevolgen van het inroepen van de legitieme en over het feit dat de notaris nadien niet alsnog de gelegenheid heeft aangegrepen haar uitlatingen op dit punt te verbeteren. 

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk:         C/05/397112 / KL RK 21-184

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

1. [Kz.],

wonende te […],

2. [Kb.],

wonende te […],

klagers,

gemachtigde: mr. G.T.J. Hoff,

tegen

[N.],

notaris te […],

gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo.

Partijen worden hierna respectievelijk klagers en de notaris genoemd.

1.  Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit

  • de klacht, met bijlagen, van 2 december 2021
  • het verweer van de notaris van 4 februari 2022
  • de brieven van de gemachtigde klager met bijlagen van 11 en 14 april 2022
  • de e-mails van de gemachtigde van notaris van 14 en 18 april 2022
  • de e-mail van de gemachtigde van klager van 19 april 2022

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 25 april 2022 behandeld, waarbij zijn verschenen klaagster sub 1) vergezeld van haar echtgenoot, bijgestaan door haar gemachtigde enerzijds en de notaris, bijgestaan door haar gemachtigde anderzijds. Klager sub 2) heeft laten weten wegens ziekte verhinderd te zijn om ter zitting te verschijnen.

De voorzitter heeft partijen medegedeeld dat de kamer geen aanleiding ziet de zaak achter gesloten deuren te behandelen en evenmin aanleiding ziet de aanvullende stukken als ingekomen bij brief van 11 april 2022 van klager buiten de zittingstukken te laten.

Partijen hebben pleitnotities overgelegd.

2. De feiten

2.1 Klagers zijn tezamen met hun broer [B.] afstammelingen van hun overleden vader [E.] (hierna: erflater). Erflater heeft op 17 oktober 2017 voor het laatst bij testament over zijn vermogen beschikt.

2.2 Erflater heeft in zin testament zijn (hiervoor bedoelde) kinderen elk voor 1/3e erfdeel tot erfgenamen benoemd. Daarnaast is in het testament de Stichting […] een legaat toegekend voor ‘een bedrag gelijk aan de waarde van een erfdeel als ware deze Stichting voor de helft erfgenaam geweest in mijn nalatenschap’.

In artikel 6 van het testament bepaalt erflater als volgt:

“Beroep op legitieme

Indien een afstammeling een beroep doet op zijn legitieme portie, sluit ik hem en zijn afstammelingen uit als erfgenamen in mijn nalatenschap (…).”

2.3 De broer van klagers [B.] wordt in het testament aangewezen tot executeur.

2.4 In de considerans van zijn testament laat erflater weten dat hij zich realiseert dat het legaat aan de Stichting de kinderen kan schenden in hun legitieme. Echter erflater is van mening dat het de kinderen - die al veel vermogen hebben ontvangen uit de nalatenschap van hun moeder - aan niets ontbreekt en daarom verzoekt hij hen geen beroep te doen op hun legitieme.

2.5 Op 3 oktober 2018 is erflater overleden.

2.6 Op 29 november 2018 heeft notaris [B.} de partij-notaris van klager sub 2) de notaris gevraagd de erfgenamen in algemene bewoordingen uit te leggen wat artikel 6 van het testament (hierboven aangehaald) betekent.

2.7 Op 7 december 2018 heeft de notaris een notitie  gezonden aan de kinderen van erflaters.

 (…)

Bij de afwikkeling van de nalatenschap van jullie vader is het voor jullie allen van belang duidelijkheid te hebben over het gevolg van het inroepen van de legitieme portie, met name in het licht van artikel 6 van het testament. Daarom heb ik als boedelnotaris deze notitie geschreven.

(…)

Vader wilde graag dat zijn kinderen zouden berusten in de wijze waarop hij zijn vermogen heeft verdeeld. Als zij dat niet zouden doen, vond hij het eerlijk/reëel dat zij niet meer mee mogen beslissen over de afwikkeling van de nalatenschap en slechts als schuldeiser optreden (…) Deze bepaling werkt zo uit dat als een kind als erfgenaam een beroep op zijn/haar legitieme portie doet, hij of zij geen erfgenaam meer is en uitsluitend zijn of haar legitieme portie in geld ontvangt, dus niet (meer) in goederen en ook niet (meer) meepraat bij de verdeling van de nalatenschap immers hij of zij is geen deelgenoot meer maar enkel schuldeiser door het beroep op de legitieme.
Het erfdeel dat vrijvalt zou op basis van de wet dan toekomen aan de kinderen van het betreffende kind, maar daar is in het testament van afgeweken. Het vrijvallende erfdeel komt toe aan de andere erfgenamen (die geen beroep doen), ieder voor een gelijk deel. De economische waarde van dit vrijvallende deel is ons inziens 0(…)

2.8 Bij e-mail van 7 december 2022 in de reactie op bovenstaande notitie schrijft partijnotaris [M.] namens klager sub 2) :

Wij begrijpen het zo dat als [Kb.]nu beneficiair aanvaardt en later alsnog – in de vorm van een aanvullende korting - een beroep doet op zijn legitieme, de onterving in werking treedt zodat hij geen erfgenaam (meer) is.

Wij begrijpen ook uit de notitie dat hij er in dat geval in economisch opzicht niet op achteruit gaat, dat betekent dat zijn legitieme portie bestaat uit een vordering, gelijk aan het vervallen erfdeel plus het legitimaire tekort dat hij had voordat hij aanvullend ging inkorten.

Dus stel het erfdeel van [Kb.] is 200 waard en de legitieme aanspraak is 260 zodat er een legitimair tekort is van 60, dan leidt een beroep op aanvullende inkorting ertoe dat [Kb.] zijn erfdeel (in de zin van mede-eigendom ter waarde van 200) kwijtraakt, maar daarvoor in de plaats een vordering van 260 in geld krijgt (de positie van [B.] en [Kz.] wordt dus door het beroep van [Kb.] op aanvullende inkorting – economisch gezien – niet beter, maar wel zijn ze een mede-eigenaar kwijt)

Kunnen jullie nog even bevestigen dat we het zo goed hebben begrepen?

Bij e-mail van 10 december 2018 heeft kandidaat-notaris [Nn.] mede namens de notaris laten weten : “Mede namens [N.] bevestig ik dat jullie de juiste conclusies van de notities trekken in jullie e-mail.”

2.9 Op 28 december 2018 heeft de notaris een verklaring voor erfrecht/executele afgegeven waarbij [B.]tot executeur is benoemd.

2.10 Bij e-mail van 17 augustus 2019 heeft [B.] klagers aangeschreven en onder meer gevraagd: “(…) verzoek ik jullie daarom je uit te spreken over het al dan niet inroepen van de legitieme portie, svp uiterlijk eind deze maand.

2.11 Op 27 augustus 2019 heeft (de advocaat van) klaagster sub 1) [B.] van haar beroep op haar legitieme portie in kennis gesteld.

2.12 Op 28 augustus 2019 heeft de partijnotaris [M.] van klager sub 2), [B.] van zijn beroep op zijn legitieme portie in kennis gesteld.

2.13 Op 7 november 2019 is in verband met het beroep van klagers op de legitieme portie een gewijzigde verklaring van erfrecht afgegeven. Daarin is onder meer vastgesteld dat genoemd beroep op de legitieme portie door klagers is gedaan en dat [B.] daarmee enig erfgenaam van erflater is geworden. Daarbij is als conclusie ten aanzien van de bevoegdheid van [B.] vastgesteld dat hij zelfstandig bevoegd is tot het beheer en de beschikking over alle goederen en gelden behorend tot de nalatenschap.

2.14 Op 19 november 2019 hebben klagers en hun broer [B.] bijgestaan respectievelijk door hun partijnotarissen dan wel advocaten met de notaris overlegd over de verdere afwikkeling van de nalatenschap. Een verslag van dit overleg bevindt zich bij de stukken.

2.15 Dit overleg heeft ruim een jaar later geresulteerd in de vaststellingsovereenkomst van 17 december 2020 waarin in de considerans onder meer is overwogen:

De executeur vervolgens (…) een voorstel heeft gedaan aan de legitimarissen (klagers) voor volledige afwikkeling en vaststelling van de legitieme portie en de overige met de nalatenschap verband houdende zaken, waarop onderhandelingen volgden en uiteindelijk algehele overeenstemming tussen partijen werd bereikt (…)

2.16 Na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst van 17 december 2020 hebben klagers naar aanleiding van het begin 2021 gepubliceerde jaarverslag van de Stichting kennis genomen van het feit dat de nalatenschap anders is afgewikkeld dan klagers en hun raadslieden voor ogen heeft gestaan op basis van de hiervoor onder 2.8 vermelde mailwisseling, waardoor het erfdeel van [B.] in zeer substantiële zin toenam te koste van het legaat aan de Stichting.

 

 3. De klacht en het verweer

3.1 Klagers verwijten de notaris

Klachtonderdeel 1) Onvoldoende duidelijke redactie van het testament van erflater

Klachtonderdeel 2) Onduidelijkheid positie notaris: boedel- of betrokken notaris?

Klachtonderdeel 3) Onjuiste en onvolledige voorlichting

Klachtonderdeel 4) Geen correctie misleidende uitlatingen.

3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Klachtonderdeel 1) Onvoldoende duidelijke redactie van het testament van erflater

4.2.1 Ontvankelijkheid

De notaris heeft betoogd dat de klacht te laat is ingediend en dat klagers niet-ontvankelijk zijn in (de eerste twee onderdelen van) hun klacht.

Klagers hebben echter eerst geruime tijd na het overlijden van hun vader op 3 oktober 2018 kennis genomen van het testament, terwijl de gevolgen van dit testament in geval van beroep op de legitieme voor hen eerst door de publicatie van het jaarverslag van de Stichting begin 2021 bekend geworden zijn.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de klacht is ingediend binnen drie jaar nadat klagers kennis hebben genomen van het testament en binnen een jaar nadat de gevolgen daarvan voor hen bekend geworden waren.

De notaris heeft voorts betoogd dat klagers geen redelijk belang hebben bij deze klacht omdat zij als legitimarissen slechts schuldeisers van de nalatenschap zijn.

De kamer overweegt dat de positie van klagers als afstammelingen van erflater door (de werking van) het testament aanvankelijk is gedefinieerd als erfgenaam en vervolgens, mede ten gevolge van het beroep op de legitieme, is getransformeerd in legitimaris. Klagers valt daarom naar het oordeel van de kamer niet te ontzeggen dat zij een redelijk belang hebben bij de redactie van het testament en dus bij dit klachtonderdeel.

4.2.2 Inhoudelijk

De kamer is van oordeel dat klagers terecht klagen over de redactie van het testament, aangezien daaruit zonder uitleg niet duidelijk blijkt welk gevolg de bepaling van met name artikel zes van het testament (hierboven aangehaald) beoogt. Dit klemt te meer nu de notaris ter zitting verklaard heeft dat erflater met meergenoemde bepaling een aantal mechanismen in het testament heeft willen opnemen om een beroep op de legitieme te voorkomen en in voorkomend geval te sanctioneren. Deze mechanismen hebben volgens de notaris bij het inroepen van de legitieme portie als effect een substantiële daling van het legaat van de Stichting.

Het is, gezien de considerans van het testament (zie onder 2.4), zeer de vraag of erflater deze consequentie op basis van de tekst van het testament heeft doorzien, nog daargelaten of erflater deze uitleg ook heeft gewild. Vaststaat dat ook de executeur gedurende langere tijd van een geheel andere lezing van het testament is uitgegaan, net als de raadslieden van klagers en klagers zelf.

Weliswaar stelt de notaris dat de erflater er bewust voor heeft gekozen om de Stichting niet tot erfgenaam te benoemen met als gevolg daarvan dat de omvang van de uitkering aan de Stichting zou worden bepaald door de omvang van de nalatenschap ten behoeve van de kinderen, maar daarmee is nog niet gezegd dat erflater zich realiseerde in welke mate een beroep op de legitieme op basis van de uitleg die de notaris aan het testament geeft, de uitkering aan de Stichting zou beïnvloeden. Indien erflater dit werkelijk heeft geweten en gewild valt niet te begrijpen waarom het testament niet zodanig is geredigeerd dat daarover ook bij de erfgenamen geen enkel misverstand kon ontstaan. Daartoe was te meer reden, gezien de hiervoor genoemde considerans en het aan de Stichting gelegateerde bedrag ‘gelijk aan de waarde van een erfdeel als ware deze Stichting voor de helft erfgenaam geweest in mijn nalatenschap’.

De klacht op dit onderdeel wordt daarom gegrond verklaard.

4.3 Klachtonderdeel 2) Onduidelijkheid positie notaris: boedel- of betrokken notaris?

4.3.1 Ontvankelijkheid

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen 4.2. over de klachttermijn, stelt de kamer vast dat ook dit klachtonderdeel tijdig is ingediend.

Ook hier valt klagers naar het oordeel van de kamer niet te ontzeggen dat zij een redelijk belang hadden, namelijk om te weten wat het mandaat van de notaris was waarmee zij bij de afwikkeling van de nalatenschap van doen hadden. Zou er sprake zijn geweest van onduidelijkheid over de positie van de notaris, dan had dit mogelijk ook gevolgen voor klagers kunnen hebben.

4.3.2 Inhoudelijk

Voor klagers kan naar het oordeel van de kamer niet onduidelijk zijn geweest wat de positie van de notaris was. Zij heeft zich naar hen toe steeds geafficheerd als boedelnotaris en geen van de partijen, betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap, twijfelde daaraan. De omstandigheid dat de registratie in het register ten onrechte vermeldt dat de notaris betrokken notaris zou zijn in plaats van boedelnotaris, maakt het voorgaande niet anders, want niet is gesteld of gebleken dat dit gegeven, voor zover destijds al bekend bij klagers,   van invloed is geweest op hun handelen.

De klacht op dit punt dient daarom ongegrond te worden verklaard.

4.4 Klachtonderdeel 3) Onjuiste en onvolledige voorlichting

4.4.1 Klagers stellen zich op het standpunt dat de notaris met haar notitie van december 2018 hun onjuist, althans onvoldoende, heeft voorgelicht over de gevolgen van het inroepen van de legitieme portie, aangezien de notaris klagers in deze notitie en ook in geen enkel van de vervolgcontacten heeft gewezen op of gewaarschuwd voor het feit dat het inroepen van de legitieme tot gevolg zou hebben dat het erfdeel van [B.] ten koste van het legaat aan de Stichting aanzienlijk in omvang zou toenemen.

4.4.2 Deze klacht is naar het oordeel van de kamer terecht. De notaris heeft ter zitting verklaard dat het de uitdrukkelijke bedoeling was van erflater dat het inroepen van de legitieme het hierboven beschreven effect zou hebben en het kan dus niet anders dan dat de notaris zich hiervan bewust is geweest gedurende de hele periode dat zij als boedelnotaris in contact was met klagers, ook voordat klagers de legitieme portie inriepen.

4.4.3 In de gegeven omstandigheden had het uit een oogpunt van zorgvuldigheid en onafhankelijkheid op de weg van de notaris gelegen klagers voor genoemd effect te waarschuwen. In plaats daarvan heeft de notaris zowel in de notitie van 7 december 2018 (zie onder 2.7) als in haar antwoord van 10 december 2018 op de vraag van partijnotaris [M.] (zie onder 2.8) onmiskenbaar een standpunt ingenomen dat met de haar gegeven uitleg van het testament niet valt te rijmen. Op basis van die uitleg hebben klagers hun positie bepaald, dat is niet of onvoldoende weersproken, en hebben zij aanspraak gemaakt op hun legitieme.

4.4.4 In het licht van de verhouding van klagers met hun broer [B]. is meer dan aannemelijk dat klagers van hun beroep op hun legitieme portie zouden hebben afgezien als klagers door de notaris op juiste wijze waren geïnformeerd over het gevolg, te weten dat [B.] een zeer substantieel bedrag meer zou erven, nota bene tien keer het bedrag dat klagers door het inroepen van de legitieme meer ontvingen dan hun erfdeel, terwijl de toename van het erfdeel van [B.] geheel ten koste ging van het legaat van de Stichting.
 

4.4.5 Voor zover de notaris zich erop beroept dat de notitie in grote haast moest worden geschreven verontschuldigt haar dat niet, zeker niet toen partijnotaris [M.] de notaris naar aanleiding van die notitie ter bevestiging voorhield dat ‘de positie van [B.] en [Kz.] er dus door het beroep van [Kb.] op aanvullende inkorting - economisch gezien - niet beter op zou worden, maar wel zijn ze een mede-eigenaar kwijt’ en de notaris dit zonder enig voorbehoud heeft bevestigd. Dit klemt te meer nu de notaris heeft gesteld dat zij zelf er zich steeds van bewust is geweest dat een beroep op de legitieme portie tot een zeer aanzienlijke daling van de omvang van het legaat ten gunste van de andere kinderen zou gaan leiden.

De klacht op dit punt moet daarom gegrond verklaard worden.

4.5 Klachtonderdeel 4) Geen correctie misleidende uitlatingen.

4.5.1 De kamer begrijpt dit klachtonderdeel zo dat klagers de notaris verwijten dat de notaris hen na december 2018 niet nader geïnformeerd en gewaarschuwd heeft, omdat voor de notaris kenbaar geweest moet zijn dat klagers de gevolgen van het inroepen van de legitieme niet volledig overzagen. De kamer ziet aanleiding bij de bespreking van dit klachtonderdeel onderscheid te maken tussen de situatie voorafgaand aan het beroep op de legitieme en de situatie daarna.

4.5.2 Voor wat betreft de periode voorafgaand aan het beroep op de legitieme geldt het volgende. De notaris en klagers hebben tussen 7 december 2018 en 10 december 2018 schriftelijk contact gehad onder andere over de gevolgen van het inroepen van de legitieme. Niet is gesteld of gebleken dat klagers en de notaris in de periode daarna, tot het beroep van klagers op de legitieme eind augustus 2019, nog contact hebben gehad. Het moet er daarom voor gehouden worden dat zich voorafgaand aan het beroep van klagers op de legitieme eind augustus 2018 geen gelegenheid heeft voorgedaan waarbij de notaris de mogelijkheid had om met klagers nader in te gaan op de gevolgen van een beroep op de legitieme of om te verifiëren of haar uitlatingen op dit punt door klagers goed begrepen werden dan wel aanvulling of verduidelijking behoefden.

4.5.3 Na het inroepen van de legitieme echter heeft zich voor de notaris nog wel een mogelijkheid voorgedaan om klagers nader te informeren en te waarschuwen, namelijk bij gelegenheid van de bijeenkomst van 19 november 2019. In deze bijeenkomst was immers opnieuw het beroep op de legitieme aan de orde, maar dan tegen de achtergrond van de vraag of de nalatenschap al dan niet conform dat beroep zou worden afgehandeld. Op dat moment moet voor de notaris kenbaar zijn geweest in ieder geval dat klagers de gevolgen van het inroepen van de legitieme niet overzagen.

4.5.4 Een en ander volgt uit het verslag van de bijeenkomst waarin onder meer is opgenomen dat de notaris een toelichting heeft gegeven over de gevolgen van het inroepen van de legitieme en de mogelijkheid om daar in een vaststellingsovereenkomst van af te zien. Voor [B.] was deze mogelijkheid bespreekbaar.

4.5.5 In het verslag staat tevens dat [B.] een voorschot had uitgekeerd aan de legatarissen, waarop de advocaat van klagers reageerde met de mededeling dat in het testament zijns inziens een inkortingsvolgorde was opgenomen maar dat dit een kwestie was tussen [B.] en de legatarissen.
 

4.5.6 Naar het oordeel van de kamer had de notaris klagers op dat moment (nogmaals, maar dan uitgebreider en vollediger) erop moeten attenderen wat de precieze gevolgen van het inroepen van de legitieme waren.

4.5.7 Dit geldt met name voor het feit dat de Stichting door het inroepen van de legitieme feitelijk bij lange na niet meer het bedrag zou ontvangen waar klagers bij hun keuze voor de legitieme op basis van de door de notaris gegeven uitleg vanuit waren gaan.

4.5.8 Aangezien het al dan niet conform het beroep op de legitieme afhandelen van de nalatenschap aanzienlijke consequenties had voor alle betrokkenen, was er op dat punt voor de notaris, anders dan zij heeft aangevoerd, geen beletsel om daarover met hen te spreken en te toetsen of betrokkenen zich realiseerden wat de gevolgen van een beroep op de legitieme met name voor de omvang van het legaat aan de Stichting zou kunnen zijn.

4.5.9 Dit klachtonderdeel zal om deze redenen eveneens gegrond verklaard te worden.

4.6 Maatregel

De kamer is van oordeel dat de notaris uit een oogpunt van zorgvuldigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid in deze zaak op enkele momenten anders had moeten en kunnen handelen. Door dit na te laten heeft de notaris belangrijke kernwaarden uit haar ambtsopdracht verwaarloosd. Een goede reden daarvoor ontbreekt. De kamer is van oordeel dat in deze zaak een berisping dient te worden opgelegd. Daarbij speelt mee dat de notaris tot op heden niet in aanraking is gekomen met de tuchtrechter.

4.7 Kostenveroordeling en terugbetaling griffierecht

4.7.1 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de notaris op grond van artikel

99 lid 5 Wna het door klager betaalde griffierecht van € 50,00 aan hem te vergoeden.

4.7.2 De kamer ziet aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b lid 1 aanhef en sub a Wna en de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat per 1 januari 2021, te veroordelen in de kosten die klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,00;

4.7.3 De kamer ziet voorts gelet op bovengenoemde regelgeving aanleiding klagers een vergoeding toe te kennen in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarvoor worden in dit geval 2 punten à € 525,00 met een wegingsfactor 1, derhalve een bedrag van € 1.050,00, toegekend. Eén voor het indienen van de klacht en één voor het bijwonen van de zitting.

4.7.4 De notaris moet het griffierecht en de kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klagers vergoeden. Klagers dienen daarvoor tijdig een rekeningnummer schriftelijk door te geven aan de notaris.

4.7.5 Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b lid 1 aanhef en

sub b Wna en de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat per 1 januari 2021, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000,00, met een wegingsfactor 1. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de kamer. De notaris ontvangt hiervoor een nota van het LDCR te Utrecht.

4.8 Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:

- verklaart klachtonderdeel 1) en 3) gegrond;

- verklaart klachtonderdeel 2) en 4) ongegrond;

- bepaalt dat de notaris bij wijze van tuchtmaatregel een berisping krijgt opgelegd;

- bepaalt dat de notaris klagers het door klagers betaalde griffierecht van € 50,00 en de gemaakte forfaitaire kosten van € 50,00, alsmede de vergoeding kosten rechtsbijstand van

€ 1.050,00 vergoedt op de wijze als bepaald onder 4.7.4;

- bepaalt dat de notaris de kosten voor behandeling van deze zaak van € 2.000,00 betaalt op de wijze als bepaald onder 4.7.5.

Deze beslissing is gegeven door mr. D. Vergunst, voorzitter, mr. A.E. Zweers,

mr. M.R.H. Goossens,  mr. H.J.T. Vos en mr. A.J.H.M. Janssen, leden, en in tegenwoordigheid van mr. M.J. Derksen, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2022.

De secretaris

 

De voorzitter

     
 

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.