Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:64 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3057

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2022:64
Datum uitspraak: 24-05-2022
Datum publicatie: 31-05-2022
Zaaknummer(s): Z2021/3057
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen huisarts. Beklaagde heeft naar aanleiding van een melding van de politie een notitie gemaakt in het medisch dossier. Het college is van oordeel dat de notitie slechts een weergave betreft van hetgeen door de politie aan beklaagde kenbaar is gemaakt en dat dergelijke informatie als subjectieve informatie opgenomen mag worden in het medisch dossier. Beklaagde is niet verplicht een melding van de notitie te maken aan klager. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft beklaagde geen betrokkenheid gehad bij de noodopname van de echtgenote van klager, aldus het college. Met betrekking tot klachtonderdelen drie en vier oordeelt het college dat de echtgenote van klager reeds afdoende zorg had ontvangen op de huisartsenpost en volgt niet uit het medisch dossier dat beklaagde klager niet naar een nieuwe huisarts heeft laten gaan. Het medisch dossier geeft blijkt van het feit dat beklaagde zich heeft ingespannen een nieuwe huisarts voor klager te vinden. De klacht is in zijn geheel kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE

Beslissing in raadkamer d.d. 24 mei 2022 naar aanleiding van de op 29 april 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen ingekomen klacht van
 

A, wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C, huisarts, (destijds) werkzaam te B,

bijgestaan door mr. A.W. Hielkema te VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

b e k l a a g d e

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • de 'aangifte' van klager;
  • het klaagschrift met de bijlagen;
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • de repliek met de bijlagen;
  • het medisch dossier, ontvangen van de gemachtigde van beklaagde;
  • de dupliek met de bijlagen.

Met ingang van 1 april 2022 zijn de regionale tuchtcolleges te Groningen en Zwolle samengevoegd tot één regionaal tuchtcollege te Zwolle. De bevoegdheid tot behandeling van deze zaak, die aanhangig was bij het regionaal tuchtcollege te Groningen, is per deze datum overgegaan op het regionaal tuchtcollege te Zwolle.


Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in het vooronderzoek.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager is de echtgenoot van wijlen mevrouw D (hierna te noemen: patiënte). Patiënte is geboren in maart 1944 en overleden in december 2021. Klager en patiënte stonden vanaf 2015 ingeschreven in de huisartsenpraktijk van beklaagde.

Op 9 maart 2019 is patiënte ten val gekomen als gevolg waarvan zij zich heeft gemeld  bij de dokterswacht. Aldaar is patiënte behandeld voor haar verwondingen.

Op 11 maart 2019 heeft de praktijkondersteuner patiënte onderzocht en behandeld. Het medisch dossier vermeldt met betrekking tot de valpartij van patiënte als volgt:

“11-03-19      O Van: Dokterswacht

                   E Ander letsel luchtwegen

11-03-19       S Kv: Gister voorover gevallen op straat, tweede

                   S keer al in korte tijd. Buurmand zag het gebeuren,

                   S ze liep alleen over straat. Viel zo voorover,

                   S heeft zich niet opgevangen met de handen. Meerdere

                   S oppervlakkige wondjes/schaafplekken in gezicht.

                   S Partner heeft zelf 1 hechting geplaatst bij de

                   S neusbrug. Wonden schoongemaakt door dokterswacht.

                   S Volgens partner vertoont mevr sinds val geen ander

                   S gedrag, grijpt wel af en toe naar achterhoofd, dhr

                   S geeft dan pcm en klachten lijken dan weg te

                   S trekken. Mevr loopt niet met rollator, heeft er

                   S wel een, gebruikt ze nooit.

                   E Wonden in gezicht na val

                   P Wondjes zien er netjes uit, zal de komende week zelf

                   P herstellen. Partner zal de hechtingen weer

                   P verwijderen. Tetanus injectie gegeven

                   P Geadviseerd met rollator te lopen. Partner zal er

                   P op toe zien dat mevr dit gaat doen.”

Patiënte is op 7 mei 2019 door de geriater gediagnosticeerd met de ziekte van Alzheimer. Het medisch dossier geeft met betrekking tot de door de geriater gestelde diagnose het volgende weer:

“0705219      E ( antwoord )

                   Reden van komst / Verwijzing:

                   Vallen en functionele achteruitgang

                   Conclusie:

                   1.M. Alzheimer

                   2. Bijzondere relatie tussen echtelieden: geen aanwijzingen

                   voor misbruik: voorstel aan huisarts: organiseer bemoeizorg.

                   3. Vallen dd vasovagaal ( voelt t aankomen dd bij orthostase

                   dd bij neurogene claudicatie bij bekende kanaalstenose ) na

                   laatste val bonzend gevoel rechts parietaal dd subduraal

                   hematoom.

                   4. Wigvormige inzakking Th 8: voorstel aan huisarts start

                   CAD. 5.AI in 1995 kanaalstenose L5-S1.”

Op 20 augustus 2019 heeft beklaagde - gezien de gezondheidstoestand van patiënte – patiënte verwezen naar een woonzorglocatie, meer specifiek F van zorginstelling G, locatie H.

Vanwege een noodopname is patiënte op 30 augustus 2019 vanuit het politiebureau opgenomen in I te J. Het medisch dossier vermeldt als volgt:

“Tel Politie: vandaag politie betrokken geraakt. Verdenking mishandeling

van mevrouw door melding. Mevrouw kan niet terug naar huis.

Advies: opname.

I, J.

Maandag contact over indicatie.”

Voorts vermeldt het medisch dossier ten aanzien van de noodopname van patiënte:

“30-08-19      S VK: op politie buro

                   O o/ door politie mee genomen ivm geschreeuw uit

                   O huis en mogelijk mishandeling. Mevr dementerend

                   O en geeft aan dat blauwe plekken komen door haar

                   O man die soms hardhandig is . haematomen polsen

                   O door vast pakken en keel / kaak door hoofd omhooh

                   O drukken

                   E mishandeling

                   P adv tijdelijke opvang

30-08-19       S AK escalatie., mvr. Meegenomen naar politie

                   S bureau. , kan niet meer terug naar huis.

                   S Opname I, J.

                   S Politie zal zorgen dat zij daar terecht kan.

30-08-19       P: Naar : I.”

Vanaf 30 augustus 2019 is de zorg van patiënte overgenomen door de specialist ouderengeneeskunde van I en was beklaagde niet langer betrokken bij de zorg van patiënte.

Beklaagde heeft als gevolg van de dementie van patiënte op 24 oktober 2019 een aanvraag gedaan op grond van de Wet langdurige zorg (hierna: WLZ) bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: het CIZ). Het CIZ heeft op 4 november 2019 het volgende indicatiebesluit afgegeven:

“Beschermd wonen met intensieve dementiezorg

Ingangsdatum: 01-11-2019

Einddatum: Onbepaalde tijd.”

Klager heeft een verzoek tot uitschrijving gedaan bij de huisartsenpraktijk van beklaagde. Ten aanzien van dit verzoek heeft beklaagde geprobeerd een nieuwe huisarts voor klager te vinden. Beklaagde heeft het volgende opgenomen in het medisch dossier van klager:

“ v Probleem/ vraagstelling:   ae

Naar aanleiding van uw verzoek om zich uit te schrijven bij

Praktijk K. Wij hebben inspanningen voor uw

verricht om een nieuwe huisarts voor u te vinden. U mag een

afspraak maken voor een kenningsmakings gesprek bij praktijk

L. Uw dossier wordt nadien digitaal verzonden.

Hopende u hiermee van dienst te zijn geweest.”

Beklaagde heeft nogmaals geïnformeerd bij de opvolgend huisarts voor inschrijving van klager. Per brief van 4 februari 2022 heeft beklaagde dit aan hem teruggekoppeld. Uit voornoemde brief blijkt als volgt:

“Geachte heer A,

Omdat u van huisartsenpraktijk wilt veranderen heb ik nogmaals geïnformeerd bij praktijk L voor inschrijving.

De praktijk L is bereid u in te schrijven nadat u persoonlijk heeft kennisgemaakt.”
 

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - dat:

3. hij afgaat op speculaties van indianenverhalen over vernielingen die klager zou hebben aangericht en dat beklaagde dit heeft genoteerd in het medisch dossier zonder klager aan te spreken over deze roddel en achterklap;

4. hij de echtgenote van klager heeft opgesloten I te J en daarover heeft gelogen tegen klager;

6. hij niet naar de echtgenote omkeek op maandag 11 maart 2019 nadat zij op zaterdag 9 maart 2019 voor de deur was gevallen;

9. hij klager niet naar een andere huisarts laat gaan vanwege een patiëntenstop in heel B.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven en op gronden genoemd in het verweerschrift - aan dat hij binnen de grenzen van een redelijk bekwame en behoorlijke beroepsuitoefening heeft gehandeld. Beklaagde betwist hetgeen hem door klager wordt verweten en stelt dat de klacht als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen. Voor zover nodig wordt hierna meer specifiek op het verweer ingegaan.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Met betrekking tot klachtonderdeel 1 oordeelt het college als volgt. Beklaagde heeft - naar aanleiding van een melding van de politie - een notitie hiervan gemaakt in het medisch dossier. Deze notitie betreft naar het oordeel van het college slechts een weergave van hetgeen aan beklaagde (door de politie) kenbaar is gemaakt en dergelijke informatie mag beklaagde als subjectieve informatie opnemen in het medisch dossier. Bovendien volgt uit de notitie de bron van de informant. Beklaagde is voorts geenszins verplicht melding te maken van deze notitie aan klager of klager hierover te informeren. Het verwijt van klager kan dus op grond van het bovenstaande niet slagen en is kennelijk ongegrond.

5.3

Klager voert met klachtonderdeel 2 aan dat beklaagde zijn echtgenote heeft opgesloten in een verpleeghuis en dat hij hierover heeft gelogen. Blijkens het medisch dossier heeft beklaagde geen betrokkenheid gehad met betrekking tot de noodopname van patiënte. Patiënte is meegenomen naar het politiebureau op grond van het vermoeden dat zij slachtoffer was van een mishandeling. Vanuit daar is patiënte door de politie naar het verpleeghuis gebracht. Nu beklaagde geen betrokkenheid heeft gehad bij de noodopname van patiënte is het college van oordeel dat hem hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Klager heeft niet onderbouwd waarom beklaagde aan klager het adres van zijn echtgenote zou moeten geven. Voorts volgt ook niet uit het medisch dossier dat beklaagde gelogen heeft over de noodopname of het adres. Het klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

5.4

Het college acht ook het derde klachtonderdeel ongegrond. Patiënte is in het weekend van 9 maart 2019 ten val gekomen en heeft zich diezelfde dag bij de dokterswacht gemeld om zich te laten verzorgen aan haar verwondingen. Patiënte is vervolgens - na te zijn behandeld op de huisartsenpost - huiswaarts gegaan en op 11 maart 2019 gezien door de praktijkondersteuner van de huisartsenpraktijk. Uit het medisch dossier volgt dat de wonden er die dag netjes uitzagen en dat deze vanzelf zouden herstellen. Ook is er een tetanusinjectie gegeven.

Het verwijt van klager kan op grond van het voorgaande niet slagen. Patiënte had al afdoende zorg ontvangen bij de huisartsenpraktijk en de verwondingen zagen er twee dagen later – te weten op 11 maart 2019 – goed uit. Daarom was het niet noodzakelijk dat ook beklaagde patiënte nog zou zien. Dat beklaagde niet heeft omgekeken naar patiënte – zoals door klager wordt gesteld – is niet komen vast te staan en daarvan is ook geen sprake. Het klachtonderdeel faalt en is kennelijk ongegrond.

5.5

Het college volgt ten slotte het verwijt van klager, inhoudende dat beklaagde hem vanwege een patiëntenstop niet naar een andere huisartsenpraktijk laat gaan, niet. Het medisch dossier geeft ook geen steun aan het verwijt van klager. Integendeel, uit het medisch dossier volgt dat beklaagde zich heeft ingespannen om klager aan te melden bij een nieuwe huisartsenpraktijk. Beklaagde heeft voor de inschrijving van klager geïnformeerd bij een huisartsenpraktijk in de buurt en klager te kennen gegeven dat hij aldaar een afspraak kon maken voor een kennismakingsgesprek. Beklaagde heeft daarmee blijk gegeven van het feit zich te hebben ingezet voor het vinden van een nieuwe huisartsenpraktijk voor klager. Het klachtonderdeel is op grond daarvan kennelijk ongegrond.

5.6

Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.
 

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart dat de klacht kennelijk ongegrond is.
 

Aldus gegeven in raadkamer door F.P. Dresselhuys-Doeleman, voorzitter, M. van Bergeijk en N.M. Dreteler-Rademaker, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van
V.R. Knopper, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
 

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
 

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.