Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:4 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3468

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2022:4
Datum uitspraak: 07-01-2022
Datum publicatie: 11-01-2022
Zaaknummer(s): Z2021/3468
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: IGJ dient klacht in tegen psychiatrisch verpleegkundige. Kort na het ontslag van de patiënt uit de kliniek gaat beklaagde een affectieve relatie met de patiënt aan. Geen afkoelingsperiode. De patiënt blijft ambulant onder behandeling (van een collega van beklaagde). Kwetsbare patiënt. Beklaagde zet druk op de patiënt om de relatie geheim te houden. De patiënt meldt de relatie bij haar ambulante behandelaar. Beklaagde erkent het verwijt. Klacht gegrond, voorwaardelijke schorsing met bijzondere voorwaarden.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 7 januari 2022 naar aanleiding van de op 15 september 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD , te Utrecht,

vertegenwoordigd door G.M.A. van Zeeland, senior inspecteur, en mr. drs. J.P. Jansen, coördinerend/specialistisch juridisch adviseur, beiden werkzaam bij IGJ,

k l a g e r 

-tegen-

A , verpleegkundige, (destijds) werkzaam te B,

bijgestaan door C,

b e k l a a g d e

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlage.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 3 december 2021, waar partijen met hun gemachtigden zijn verschenen.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Sinds 1995 is beklaagde werkzaam in de zorg. Vanaf 4 september 2017 tot zijn ontslag op 7 april 2020 was beklaagde als psychiatrisch verpleegkundige werkzaam bij D op de afdeling E (hierna: de instelling).

A. (hierna: cliënte) is in 2018 en 2019 wegens autisme, suïcidaliteit en depressiviteit in totaal driemaal opgenomen in de instelling op de afdeling waar beklaagde werkzaam was. De laatste opname van cliënte dateert van november 2019 tot en met 8 december 2019, waarna haar behandeltraject in de instelling ambulant werd voortgezet. Beklaagde was tijdens de laatste opname van cliënte één van de behandelaren van cliënte. Het contact tussen cliënte en beklaagde werd door beiden als plezierig ervaren.

Direct na haar ontslag op 8 december 2019 hadden cliënte en beklaagde contact via eerst Facebook Messenger en later WhatsApp. Zij hebben elkaar toen ook fysiek ontmoet waarbij zij hebben gezoend. Het contact heeft in ieder geval tot 9 maart 2020 geduurd.

Nadat cliënte op 9 januari 2020 aan beklaagde had meegedeeld dat zij de relatie aan haar behandelaar had gemeld, heeft beklaagde de volgende dag het contact met zijn teamleider gedeeld. Beklaagde is vervolgens op non-actief gesteld.

Op 16 januari 2020 ontving beklaagde een officiële waarschuwing van de instelling en is hij verzocht om vijf supervisiebijeenkomsten bij te wonen waarin hij zijn casuïstiek diende in te brengen. Behalve een intake heeft beklaagde aan dit verzoek geen gevolg gegeven. Beklaagde is op eigen verzoek overgeplaatst naar de afdeling ouderen.

Op 7 april 2020 heeft beklaagde zelf zijn dienstverband met de instelling beëindigd.

Naar aanleiding van de melding van de instelling heeft klager een onderzoek ingesteld. In dat kader zijn beklaagde en cliënte gehoord. Ook heeft beklaagde een zienswijze tegen het conceptrapport ingediend. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn door klager neergelegd in een rapport van juni 2021.

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt beklaagde – zakelijk weergegeven – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag door tijdens en direct na de beëindiging van de behandelrelatie met cliënte een persoonlijke en affectieve relatie aan te gaan. Volgens klager heeft beklaagde vanwege de afhankelijkheidsrelatie ten onrechte geen afkoelingsperiode in acht genomen. Bovendien verkeerde cliënte vanwege haar psychische gesteldheid in een zeer kwetsbare positie en wist beklaagde dat. Klager betoogt dat beklaagde daarmee in strijd heeft gehandeld met de beroepsnormen zoals die zijn neergelegd in (artikel 2.4 van) de Beroepscode van verpleegkundigen en verzorgenden (2015), de notitie 'Relatie tussen hulpverlener en (ex) patiënt' van GGZ Nederland (2009), de brochure 'Over een relatie met een (ex)zorgvrager; aanvulling bij Omgaan met aspecten van seksualiteit tijdens de beroepsuitoefening' van V&VN (2015) en de brochure 'Het mag niet, het mag nooit, Seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gezondheidszorg' (2016). Klager verwijt beklaagde ook een gebrek aan transparantie door onder meer een deel van de WhatsApp-gesprekken met cliënte buiten het onderzoek te houden en zijn huidige werkgever niet in te lichten over de reden van zijn ontslag bij de instelling. Voorts verwijt klager beklaagde een gebrek aan zelfinzicht en lerend vermogen en vindt zij dat hij onvoldoende adequate maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat hij opnieuw in een vergelijkbare situatie terecht komt. De behandeling die beklaagde volgt bij een psychosomatisch therapeut/haptotherapeut acht klager wat betreft de aard en duur onvoldoende passend. Klager concludeert dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verzoekt het tuchtcollege om beklaagde een passende maatregel op te leggen.

Ter zitting heeft klager het college desgevraagd in overweging gegeven een voorwaardelijke schorsing met bijzondere voorwaarden op te leggen.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde erkent dat hij een grote fout heeft gemaakt, dat hij daar veel spijt van heeft en dat hij dit ook meerdere keren heeft geuit richting zijn voormalige werkgever en team en ook klager. Volgens beklaagde is sprake van verzachtende omstandigheden: hij had destijds te maken met een hoge werkdruk (waardoor hij weinig slaap had), een onveilige cultuur op de afdeling en de problematiek van zijn tienerdochter. Voorts betwist beklaagde dat hij geen zelfreflectie heeft getoond. Zo is hij bewust uit de psychiatrie gestapt om weer in de ouderenzorg werkzaam te zijn. Daarnaast is slechts sprake van een eenmalig incident, is hij gestopt met zijn werkzaamheden als docent van de opleiding F aan het G en is het thema 'afstand en nabijheid' onderdeel van zijn behandeling bij H waardoor hij zich toetsbaar heeft opgesteld. Daarnaast stelt beklaagde dat hij zich na het rapport van klager bij I heeft gemeld. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst beklaagde naar de antwoordbrief van H van 8 september 2021. Beklaagde wijt het gebrek aan transparantie richting zijn huidige werkgever aan schaamte en aan het feit dat het thema 'afstand en nabijheid' in de ouderenzorg geen rol speelt.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1  

Het college heeft acht geslagen op de volgende beroepscodes.

Artikel 2.4 van de Nationale Beroepscode van verpleegkundigen en

verzorgenden, 2015 luidt:

“Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht. Dat betekent onder andere dat ik

• geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager

• geen intieme en/of seksuele relatie aan ga met de zorgvrager

• mijn collega’s of leidinggevende om hulp vraag als ik merk dat de professionele

grenzen dreigen te vervagen of overschreden dreigen te worden.”

De notitie ‘Relatie tussen hulpverlener en (ex)patiënt’, GGZ Nederland 2009, luidt:

“Een seksuele relatie tussen een hulpverlener en een patiënt tijdens de behandeling is ontoelaatbaar. Ook na beëindiging van de behandeling moet de hulpverlener er rekening mee houden dat de ex-patiënt nog steeds in een kwetsbare positie kan verkeren. De afhankelijkheid ten opzichte van de voormalig hulpverlener is bepalend, ongeacht of de behandelrelatie nog loopt of al is afgerond. Dit vanwege het risico van misbruik en de kwetsbaarheid van de ggz-patiënt.”

5.2

Beklaagde erkent het verwijt. Het college overweegt dat de beroepsnormen het aangaan van relaties met patiënten eenduidig verbieden. De klacht is derhalve gegrond.

5.3

Beklaagde heeft problemen in zijn persoonlijke en werkzame leven aangevoerd als verzachtende omstandigheden. Het college merkt daarover op dat deze niet afdoen aan de gegrondheid van de klacht. Elke professional in de zorg kan zijns ondanks worden geconfronteerd met dergelijke problemen en spanningen, zonder dat iemand daar zelf altijd wat aan kan doen. Onderdeel van de professionaliteit van een zorgverlener moet echter zijn, dat de zorgverlener niet via een patiënt een uitweg zoekt voor zijn eigen zorgen en problemen. Dat geldt te meer voor kwetsbare patiënten in de geestelijke gezondheidszorg, die groot risico lopen er zo nog een probleem bij te krijgen. Uit de Whatsapp-communicatie met de cliënt blijkt dat beklaagde op de cliënt herhaaldelijk grote druk heeft gelegd om de affaire geheim te houden. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat hij zijn baan, BIG-registratie en gezin kwijt kan raken, waarbij hij ook erop zinspeelt dat hij mogelijk uit het leven stapt als het uit komt. Het college overweegt dat het omgaan met deze omstandigheden op de wijze zoals beklaagde heeft gedaan, twijfels doen rijzen over de geschiktheid van beklaagde voor zijn werk. Hij stelt weliswaar dat hij thans niet meer in de geestelijke gezondheidszorg werkzaam is, maar ook in de ouderenzorg speelt het thema afstand en nabijheid en is het ongewenst dat zorgverleners patiënten met hun persoonlijke zorgen belasten.

5.4

Het college is van oordeel dat een voorwaardelijke schorsing voor de duur van een jaar met een proeftijd van twee jaar de meest passende maatregel is. Met het stellen van voorwaarden kan worden bereikt dat beklaagde zich meer bewust zal worden van zijn verhouding tot patiënten en zijn persoonlijke emoties en zorgen.

5.5

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal het college bepalen dat deze beslissing op geanonimiseerde basis zal worden gepubliceerd.

6. DE BESLISSING

Het college:

1. verklaart de klacht gegrond; 

2. schorst de bevoegdheid van beklaagde om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van twaalf maanden;           

3. bepaalt dat deze schorsing voorwaardelijk is en niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij beklaagde voor het einde van de proeftijd van twee jaren een of meer van de volgende voorwaarden overtreedt:

a) beklaagde dient zich te onthouden van enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij behoort te betrachten dan wel met het belang van de individuele gezondheidszorg;

b) hij dient zich binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak onder behandeling te stellen van een BIG-geregistreerd GZ-psycholoog of psychotherapeut dan wel een andere, in overleg met de werkgever te kiezen gespecialiseerde deskundige, met melding aan de IGJ, waarbij de behandeling is gericht op bewustwording van het thema afstand en nabijheid en het overschrijden van de persoonlijke en professionele grenzen binnen of vlak tijdens of na een behandelrelatie en het herkennen van signalen die mogelijk leiden tot overschrijding van de professionele grenzen, voor de frequentie en duur die deze behandelaar - binnen de proeftijd - noodzakelijk acht;

c) en/of binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak zijn werkgever een kopie hiervan verstrekt, met melding aan de IGJ;

4. bepaalt dat de proeftijd ingaat zodra deze uitspraak onherroepelijk is geworden;

5. bepaalt dat de proeftijd uitsluitend geldt gedurende de periode dat verweerder in het register is ingeschreven;

6. bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden

bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Tijdschrift Nursing.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J.C.J. Dute, lid-jurist, L.H. Kruze en

C.J.M. Smulders en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van P. van der Stroom, secretaris                                                                                                  

                                                                                                         voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

2. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

3. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.