Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2022:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3475

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2022:120
Datum uitspraak: 08-09-2022
Datum publicatie: 09-09-2022
Zaaknummer(s): Z2021/3475
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen klinisch psycholoog. Beklaagde zou onvoldoende adequaat hebben gehandeld ten aanzien van het verlengen van het verblijf van klager in gemeentelijke crisisopvang. Tevens zou hij niet adequaat hebben gereageerd op e-mail waarin klager meldde dat hij duizenden euro’s had vergokt. Hierdoor is geen passende oplossing geboden voor het acute gokprobleem en heeft klager veel geld verloren. Het college oordeelt dat beklaagde niet verantwoordelijk was voor het regelen en eventueel verlengen van de tijdelijke crisisopvang. Wat betreft het ontstane  gokgedrag van klager oordeelt het college dat beklaagde adequaat heeft gehandeld door de woonbegeleiding weer op orde te krijgen. Klachten ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 8 september 2022 naar aanleiding van de op 24 september 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

gemachtigde: de heer J. Mostert te Bennekom,

k l a g e r

-tegen-

C , klinisch psycholoog, (destijds) werkzaam te D,
gemachtigde: mr. A.F.H. ten Brummelhuis, advocaat te Amersfoort,

b e k l a a g d e

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met de bijlagen;
  • het aanvullend klaagschrift;
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • het proces-verbaal van het op 28 maart 2022 gehouden mondelinge vooronderzoek met daaraan gehecht de schriftelijke reactie van de gemachtigde van klager op het verweerschrift en een door klager beschreven tijdlijn “inzake de GGZ-behandeling en reactie op de acute gokverslaving”;
  • de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klager van 5 mei 2022.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 15 juli 2022, waar partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hun standpunten mondeling hebben toegelicht.

2. WAAR GAAT DE ZAAK OVER EN WAT IS DE BESLISSING?

2.1 Klager was sinds februari 2019 onder behandeling bij E wegens (onder andere) depressieve- en angstklachten. Beklaagde was sinds 6 december 2019 zijn (regie)behandelaar. Na een opname op de HIC (High Intensive Care) van E ervaarde klager moeite met het verblijven in zijn huis. Vanaf 3 februari 2020 werd klager in het kader van een time-out voor een week via de gemeente D een verblijf aangeboden in “F “ in D met ondersteuning van het IHT-team (Intensive Home Treatment) van E. Na een tweetal verlengingen (eerst met een week tot

10 februari 2020, daarna met 11 dagen tot 21 februari 2020) eindigde de indicatie vanuit de gemeente voor klager voor “F”. Vanaf 1 april 2020 kon klager terecht in zijn eigen vakantiehuisje. Om de periode van 21 februari tot 1 april 2020 te overbruggen verbleef klager in een door hem zelf gehuurd vakantiehuisje in G buiten het verzorgingsgebied van E. Er werd in deze periode door de IHT telefonisch ondersteuning geboden. Bij e-mail van 5 april 2020 heeft klager beklaagde gemeld dat hij duizenden euro’s verloren had met gokken.

2.2 Klager is ontevreden over zijn behandeling door beklaagde omdat beklaagde zich onvoldoende zou hebben ingespannen zijn verblijf bij “F” te verlengen en omdat beklaagde onvoldoende adequaat zou hebben gereageerd op zijn e-mail van

5 april 2020 over zijn gokgedrag.

2.3 Het college komt tot de conclusie dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat hierna toe.

3. WAT IS ER GEBEURD?

3.1     Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

3.2     In februari 2019 is klager door zijn huisarts voor nadere diagnostiek en behandeling doorverwezen naar E met als reden “verstoorde rouw, depressieve- en angstklachten, onvoldoende verbetering na begeleiding psycholoog alhier en forse beperking dagelijks leven”. Nadat klager in het najaar van 2019 volledig arbeidsongeschikt was geraakt, kreeg hij regelmatig paniekaanvallen waardoor hij een aantal keren bij de crisisdienst terecht is gekomen. Klager is vervolgens gediagnosticeerd met emotieregulatie problematiek en een gegeneraliseerde angststoornis en verwezen naar de klinisch psycholoog voor psychotherapeutische behandeling.

3.3     Beklaagde is werkzaam bij E op de locatie D alwaar ambulante en deeltijdbehandeling wordt aangeboden. Sinds 6 december 2019 is beklaagde de (regie)behandelaar van klager.
Bij het eerste contact met klager stelde de klinisch psycholoog vast dat er sprake zou kunnen zijn van cluster A persoonlijkheidsproblematiek of ASS. Dit zou reden kunnen zijn de behandelindicatie aan te passen.

3.4     Van 3 januari 2020 tot 3 februari 2020 is klager, mede op zijn verzoek, opgenomen op de locatie H (HIC) in I. Tijdens deze opname is de uitvoerend behandelaar van de HIC voor de behandeling en begeleiding van klager verantwoordelijk. Met klager is toen uitvoerig overlegd over zijn wenselijke woonsituatie. Klager had een appartement in D, maar daar wilde hij niet naar terug.

3.5     Op 3 februari 2020 is klager met ontslag gegaan vanuit de HIC naar een time-out plek in “F” (een locatie voor beschermd wonen), in beginsel voor een week, met ondersteuning van het IHT-team (Intensive Home Treatment) van E. De indicatie voor “F” is gesteld door het IHT-team. Het verblijf in “F” is tweemaal verlengd, op 10 februari 2020 en op 17 februari 2020, tot uiteindelijk 21 februari 2020.

3.6     Uit het dossier blijkt dat klager op 10 februari 2020 te horen heeft gekregen dat hij voorlopig nog een week kan blijven, dat hij op 14 februari 2020 een gesprek heeft gehad met zijn IHT behandelaar over alternatieve woonvormen wanneer de time-out stopt en dat op 18 februari 2020 een evaluatiegesprek heeft plaatsgevonden waarin is besproken dat hij niet veel langer op “F” kan blijven dan tot zijn verlengde time-out tot en met vrijdag 21 februari 2020 tot 17.00 uur.
Op 21 februari 2020 eindigde de indicatie van klager voor een time-out plek in 'F’. Klager is toen tijdelijk in een vakantiewoning gaan wonen in G. Daarbij kreeg klager vanuit E (telefonisch) ambulante woonbegeleiding. Huisbezoeken vonden niet plaats omdat de vakantiewoning zich buiten het werkgebied van E bevond.

3.7     Op zondagavond 5 april 2020 heeft klager beklaagde de volgende e-mail gestuurd:

“Dag C, Ik wil nog wat belangrijks melden.

Ik heb wel eens gezegd dat ik af en toe wat gokte. Dit is de laatste tijd verergerd. Ipv dat ik tientjes won of verloor gaat het nu om duizenden euro’s.

Ik heb dit bij mijzelf opgemerkt dit weekend dat ik hier direct mee moet stoppen. Ik heb het 2 vriendinnen vanavond in vertrouwen gezegd. Bij deze wil ik het jou ook in vertrouwen melden.

Voor mij de eerste stap het besef dat ik over een grens ben gegaan. Het is een uiting van mijn probleem.

Groet, A”

         Beklaagde heeft de volgende dag, maandagmiddag 6 april 2020, geantwoord:

         “Ha A, Goed dat je me informeert over je gokprobleem. Ik was hier nog niet van op de hoogte. Lijkt me belangrijk dat dit wordt meegenomen. Maar eerst wil ik de ambulante woonbegeleiding geregeld hebben […].”

3.8     In mei 2020 is klager gediagnosticeerd met een stoornis in het autistisch spectrum (ASS) en een burn-out vanwege overbelasting en overprikkeling in zijn leven. Klager is vanaf eind mei 2020 ook begeleid en behandeld vanuit het Autisme Spectrum Centrum (ASC) J.

3.9     Bij e-mail van 29 juni 2020 heeft klager beklaagde laten weten dat hij het afgelopen weekend weer € 10.000,00 had verloren met gokken.

Bij e-mail van 6 januari 2021 heeft klager aan beklaagde meegedeeld dat hij in de periode van begin januari 2020 tot eind mei 2020 circa € 80.000,00 heeft verloren met online gokken. Daarbij heeft klager beklaagde gevraagd “mij te ondersteunen bij het terugvorderen van (een deel van) de gokverliezen door te erkennen dat je naar aanleiding van mijn mail van 5 april niet gehandeld hebt en ik geen enkele bescherming en/of advies gekregen heb.”

3.10    Op 22 februari 2021 heeft klager een klacht ingediend over het handelen van beklaagde. Bij brief van 21 april 2021 heeft klager E aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te hebben geleden door de tekortkomingen van beklaagde.

Bij brief van 25 juni 2021 heeft E deze aansprakelijkstelling afgewezen.

4. WAT HOUDT DE KLACHT IN?

Klager verwijt beklaagde dat:
(1) hij onvoldoende adequaat heeft gehandeld ten aanzien van het beëindigen van het verblijf van klager in “F", in die zin dat bij adequaat handelen het verblijf mogelijk had kunnen worden verlengd en er gelegenheid was geweest een passender oplossing te vinden dan een vakantiehuis in G;

(2) hij onvoldoende adequaat heeft gereageerd op de e-mail van 5 april 2020 waarin klager meldde dat hij duizenden euro’s had vergokt. Hierdoor is geen passende oplossing geboden voor het acute gokprobleem en is klager veel geld verloren.

5. WAT IS HET VERWEER?

Beklaagde heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.

6. WAT ZIJN DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE?

Welke criteria gelden bij de beoordeling?

6.1     Het college wijst er op, dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Als uitgangspunt geldt verder dat de beroepsbeoefenaar alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelen.

Klachtonderdeel 1: niet ingespannen voor verlenging verblijf in “F”

6.2     Het college is van oordeel dat beklaagde zich in voldoende mate heeft ingespannen voor klager en niet tekort is geschoten in zijn rol als (regie)behandelaar. Beklaagde heeft de continuïteit van de zorgverlening bewaakt en gezorgd voor voldoende overleg tussen de bij de behandeling van klager betrokken zorgverleners. Op vragen en verzoeken van klager heeft hij steeds gereageerd. Van belang is verder dat de indicatie voor “F” door het IHT-team was gesteld.

6.3     Bij ontslag uit de HIC heeft klager ondersteuning gekregen vanuit het IHT-team. Beklaagde heeft contact gehouden met het IHT-team en met klager. Beklaagde heeft op 7 februari 2020 een afstemmingsgesprek met klager gevoerd waarin onder andere zijn woonsituatie onderwerp van gesprek is. Beklaagde heeft over de problematiek van klager met het IHT-team telefonisch op 10 februari 2020 overlegd, en per email op 13 februari 2020.
Op 10 februari heeft beklaagde met klager onder andere over zijn aanmelding voor ASS-onderzoek gebeld. Op 18 februari 2020 heeft beklaagde op zijn verzoek wederom met klager gebeld en hem uitgelegd dat het IHT-team met hem zal overleggen over zijn woonsituatie.

6.4     Op 21 februari 2020 is beklaagde gebeld door de gemeente D met vragen over de woonplek van klager na 21 februari 2020 om 17.00 uur. Daarbij is niet ter sprake gekomen dat het verblijf in “F” nogmaals verlengd zou kunnen of moeten worden, aldus beklaagde. Dat blijkt ook niet uit de aantekeningen van de gemeenteambtenaar van dit telefonisch contact. Beklaagde heeft de gemeente doorverwezen naar het IHT-team en heeft dit direct daarna diezelfde dag nog telefonisch met het IHT-team besproken.
 

6.5     Uit het bovenstaande blijkt dat klager voldoende en tijdige signalen heeft gekregen dat de time-out in “F” slechts tijdelijk (in beginsel een week) zou zijn. Met klager is ook veelvuldig overlegd over alternatieve woonmogelijkheden. Beklaagde had niet de indicatie voor “F” gesteld. Hem heeft geen verzoek tot verlenging van het verblijf aldaar bereikt. Klager is bovendien wilsbekwaam en is uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor zijn huisvesting. Samenvattend staat vast dat de indicatiestelling voor het verblijf in “F” door het IHT team geschiedt (zie in dit verband ook de gespreksnotities van de gemeente die als bijlage bij de e-mail van de gemachtigde van klager van 5 mei 2022 zijn gevoegd), dat beklaagde hierover met het IHT team contact heeft gehad, dat de time-out plek in “F” slechts kortdurend/tijdelijk is bedoeld, dat de indicatie in het geval van klager niettemin tweemaal is verlengd tot 21 februari 2020, dat klager bekend was met deze einddatum en dat toen geen sprake (meer) was van een zodanige crisissituatie dat klager hierin zelf geen enkele verantwoordelijkheid kon nemen. Op basis van deze feiten en omstandigheden kan daarom niet worden geoordeeld dat beklaagde ter zake tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 2: onvoldoende gereageerd op de e-mail van 5 april 2020

6.6     Beklaagde heeft naar het oordeel van het college ook bij dit klachtonderdeel de continuïteit en de samenhang van de zorgverlening aan klager bewaakt en zorggedragen voor voldoende overleg tussen de bij de behandeling van klager betrokken zorgverleners. Beklaagde was vóór 5 april 2020 niet op de hoogte van een mogelijk gokprobleem van klager. Of hij wist dat klager af en toe wat gokte, zoals klager stelt, doet daaraan niet af. In het dossier wordt daarvan ook geen melding gemaakt. Op grond van de e-mail van 5 april 2020 zag beklaagde geen aanleiding tot acuut ingrijpen.

         Op 6 april 2020 heeft beklaagde contact gehad met de ambulante woonbegeleider, die hem heeft laten weten snel contact op te zullen nemen met klager.

6.7     Uit het dossier blijkt dat de ambulante woonbegeleider op 24 april 2020 contact heeft gehad met klager en hem geadviseerd heeft zijn geld tijdelijk naar iemand anders over te maken. Op dat moment was zijn internettegoed op, zodat klager niet kon gokken. De ambulante woonbegeleider heeft voorgesteld om een signaleringsplan te maken om dit te voorkomen in de toekomst. Klager had hier interesse in. Op 29 april 2020 heeft de ambulante woonbegeleider met klager gesproken over het omgaan met spanningen. Klager gaf aan dat zijn manier om met spanningen om te gaan gokken was, maar dat hij graag een gezonde manier zou willen om met spanningen om te gaan.

6.8     Op 26 mei 2020 heeft beklaagde een afstemmingsgesprek met de ambulante woonbegeleider en klager gevoerd. Besproken is dat ASC de diagnose ASS heeft bevestigd en behandeling in de vorm van psycho-educatie en psychofarmacologische begeleiding op zich zal nemen en dat E de ambulante woonbegeleiding en eventuele aanvullende behandeling zal voortzetten. Het gokken is toen niet ter sprake gekomen.

6.9     Tijdens een afstemmingsgesprek op 30 juni 2020 hebben beklaagde en de ambulante woonbegeleider klager op zijn eigen verantwoordelijkheid gewezen voor zijn gokgedrag en is opnieuw besproken dat het goed zou zijn om het beheer van zijn financiën aan iemand anders te geven en ervoor te zorgen dat er op zijn bankrekening alleen leefgeld zou blijven staan.

6.10    Daarmee staat vast dat het gokgedrag van klager door de ambulante woonbegeleider is opgepakt en dat beklaagde als regiebehandelaar de vinger aan de pols heeft gehouden. Wellicht had beklaagde na de e-mail van 5 april 2020, zoals hij ook erkent, achteraf bezien meer kunnen doorvragen naar de oorzaken en omvang van de gokpraktijken van klager, ook al had dat volgens beklaagde op dat moment niet tot een verslavingsbehandeling geleid omdat daarvoor – vanwege andere, lopende behandeltrajecten waaronder de diagnostiek en eventuele behandeling van ASS– op dat moment geen ruimte was.
Dit is echter onvoldoende grond om beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Daarbij komt dat klager wils- en handelingsbekwaam was en daarom primair verantwoordelijk is voor zijn eigen financiën. Er is geen goede reden om aan te nemen dat klager - gezien zijn problematiek - een gokverslaving zou gaan ontwikkelen. In zijn e-mail van 5 april 2020 geeft klager blijk van inzicht dat hij moest stoppen. Beklaagde mocht aannemen dat het gokgedrag gerelateerd was aan de spanningen die klager ondervond op het tijdelijke adres in G met niet-optimale woonbegeleiding. Het was dan ook adequaat eerst de woonbegeleiding weer volledig op orde te krijgen. Dat beklaagde op korte termijn voor klager behandeling tegen gokverslaving had kunnen organiseren (zonder dat vaststond dat daarvan überhaupt sprake was), is bovendien hoogst onzeker. Beklaagde heeft de woonbegeleider gevraagd om ook aandacht te besteden aan het gokken, o.a. door het maken van afspraken die het gokken bemoeilijken; dit was op dat moment een effectieve strategie.
Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

Conclusie

6.11    De conclusie is dat de klacht in beide onderdelen ongegrond is.

7. DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht ongegrond.
 

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, S.M. Pol,

L.P.T. Raijmakers en G.G.A. Schuitemaker, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van P. van der Stroom, secretaris.                                                                                                 

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

7. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

2. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
 

3. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.