Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2022:3 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3113

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:3
Datum uitspraak: 11-01-2022
Datum publicatie: 11-01-2022
Zaaknummer(s): D2021/3113
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Beklaagde is na een eerdere afgesloten behandelperiode opnieuw betrokken geraakt bij klaagster en haar gezin en heeft de dochter van klaagster (tevens medeklaagster) thuis opgevangen. Het college is van oordeel dat beklaagde niet de minderjarige dochter van klaagster bij zich in huis had moeten nemen omdat dit handelen als privépersoon niet los kan worden gezien van haar voormalige professionele rol van behandelaar van klaagster. Deze rollen heeft beklaagde vermengd en hiervan valt beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Bij het nemen van de beslissing om de dochter in huis te nemen heeft beklaagde onvoldoende onderkend dat zij ook nog kort daarvoor in haar hoedanigheid van gz-psycholoog klaagster had geadviseerd. Voorts heeft beklaagde de impact voor klaagster van de eerdere behandelperiode op haar beslissing om de dochter in huis te nemen onvoldoende onderkend en onderzocht. Tweede klachtonderdeel is ongegrond. Klacht deels gegrond, berisping. Publicatie. Kostenveroordeling.

Datum uitspraak: 11 januari 2022

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

klaagster,

mede klagend namens:

B ,

en

C ,

allen wonende te D,

tezamen klaagsters,

gemachtigde (alleen optredend namens klaagster): mevrouw mr. I.F. Schouwink, werkzaam, te Breda,

tegen:

E , gz-psycholoog

(destijds) werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mevrouw mr. A.K.M.T. Rongen, werkzaam te Rotterdam.

NaN. Het verloop van de procedure

NaN. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2021;
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • het aanvullend verweerschrift;
  • de brief d.d. 11 november 2021 van klaagster, met bijlagen;
  • de brief d.d. 16 november 2021 van mr. Schouwink namens klaagster, met bijlagen.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

NaN. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 30 november 2021. Klaagster is verschenen en werd bijgestaan door haar gemachtigde die alleen namens haar optrad. De beide dochters zijn niet verschenen maar zij hadden klaagster gemachtigd. Beklaagde is ook verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht en pleitnotities overgelegd.

NaN. De feiten

NaN. Klaagster is moeder van twee dochters. Zij was in de periode 2012/2013 belast met het éénouderlijk gezag. In 2012 was B 15 jaar, en C 10 jaar. Beklaagde heeft klaagster behandeld in de periode van 15 juni 2004 tot en met 17 februari 2006 en van 12 juni 2008 tot en met 30 september 2008. Het betrof een behandeling gericht op omgaan met angstklachten.

NaN. Klaagsters oudste dochter (B) zat in 2012 en 2013 op de plaatselijke middelbare school. Klaagster was per augustus 2012 als docent werkzaam op een andere locatie van deze school. Beklaagde werd als externe deskundige enkele malen per jaar geraadpleegd door het Zorg Advies Team (ZAT) van deze school.

NaN. In september/oktober 2012 heeft klaagster beklaagde gebeld. De moeder van klaagster was enkele weken daarvoor overleden, hetgeen voor klaagster een ingrijpende gebeurtenis was. Beklaagde heeft klaagster ’s avonds thuis bezocht en haar geadviseerd om met systeemtherapie te starten. Ook heeft zij gezegd dat zij dit zelf niet kon geven en heeft zij klaagster daarvoor naar een ander verwezen. Beklaagde had geen verwijsbrief van de huisarts en heeft dit gesprek met klaagster niet in rekening gebracht. Die avond heeft beklaagde de beide dochters van klaagster voor het eerst ontmoet.

NaN. Begin november 2012 is beklaagde gebeld met de mededeling dat klaagster in slechte toestand thuis was aangetroffen. Beklaagde heeft gezegd dat de huisarts gebeld moest worden. Toen de huisarts bij klaagster thuis kwam, heeft hij de ambulance gebeld omdat klaagster een overdosis aan alcohol had genuttigd. Beklaagde is ook naar klaagsters huis gegaan en trof daar de huisarts aan. Nadat klaagster per ambulance naar het ziekenhuis was vertrokken, hebben de huisarts en beklaagde overlegd wat er moest gebeuren met de beide dochters (van 15 en 10 jaar) die op dat moment op school waren. Na overleg met de huisarts heeft beklaagde haar telefoonnummer achtergelaten zodat de oudste dochter beklaagde kon bellen zodra ze uit school was. Die avond hebben de dochters van klaagster bij beklaagde gegeten. De dochters hebben in hun eigen huis overnacht. De volgende dag heeft klaagster beklaagde gebeld met de vraag om haar uit het ziekenhuis op te halen. Dit heeft beklaagde gedaan en toen heeft ze nogmaals geadviseerd om met systeemtherapie te beginnen.

NaN. Enkele dagen later heeft de oudste dochter met beklaagde telefonisch contact opgenomen voor hulp bij de thuissituatie. Er had zich een incident voorgedaan en beklaagde is naar het huis van klaagster gegaan, waar de oudste dochter zich in een benarde, ontredderde positie bevond. Zij heeft de dochter geadviseerd om contact op te nemen met de huisarts en daar hulp te vragen.

NaN. Op 8 november 2012 heeft klaagster - na overleg met de huisarts - een brief aan beklaagde gestuurd waarin zij - kort samengevat - schrijft dat zij de regie over haar gezinsleven terug wil en dat de kinderen en zijzelf inmiddels onder behandeling zijn. Ze verzoekt beklaagde haar psychologische werkzaamheden te stoppen. Ook schrijft ze dat de dochters in een noodgeval met beklaagde contact op zullen nemen, maar dat in alle andere gevallen zij als moeder de verantwoordelijkheid neemt. Klaagster beëindigt de brief door te schrijven dat ze de goede bedoelingen van beklaagde voor ogen heeft, maar ze vraagt beklaagde haar verzoek te respecteren.

NaN. Op 13 december 2012 is beklaagde door Jeugdzorg (Crisis Interventie Team) gebeld met de vraag of zij B tijdelijk, voor maximaal 3 maanden, kon opvangen. Zij heeft dit verzoek in beraad genomen, er over gesproken met haar gezin en met haar supervisor. Zij heeft uiteindelijk ingestemd met het verzoek. Er was geen sprake van een beschermende rechterlijke maatregel; Jeugdzorg heeft de opvang van de dochters op vrijwillige basis geregeld. B heeft vanaf de kerstvakantie in 2012 tot en met augustus 2013 verbleven in het gezin van beklaagde. De jongste dochter C verbleef elders.

NaN. In de periode vanaf de kerstvakantie 2012 is klaagster gedurende circa een maand opgenomen geweest in een kliniek voor verslavingszorg. Tijdens die opname heeft beklaagde op verzoek van de behandelaar uit die kliniek - omdat zij op dat moment B’s verzorgster was - een handgeschreven brief aan klaagster geschreven en die tijdens een behandelsessie in aanwezigheid van de behandelaar in de kliniek aan klaagster voorgelezen.

NaN. Eind januari 2013 keerde klaagster terug naar huis. C keerde in het voorjaar 2013 terug naar huis, en B eind augustus 2013.

NaN. In november 2013 heeft Bureau Jeugdzorg de hulpverlening voor de beide dochters in onderling overleg afgesloten.

NaN. De klacht

Klaagsters hebben een aantal klachtonderdelen ingediend. Op basis van de stukken en het besprokene ter zitting begrijpt het College het aldus dat de klachten van beide dochters samenvallen met de klachten ingediend vanuit het perspectief van klaagster. De klachtonderdelen luiden – zakelijk weergegeven – als volgt:

  • Beklaagde heeft zich grensoverschrijdend gedragen door diverse rollen te vermengen. Meer specifiek is het verwijt dat beklaagde haar rol van gz-psycholoog en behandelaar enerzijds heeft vermengd met haar rollen van schoolpsycholoog en van tijdelijke verzorgster van B anderzijds.
  • Ook heeft beklaagde informatie uit het ene dossier gekoppeld aan het andere dossier. Voorts heeft beklaagde ten onrechte geld in rekening gebracht en onwaarheden verspreid naar derden zoals Jeugdzorg, school en de huisarts.

Dit alles heeft klaagsters veel leed bezorgd.

NaN. Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Primair stelt beklaagde - kort samengevat - dat zij nimmer een behandelrelatie met B is aangegaan en dat de behandelrelatie met klaagster reeds in 2008 was afgerond. Beklaagde stelt dat het verweten handelen plaats vond in de privésfeer, waardoor de tweede tuchtnorm van toepassing is en dat dit er toe leidt dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht.    Subsidiair, indien klaagster wel ontvankelijk is in haar klacht, stelt beklaagde dat zij het logeren van B in haar huis heeft gedaan uit ‘naastenliefde’ en op uitdrukkelijk verzoek van B en Jeugdzorg, waarbij ook klaagster toestemming heeft gegeven. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

NaN. De beoordeling

NaN. In deze procedure staat het handelen van beklaagde centraal, toen zij - na een eerdere in 2008 afgesloten behandelperiode - in 2012 opnieuw betrokken raakte bij klaagster en haar gezin en zorg heeft gedragen voor de opvang van B vanaf eind december 2012 tot en met augustus 2013. De klachten lenen zich voor gemeenschappelijke behandeling.

NaN. Eerste of tweede tuchtnorm?

Allereerst is de vraag aan de orde of het handelen van beklaagde in 2012 en 2013 beoordeeld dient te worden onder de eerste of de tweede tuchtnorm. Het College is van oordeel dat de eerste tuchtnorm van toepassing is omdat het gaat om de beoordeling van het beklaagdes handelen in 2012 en 2013 in het licht van de eerdere behandelrelatie die beklaagde met klaagster had. Het optreden als zorgouder in 2012 en 2013 kan niet los worden gezien van de eerdere behandelrelatie, zoals hieronder in 5.3 nader wordt toegelicht.

NaN.

Niet in geschil is dat beklaagde een behandelrelatie had met klaagster in de jaren 2004-2006 en later in 2008. Anders dan beklaagde, is het College evenwel van oordeel dat beklaagde ook in september/oktober 2012 in haar hoedanigheid van gz-psycholoog bij klaagster betrokken is geweest. Klaagster heeft beklaagde toen gebeld met een hulpvraag die verband hield met de verwerking van het overlijden van klaagsters moeder. Klaagster belde beklaagde juist vanwege haar functie als gz-psycholoog; zij kampte met geestelijke problemen en kende beklaagde nog vanwege de vroegere behandelperiode. Van een vriendschapsrelatie was bovendien geen sprake en evenmin was er andersoortig contact tussen beiden geweest in de tussenliggende periode, aldus beide partijen ter zitting. Beklaagde is daarop naar het huis van klaagster gegaan. Zij heeft de hulpvraag aangehoord, de psychische toestand van klaagster beoordeeld en raad gegeven om elders in systeemtherapie te gaan. Het doen van zo’n beoordeling en het geven van advies valt onder het verlenen van individuele gezondheidszorg.

Uit de stukken en het besprokene ter zitting is overigens niet gebleken dat beklaagde behandelaar is geweest van B (en/of C). Beklaagde ontkent B ooit behandeld te hebben en ook B schrijft in mailberichten nooit door beklaagde te zijn behandeld. Evenmin is komen vast te staan dat beklaagde in haar rol van externe deskundige bij het ZAT-team ooit behandelaar van B is geweest of ooit betrokken is geweest bij gesprekken over haar via/in het ZAT-team of de school.  

NaN. Aan de orde is de vraag of beklaagde eind december 2012 heeft gehandeld als een goed hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW door B voor een langere periode bij zich in huis te laten logeren. Deze bepaling schrijft voor dat een hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht neemt en daarbij in overeenstemming handelt met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor de hulpverleners geldende standaard. 

NaN. In 2012 was de Beroepscode voor Psychologen van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) (versie 2007) van kracht. De beroepscode NIP vermeldt voor zover hier relevant:

“III.2.3.5 De psycholoog vermengt professionele en niet-professionele rollen niet zodanig met elkaar dat hij niet meer in staat kan worden geacht een professionele afstand tot de betrokkene(n) te bewaren of dat de belangen van de betrokkene(n) worden geschaad.

III.2.3.8 Bij het aangaan van een persoonlijke relatie na het beëindigen van de professionele relatie, vergewist de psycholoog zich ervan dat de voorgaande professionele relatie geen onevenredige betekenis meer heeft. [..]

NaN. Het aangaan van een niet-professionele relatie na beëindiging van een behandelrelatie is niet per definitie verboden. Wel dient een gz-psycholoog daarbij alle zorgvuldigheid in acht te nemen die als professioneel gz-psycholoog van hem of haar mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheid houdt in het algemeen in dat de gz-psycholoog na beëindiging van een behandelrelatie (i) terughoudendheid betracht bij het aangaan van een niet-professionele relatie met een ex-patiënt, (ii) een afkoelings- of reflectieperiode van aanmerkelijke duur in acht neemt, waarvan de duur mede wordt bepaald door de aard, duur en intensiteit van de voorgaande behandelrelatie, (iii) en zich ervan vergewist dat de voorgaande professionele relatie geen onevenredige betekenis meer heeft.

NaN. Klachtonderdeel a.

Het College is van oordeel dat beklaagde niet de minderjarige dochter van klaagster (B) bij zich in huis had moeten nemen omdat dit handelen als privépersoon niet los kan worden gezien van haar voormalige professionele rol van behandelaar van klaagster. Deze rollen heeft beklaagde vermengd en hiervan valt beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Bij het nemen van de beslissing in december 2012 om B in huis te nemen, heeft beklaagde allereerst onvoldoende onderkend dat zij ook nog kort daarvoor (in het najaar van 2012) in haar hoedanigheid van gz-psycholoog klaagster had geadviseerd. Voorts heeft beklaagde de impact voor klaagster van de eerdere, in 2008 afgesloten behandelperiode op haar beslissing om B in huis te nemen onvoldoende onderkend en onderzocht. Het behandeltraject was weliswaar al in 2008 afgesloten, maar het ging om een aanzienlijk aantal gesprekken die - naar hun aard, en het individuele, intensieve karakter ervan - gepaard zullen zijn gegaan met een kwetsbare opstelling van klaagster. Beklaagde heeft zich nadien ook onvoldoende rekenschap gegeven van latere signalen van klaagsters kwetsbaarheid, zoals het in september/oktober 2012 gevoerde gesprek over systeemtherapie, de alcoholintoxicatie en de daarop volgende opname in de verslavingskliniek.

Beklaagde heeft de impact van het voornemen om B in huis te nemen niet zelf met klaagster besproken of afgedwongen dat zij dit met klaagster (in rust zonder dat er sprake was van de “psychische druk” die klaagster op dat moment mogelijk voelde tijdens haar gesprekken met Jeugdzorg en B) wenste te bespreken alvorens op het verzoek te beslissen. Dit had zij in lijn met de richtlijnen wel moeten doen. Daarbij merkt het College op dat klaagster bovendien per brief van 8 november 2012 beklaagde expliciet had gevraagd afstand te nemen van klaagster en het gezin en haar ‘psychologische werkzaamheden’ te staken. Door dit niet zelf met klaagster te bespreken heeft zij zich er onvoldoende van vergewist dat de eerdere behandelrelatie niet nog van betekenis was voor klaagster. Integendeel, ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat beklaagde in klaagsters beleving haar gz-psycholoog is gebleven. Door deze gang van zaken zijn voor klaagster ongemakkelijke en onwenselijke situaties ontstaan waarbij haar dochter B verbleef bij de voormalige behandelaar van haar moeder en waarbij aan klaagster in de verslavingskliniek een confronterende brief werd voorgelezen door haar voormalige behandelaar in de nieuwe rol van zorgouder van B. De rollen van zorgouder en voormalig behandelaar met voorkennis schuurden hier, en daarmee zijn de belangen van de betrokkenen (lees: klaagsters) geschaad.

Het College ziet in dat er sprake was van een min of meer penibele situatie waarbij beklaagde door Jeugdzorg werd opgeroepen om de zorg-rol voor B op zich te nemen, en ook dat B en klaagster daarin (in formele zin) hebben toegestemd, maar dit maakt het oordeel van het College niet anders. Beklaagde had de rolvermenging van voormalig behandelaar van klaagster enerzijds en zorgouder voor de toen minderjarige dochter van klaagster anderzijds, moeten voorkomen. Op dit punt valt beklaagde dan ook een tuchtrechtelijk verwijt te maken.  

De conclusie is dan ook dat dit klachtonderdeel slaagt. Beklaagde heeft in strijd gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Klachtonderdeel b.

5.8       Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest kan niet worden gesteld dat beklaagde onwaarheden heeft verteld aan derden of dat zij informatie uit het ene dossier overnam in andere dossiers. De financiële afwikkeling van de onkosten van het langdurig verblijf had weliswaar beter via Jeugdzorg kunnen verlopen, maar de onderhavige gang van zaken kan naar het oordeel van het College niet leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt.  Dat financiën afgewikkeld moesten worden is immers een direct gevolg van het langdurige verblijf bij beklaagde, waarover het College zich hierboven onder 5.7 al heeft geoordeeld. Dit klachtonderdeel faalt derhalve.

De op te leggen maatregel

5.9       Gelet op de aard van het te maken verwijt (rolvermenging, zie klachtonderdeel a.), de duur van de grensoverschrijding en de impact die het handelen van beklaagde voor klaagster heeft gehad, acht het College een berisping in dit geval passend.

Kostenveroordeling

5.10     Klaagster heeft verzocht beklaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure. Hoewel de klacht slechts ten dele gegrond wordt verklaard, zal het College gezien de aard van de zaak overgaan tot een forfaitaire kostenveroordeling op basis van artikel 69, vijfde lid, van de wet BIG en de “Oriëntatiepunten kostenveroordeling tuchtcollege voor de gezondheidszorg”. Het College komt tot toewijzing van een punt €534,- en €25,- aan reiskosten. Het griffiegeld zal op basis van artikel 65a lid 5 Wet BIG aan klaagsters worden terugbetaald.

Publicatie

5.11     Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.

6.         De beslissing


Het College:

  • verklaart klachtonderdeel a. gegrond.
  • verklaart klachtonderdeel b. ongegrond.
  • legt op de maatregel van berisping.
  • veroordeelt beklaagde in de hierboven vastgestelde kosten van klaagster van in totaal €559,-.
  • veroordeelt beklaagde dit bedrag te voldoen op de bankrekening van klaagster binnen vier weken nadat deze haar schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten.
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, De Psycholoog, de NVP alsmede naar keuze Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door E.F. Brinkman, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, Th.A.M. Deenen, C.H.J.A.M. van de Vijfeijken en T.A.W. van der Schoot, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2022.