Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2022:2 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3340

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:2
Datum uitspraak: 11-01-2022
Datum publicatie: 11-01-2022
Zaaknummer(s): D2021/3340
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klager is door de huisarts verwezen in verband met overeetklachten. Klager is het niet eens met de door de behandelaren gestelde diagnose en is van mening dat er tijdens de intake ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar zijn andere klachten. Het college ziet in het dossier geen aanwijzingen dat de intake onzorgvuldig is verlopen. Naar het oordeel van het college lag de verantwoordelijkheid voor een doorverwijzing niet bij de beklaagde, gelet op zijn onderbouwde conclusie dat van een eetstoornis geen sprake was, dat andere problematiek tijdens de intake niet aan de orde is gekomen en de terugverwijzing van beklaagde naar de huisarts. Niet gebleken dat aan klager onvoldoende informatie is verstrekt of dat er sprake is van schending beroepsgeheim. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , Gz-psycholoog

werkzaam te B,

beklaagde.

NaN. Het verloop van de procedure

NaN. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 5 augustus 2021;
  • het aanvullend klaagschrift;
  • het verweerschrift met bijlagen.

NaN. Partijen hebben het aanbod gekregen om samen met een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Het college heeft niet binnen de daarvoor gestelde termijn van klager bericht ontvangen dat hij hiervan gebruik wilde maken. Dit maakte voor beklaagde dat het nut van een mondeling vooronderzoek niet meer aan de orde was. Ruim drie weken na afloop van de reactietermijn bleek dat klager wél een mondeling vooronderzoek had gewenst, maar dat hij zijn reactie naar een verkeerd e-mailadres had verzonden. Het verzoek van klager om alsnog te worden gehoord is door het college afgewezen, met name omdat het verzoek een dag voor de behandeling in raadkamer is ontvangen. Het college heeft hierbij overwogen dat klager zelf verantwoordelijk is voor een juiste adressering. Hoe spijtig het ook is dat het college de reactie van klager niet op tijd heeft ontvangen, is het college op basis van de inhoud van de stukken wel van oordeel dat een mondeling vooronderzoek niet tot een andere beslissing had geleid.

1.3       Het college heeft de klacht op 30 november 2021 in raadkamer behandeld.

NaN. De feiten

Klager, geboren in 1978, is door de huisarts verwezen naar de afdeling eetstoornissen van D in verband met een verergering van overeetklachten. Op 13 november 2018 heeft klager een intakegesprek gehad met een collega van beklaagde. Direct hierop volgend vond een adviesgesprek plaats waarbij naast klager en de collega van beklaagde ook beklaagde aanwezig was. Beklaagde was regiebehandelaar en zijn collega medebehandelaar. Op 10 december 2018 is door de behandelaren een bericht aan de huisarts van klager verzonden met de conclusie dat er geen sprake is van een eetstoornis en dat patiënt zal moeten worden uitgeschreven.   
 

NaN. De klacht

Klager verwijt de beklaagde dat er epistemisch onrecht is toegepast en dat hij zich in de maling genomen en niet geholpen voelt. Klager heeft de verwijten als volgt gespecificeerd:

NaN. verkeerde diagnose

NaN. onvoldoende informatie

NaN. ten onrechte niet doorverwezen

NaN. schending beroepsgeheim.

NaN. Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

NaN. De beoordeling

eerste en derde klachtonderdeel:

5.1       Klager is het niet eens met de door de behandelaren gestelde diagnose en is van mening dat er tijdens de intake ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar zijn burn-outklachten en hooggevoeligheid. Beklaagde stelt dat de aanmeldklachten van klager door zijn collega uitgebreid en adequaat zijn uitgevraagd en heeft toegelicht dat het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag gericht was op het al dan niet bestaan van een eetstoornis. Het college heeft geen bedenkingen bij deze handelswijze en ziet in het intakeverslag geen aanwijzingen dat de intake onzorgvuldig is verlopen.

5.2       Op basis van het intakegesprek zijn de behandelaren tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende criteria aanwezig waren om te kunnen spreken van een eetstoornis. Beklaagde heeft verklaard dat deze conclusie tijdens het adviesgesprek uitgebreid met klager is besproken en dat klager op dat moment niet kenbaar heeft gemaakt dat hij het hier niet mee eens was en ook niet om doorverwijzing voor diens overige klachten heeft gevraagd. Beklaagde heeft verder toegelicht dat de behandelaren tijdens een adviesgesprek erop gericht zijn om met de cliënt tot overeenstemming te komen en dat de mening van de cliënt hierbij zwaar wordt meegewogen. Het college ziet in het dossier geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in dit geval van deze handelswijze is afgeweken. Hierna is klager terugverwezen naar de huisarts. Naar het oordeel van het college lag de verantwoordelijkheid voor een doorverwijzing niet bij de beklaagde, gelet op zijn onderbouwde conclusie dat van een eetstoornis geen sprake was, dat andere problematiek tijdens de intake niet aan de orde is gekomen en de terugverwijzing van beklaagde naar de huisarts. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

tweede klachtonderdeel:

5.3       Niet gebleken is dat aan klager onvoldoende informatie is verstrekt. Uit de door klager overgelegde stukken blijkt dat hij voorafgaand aan de intake is geïnformeerd over het doel van de intake, de gang van zaken en de verschillende onderdelen waaruit het onderzoek zou bestaan. Beklaagde heeft verder toegelicht dat de conclusie van de intake tijdens het adviesgesprek met klager is besproken. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

vierde klachtonderdeel:         

5.4       Beklaagde heeft verklaard dat er, behalve de brief van 10 december 2018 aan de huisarts, door hem geen informatie over klager aan derden is verstrekt. In de brief aan de huisarts is opgenomen dat klager op de hoogte is van de inhoud van de brief en het eens is met verzending. Dat er meer informatie is gedeeld dan dat of met andere personen, heeft klager niet onderbouwd en is ook niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel slaagt niet.

5.5       Om bovenstaande redenen zal het college beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.

NaN. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

de klacht is kennelijk ongegrond

Deze beslissing is gegeven op 11 januari 2022 door E.F. Brinkman, voorzitter,

Th.A.M. Deenen, en T.A.W. van der Schoot, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.