Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2022:8 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven E2021/3165

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2022:8
Datum uitspraak: 22-02-2022
Datum publicatie: 22-02-2022
Zaaknummer(s): E2021/3165
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Diverse verwijten aan arts over de opgestelde Bijstelling probleemanalyse (BPA) en Functionele mogelijkheden lijst (FML), over niet nakomen van gemaakte afspraken en het ten onrechte voeren van de titel bedrijfsarts. Gebrekkig anamnestisch consult. BPA en FML incompleet, onjuist en niet onderbouwd. Naleving van afspraken met klager niet geborgd. Ten onrechte gebruik titel bedrijfsarts. Niet voldaan aan informatieplicht over handelen onder supervisie. Deels gegrond. Berisping.

Uitspraak: 22 februari 2022

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 10 juni 2021 bij het tuchtcollege Groningen ingekomen klacht, die vervolgens is doorgeleid naar het tuchtcollege Eindhoven en aldaar op 25 juni 2021 is ontvangen, van:

[A]

wonende te [B]

klager

gemachtigde mr. V.S.M. Sturkenboom te Groningen

tegen:

[C]

arts

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. M.C. Hazenberg te Utrecht

gemachtigde ter zitting mr. R.J. Peet te Utrecht

1.         Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift en de aanvullingen daarop, met één USB-stick;
  • de brieven van de secretaris aan klager van 1 juli 2021 en van 13 juli 2021;
  • de brief met extra USB-sticks ontvangen van de gemachtigde van klager op 6 augustus 2021;
  • de brief met bijlagen, ontvangen van klager op 24 augustus 2021;
  • het verweerschrift ontvangen op 17 september 2021;
  • het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van 29 november 2021.

De klacht is ter openbare zitting van 19 januari 2022 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.

2. De feiten

2.1 In verband met een ziekmelding van klager bij diens werkgever eind 2019 heeft klager contact gehad met verweerder. Op 27 november 2020 heeft een telefonisch consult plaatsgevonden naar aanleiding waarvan door verweerder een Bijstelling Probleem Analyse (BPA) en Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn opgesteld.

2.2 In de aantekeningen van dit gesprek, zoals verwoord in de e-mail van 23 december 2020 van verweerder aan de gemachtigde van klager, heeft verweerder opgenomen (alle citaten worden overgenomen inclusief eventuele taal- en typfouten):

“ gaat wel beter, er is mediation geweest, gestopt 3 gesprekken, Doet aan mental core begeleiding bij psycholoog (3 mensen) 1 x week, 8 weken lang, is nu klaar. Er loopt een discriminatieaspect. Krijgt nog evaluatie van het werk hierover. Nog geen arbeidsmogelijkheden voor handen. FML opstellen is nu aan de orde, dit in telefonisch overleg gedaan waarna er een ADO kan gaan plaatsvinden gezien de reeds langer bestaande verzuimduur en het ontbreken van een daadwerkelijk hersteltendens. Voorinfo CM [volgt naam]: Indien mogelijk ontvangen wij een FML tbv een AD onderzoek. of dat er seperaat hiervan een spoor 2 traject gestart kan worden.”

Tijdens het telefonisch consult is blijkens de daarvan opgemaakte transcriptie onder meer gezegd:

  • [college: verweerder] [00.18] Ik ben de bedrijfsarts, (…)

SP2: [10:16] (…) Nou wat ik ga doen, is ik, ik stel die lijst op, die stuur ik naar jou op, daar moet je effe naar kijken. En als je akkoord bent, moet je ‘m terugsturen. Dat is een lijst met beperkingen. (…)

SP2: [10:30] Eh, ja goed en, als jij, als jij akkoord bent, dan is ie definitief, en dan kan de arbeidsdeskundige ingeschakeld gaan worden.”

2.3 In de BPA is opgenomen:

1.

2.4 In de FML is opgenomen:

“          [x] De client beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden.

(…)

            [x] De client heeft beperkingen ten opzichte van normaal functioneren (…)

(…)

RUBRIEK I: PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

0. Werknemer heeft

(…)

[x] Wel beperkingen

(…)

9. Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid (…?)

(…)

[x] ja, de client is aangewezen op vaste, bekende werkwijzen (routine-afhankelijk).

(…)

RUBRIEK II: SOCIAAL FUNCTIONEREN

(…)

6. Emotionele problemen van anderen hanteren

(…)

[x] beperkt, trekt zich meestal problemen van anderen erg aan; kan desondanks wel voldoende afstand nemen in gedrag, echter niet in beleving

(…)

7. Eigen gevoelens uiten

(…)

[x] beperkt, brengt anderen in verwarring door onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen

(…)

8. Omgaan met conflicten

(…)

[x] beperkt, kan een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact

(…)”

2.5       Vanaf 15 december 2020 correspondeert de gemachtigde van klager met verweerder en geeft aan dat klager niet akkoord is met de BPA en FML. Op 31 december 2020 om 13:46 uur is door de gemachtigde van klager aan verweerder een e-mailbericht gestuurd waarin onder meer is geschreven:

“          (…)

Gegeven het uitblijven van een afdoende reactie dien ik dan ook allereerst een klacht in tegen uw handelswijze waaronder uw nalaten en verzoek daarbij voor zover nodig tevens om een spoed second opinion.

Een en ander laat onverlet dat u dringend wordt verzocht de gestelde vragen te beantwoorden en de informatie alsnog, edoch uiterlijk 5 januari 2021, aan mij aan te leveren. (…)”

2.6       Op 8 januari 2021 vond een volgend telefonisch consult plaats tussen klager en verweerder op basis waarvan door verweerder opnieuw een BPA en FML werden opgesteld.

3. De klacht

Klager verwijt verweerder dat hij:

  1. tegen beter weten in een BPA en FML heeft opgesteld en dat hij deze formulieren onjuist heeft opgesteld althans daarin onjuiste informatie heeft opgenomen, welke informatie in het nadeel van klager is en wordt gebruikt;
  2. zijn toezegging/afspraak inhoudende dat hij de BPA en FML eerst ter goedkeuring aan klager zou toesturen alvorens de formulieren werden gebruikt voor een arbeidsdeskundig onderzoek, niet is nagekomen;
  3. de tegen zijn handelen gerichte klacht niet direct in behandeling heeft genomen dan wel heeft doorgezet en het verzoek om een second opinion niet heeft doorgezet dan wel opgestart;
  4. heeft nagelaten/in gebreke is gebleven de BPA en FML direct aan te passen;
  5. heeft nagelaten/in gebreke is gebleven de werkgever en/of arbeidsdeskundige direct terug te fluiten dan wel hen omtrent de onjuistheid van de foutieve BPA en FML te informeren;
  6. op de (B)PA’s niet zijn volledige voorletters en BIG-registratienummer heeft vermeld en heeft nagelaten te vermelden dat hij onder supervisie werkt;
  7. ten onrechte de titel/naam bedrijfsarts voert.

Op de onderbouwing van de klacht wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan bij de beoordeling.

4. Het standpunt van verweerder

4.1       Verweerder meent dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is.
 

4.2       Kort en zakelijk weergegeven betwist verweerder dat de BPA en FML van 27 november 2020 onjuist zouden zijn. Hetgeen daarin is opgenomen volgt uit het telefonisch consult van die datum. Er was dan ook geen aanleiding de BPA en FML aan te passen of de werkgever en/of de arbeidsdeskundige direct te informeren over vermeende onjuistheden. Verweerder heeft met klager de afspraak gemaakt om de BPA en FML eerst ter goedkeuring aan hem door te sturen. Verweerder is die afspraak nagekomen door een medewerker van de organisatie waar hij werkte, te vragen de stukken naar klager op te sturen. Verweerder kan zich niet herinneren de e-mail van de gemachtigde van klager van 31 december 2020 om 13:46 uur met daarin de klacht danwel het verzoek om een second opinion, gezien te hebben maar de ontvangst ervan wordt niet betwist. Ter zitting heeft verweerder aangegeven de bewoordingen in deze e-mail niet duidelijk te vinden. Hij meent gehandeld te hebben in de geest van de e-mail met zijn vervolgconsult van 8 januari 2021. Het is juist dat op de (B)PA en FML niet zijn volledige initialen of BIG-registratienummer vermeld staan, maar dat is ook niet verplicht. Wat zijn beroepstitel betreft, stelt verweerder dat de informatie over de supervisie te vinden was op de website van de organisatie waar verweerder destijds werkzaam was. Verder geeft verweerder zijn beroepstitel normaal gesproken aan bij eerste contact met een cliënt. In dit geval is daarover in het dossier niets opgenomen. Strikt genomen heeft verweerder ten onrechte de titel bedrijfsarts gevoerd, maar hij is van mening dat dit in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Voorts verzoekt verweerder hem geen maatregel op te leggen en wijst hij erop verbetermaatregelen te hebben getroffen en niet eerder een tuchtklacht te hebben gekregen.

5. De overwegingen van het college

5.1 De vraag die het college moet beantwoorden is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor is de redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening. Ook gaat het college uit van de op dat moment geldende beroepsnormen. Het gaat er niet om of de arts, achteraf beschouwd, misschien beter of anders had kunnen handelen, maar of hij bij de toen bekende stand van zaken redelijkerwijs heeft kunnen handelen zoals hij heeft gedaan.Klachtonderdeel 1

5.2 Het college maakt bij de beoordeling gebruik van de transcriptie van de door klager gemaakte geluidsopname van het consult van 27 november 2020 (hierna: de transcriptie), nu de juistheid daarvan door verweerder niet is weersproken en hijzelf in zijn verweer ook naar de inhoud daarvan verwijst.

Met klager is het college van oordeel dat de BPA en de FML, zoals opgesteld naar aanleiding van het telefonisch consult van 27 november 2020, niet overeenkomen met hetgeen in dat consult is besproken. De door verweerder weergegeven beperkingen in de FML zijn niet danwel onvoldoende door hem onderbouwd. Uit de transcriptie blijkt voorts dat verweerder niet heeft doorgevraagd op uitlatingen van klager zoals bijvoorbeeld de “druk op de borst”. De in de BPA benoemde ‘matige hersteltendens’ is strijdig met de mededelingen van klager in het consult over zijn verbeterde mentale staat en wens om weer te gaan starten. Verweerder geeft in de BPA ook geen nadere onderbouwing voor zijn visie. Voorts heeft verweerder op geen enkele wijze de tijdens het telefonisch consult door klager gemaakte opmerkingen over discriminatie en racisme in de BPA benoemd en meegewogen.

Dit leidt tot een gegrondheid van dit klachtonderdeel.

Klachtonderdelen 2, 3, 4 en 5

5.3 Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking, nu ze in elkaars verlengde liggen en alle verband houden met de vervolgafspraken die verweerder met klager heeft gemaakt. Het college stelt daarbij vast dat uit de transcriptie volgt dat verweerder met klager heeft afgesproken dat de BPA en FML pas definitief zouden worden na akkoord door klager. De stukken zijn reeds vóór een akkoord van klager in de digitale systemen geplaatst. Verweerder wist dat ze daarmee ook door de werkgever konden worden ingezien. Desondanks heeft verweerder op geen enkele wijze gewaarborgd dat werkgever geen vervolghandelingen op de kennelijk als concept bedoelde stukken zou verrichten. De stukken dragen op geen enkele manier het kenmerk van concept of voorwaardelijkheid. Ook nadat verweerder gebleken is van vervolghandelingen door de werkgever ten nadele van klager, is de status van het stuk niet aangepast. Verweerder geeft op dit punt wel aan dat hij contact heeft gezocht met de werkgever, maar daarvan of van de inhoud van dit contact blijkt uit het dossier niets.

De klachtonderdelen 2 en 5 zijn dan ook gegrond.

5.4       De klachtonderdelen 3 en 4 zijn ongegrond. De tekst van de e-mail van de gemachtigde van klager van 31 december 2020 om 13:46 uur waarin deze -zo is door deze ter zitting benadrukt - beoogde een klacht neer te leggen én een second opinion te verzoeken, is onvoldoende eenduidig. Verweerder kon en mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat hij met het inplannen van een vervolgafspraak op 8 januari 2021 om de BPA en FML te bespreken en mogelijk aan te passen, in voldoende mate tegemoet kwam aan de geest van de e-mail. Ter zitting is door de gemachtigde van klager ook aangegeven dat er na het consult van 8 januari 2021 en de daarop aangepaste stukken geen behoefte of belang meer bestond aan een second opinion. Voor zover de klacht erop ziet dat door verweerder niet eerder actie ondernomen is, stelt het college vast dat de periode tussen de brief van gemachtigde en dat opvolgend consult - mede gezien de tussenliggende kerst- en nieuwjaarsperiode - niet onredelijk lang is. Er is op dit punt geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen danwel nalaten.
 

Klachtonderdelen 6 en 7

5.5       Het college stelt voorop dat in artikel 17 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is bepaald dat het recht om een specialistentitel te voeren is voorbehouden aan degenen die zijn ingeschreven in het desbetreffende erkende specialistenregister. Verweerder staat in het BIG-register geregistreerd als arts en niet als bedrijfsarts. Verweerder is dus louter gerechtigd zich (arbo-)arts te noemen. Verweerder heeft de (B)PA’s ondertekend als bedrijfsarts. De omstandigheid dat het woord ‘bedrijfsarts’ in de (B)PA voorgedrukt staat, doet daar niet aan af. Van verweerder mag als professioneel handelende arbo-arts immers worden verwacht dat hij erop let in welke hoedanigheid hij een formulier ondertekent en dit, indien nodig, verduidelijkt door bij zijn naam de toevoeging “arts” te vermelden. Voorts volgt uit de transcriptie van het telefonisch consult van 27 november 2020 dat verweerder zichzelf tegenover klager bedrijfsarts noemde. Nu verweerder geen bedrijfsarts is, betekent dit dat verweerder zich daarmee ten onrechte als zodanig heeft voorgedaan.

Klachtonderdeel 7 is daarmee gegrond.

5.6       De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) schrijft voor dat een arbo-arts onder supervisie van een bedrijfsarts dient te werken. Bij de beoordeling van klachtonderdeel 6 betrekt het college het Standpunt Taakdelegatie en Supervisie van de NVAB, aangenomen in juni 2020. In dit Standpunt is aangegeven dat de bedrijfsarts en gedelegeerde [college: in dit geval verweerder] de werknemer over de taakdelegatie op een zodanige wijze informeren dat de functie en specifieke taak van de gedelegeerde duidelijk is voor de werknemer en hij weet wie de verantwoordelijke bedrijfsarts is. Voorts staat in het Standpunt:

'Bij communicatie naar derden (zoals brieven en e-mails) moet uit de ondertekening duidelijk blijken dat er sprake is van supervisie. Dit blijft nodig totdat de aios zijn opleiding heeft afgerond en geregistreerd staat als bedrijfsarts. Voor een anios is dat een blijvende noodzaak.'

Kort samengevat volgt hieruit dus een ook op de arbo-arts (zoals verweerder) rustende actieve informatieplicht ter zake de supervisie. Vast staat - als door verweerder erkend - dat in het medisch dossier niets is opgenomen over deze informatieverstrekking. Uit de overige in het geding gebrachte stukken volgt evenmin dat aan de informatieplicht is voldaan. Integendeel volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat verweerder klager onjuist heeft geïnformeerd over zijn hoedanigheid en taakverdeling, door de verkeerde aanduiding van bedrijfsarts te hanteren en in het telefonisch consult de aanduiding bedrijfsarts te gebruiken.

Van een ten tijde van het opmaken van de stukken geldende (actieve) verplichting om volledige voorletters en BIG-registratienummer te vermelden is geen sprake. Wel geldt op basis van vaste tuchtrechtspraak een verplichting om desgevraagd het BIG-registratienummer door te geven, maar dat verweerder hier niet aan zou hebben voldaan, is door klager niet aangevoerd.

Klachtonderdeel 6 is deels gegrond.

5.7       Om redenen aan het algemeen belang ontleend bepaalt het college dat deze beslissing zal worden gepubliceerd.

De maatregel

5.8       Het college is van oordeel dat bij de gegrond verklaarde klachtonderdelen, zoals hiervoor besproken, een berisping past. Uit het verloop blijkt dat verweerder allereerst een gebrekkig anamnestisch consult heeft afgenomen waarbij onvoldoende door hem is doorgevraagd. Vervolgens zijn de verslaglegging daarvan en de opgestelde BPA en FML van 27 november 2020 incompleet, onjuist en niet onderbouwd. Dit klemt temeer nu de betreffende stukken van groot belang zijn binnen de relatie werkgever-werknemer en onjuistheden hierin voor een werknemer verstrekkende gevolgen kunnen hebben. Deze onzorgvuldigheid raakt de kern van het wezen van een arts binnen de arbeidsgeneeskunde en het college rekent verweerder dit ook zwaar aan. Daar komt bij dat verweerder onbetrouwbaar is gebleken in de door hem met klager gemaakte afspraken nu verweerder de naleving van die afspraken niet heeft geborgd. De door verweerder jegens klager voorts gecreëerde onjuistheid over zijn hoedanigheid en het al dan niet werken onder supervisie maken de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van verweerder nog pregnanter.

Het ter zitting door verweerder benoemde inzicht en het voornemen zijn gedrag te zullen veranderen, werpen onvoldoende gewicht in de schaal. Weliswaar heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven onmiddellijk verbetermaatregelen te hebben getroffen, maar ter zitting is daarvan niet gebleken. 

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 5, 6 en 7 (deels) gegrond;
  • legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden zal worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.

Aldus beslist door A.H.M.J.F. Piëtte, voorzitter, M.J.H.A. Venner-Lijten, lid-jurist,

C.M.F. van Roessel, R.J.P. Ansem en B. Vlogtman, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van C.W.M. Hillenaar, secretaris, en uitgesproken door E.P. van Unen op 22 februari 2022 in aanwezigheid van de secretaris.