Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2022:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4010

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2022:48
Datum uitspraak: 24-08-2022
Datum publicatie: 24-08-2022
Zaaknummer(s): H2022/4010
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft medische verklaring opgesteld op verzoek van ex-partner van klaagster. Proces: mede geschreven uit naam van hoofdbehandelaar en regiebehandelaar. Inhoud: medewerking klaagster bij omgang met de kinderen en vaderrol ex-partner. Verpleegkundige had verklaring niet mogen opstellen. Gezien proces rond opstellen en inhoud. Waarschuwing.  

Uitspraak: 24 augustus 2022

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing op de klacht van:

[A]

wonende te [B]

klaagster

tegen:

[C]

verpleegkundige

werkzaam te [B]

verweerder

gemachtigde mr. B.L.M. Middeldorp, werkzaam in Breda

1.         De kern van de zaak en de beslissing

1.1       Klaagster en haar ex-partner hebben drie minderjarige kinderen. Verweerder (hierna: de verpleegkundige) is als sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij de behandeling van de ex-partner betrokken. Op verzoek van de ex-partner heeft de verpleegkundige een verklaring opgesteld, gericht aan diens advocaat. De verpleegkundige heeft de verklaring mede geschreven uit naam van de psychiater (hoofdbehandelaar) en psycholoog (regiebehandelaar) van de ex-partner, zonder dat zij daarvan op de hoogte waren. In die verklaring heeft de verpleegkundige informatie opgenomen over de medewerking van klaagster bij de omgang tussen de ex-partner en de kinderen en over de vaderrol van de ex-partner. Klaagster heeft hierover deze klacht ingediend. De verpleegkundige erkent dat hij deze verklaring niet had mogen opstellen, maar vindt dat zijn handelen hem niet in tuchtrechtelijke zin kan worden aangerekend.

1.2       Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. De verpleegkundige had de verklaring niet mogen opstellen. Niet alleen gezien het proces rond het opstellen, maar ook gezien de inhoud van de verklaring. Het college legt aan de verpleegkundige de maatregel van waarschuwing op.

2.         De procedure tot nu toe

2.1       Het college heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 25 februari 2022
  • het verweerschrift, ontvangen op 13 mei 2022
  • het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek op 28 juni 2022
  • de pleitnotitie van de gemachtigde van de verpleegkundige, overhandigd op de zitting

2.2       De klacht is op de openbare zitting van 13 juli 2022 behandeld. Partijen waren aanwezig, klaagster via een digitale verbinding. De verpleegkundige werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

3.         De feiten

3.1       Klaagster en haar ex-partner hebben drie minderjarige kinderen. De kinderen wonen bij klaagster. De ex-partner wil hen graag weer zien. Na onderzoek heeft Veilig Thuis een rapport opgesteld met veiligheidsvoorwaarden voor een omgangsregeling met de kinderen. De verpleegkundige is sociaal psychiatrisch verpleegkundige en is in die hoedanigheid betrokken bij de behandeling van de ex-partner.

3.2       Op 24 augustus 2021 heeft de verpleegkundige op verzoek van de ex-partner een ‘medische verklaring’ in briefvorm (hierna: de verklaring) opgesteld. De verklaring is gericht aan de advocaat van de ex-partner. De verpleegkundige heeft in de verklaring opmerkingen gemaakt over de medewerking van klaagster bij de omgang tussen de ex-partner met de kinderen en over de rol van de ex-partner als vaderfiguur. De verpleegkundige heeft de verklaring ondertekend, mede namens de psychiater (hoofdbehandelaar) en de psycholoog (regiebehandelaar), die daarvan niet op de hoogte waren.

3.3       De verklaring luidt (onder meer) als volgt (citaten zijn inclusief eventuele taal- en typfouten):

“(…) Betreft: medische verklaring (…)

Geachte Heer [advocaat ex-partner]

Op verzoek van cliënt verklaren wij dat van november 2020 tot op heden in behandeling is (…)

Ondanks zijn vermoeidheid, gebrek aan energie en het ontbreken van soepele medewerking van zijn ex-vrouw slaagt cliënt er in om steeds de afspraken en verplichtingen die horen bij zijn vaderschap te vervullen en daarbij steeds het welzijn van zijn kinderen goed voor ogen heeft. Er is onzerzijds geen enkele reden om zorgen te hebben over de capaciteiten van cliënt om zijn vaderrol op een pedagogische verantwoorde en veilige manier te vervullen.

(…)

Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd

Mede namens [naam] psychiater

[naam] regiebehandelaar

[naam verpleegkundige] (senior s.p.v.)”

3.4       Klaagster heeft op 21 september 2021 verzocht de verklaring in te trekken. Dat heeft de psycholoog, mede namens de psychiater en de verpleegkundige op 23 september 2021 schriftelijk gedaan.

4.         De klacht en het verweer

4.1       Klaagster verwijt de verpleegkundige dat hij:

1. niet geverifieerde, en voor klaagster en haar kinderen schadelijke uitspraken heeft gedaan welke voor juridische doeleinden zijn ingezet als zijnde een medische verklaring;

2. daarmee een verklaring heeft afgegeven zonder gedegen onderzoek te doen, zonder aan te geven op welke feiten en bevindingen de conclusies zijn gebaseerd en zonder vermelding van bronnen die gebruikt zijn;

3. een gesprek wilde plannen om tot een omgangsregeling te komen terwijl er duidelijke richtlijnen zijn van Veilig Thuis en dit buiten zijn vakgebied valt.

4.2       De verpleegkundige heeft verweer gevoerd. Voor zover nodig wordt daar hieronder op ingegaan.

5.         Uitleg van de beslissing en de maatregel

Toetsingskader

5.1       Op het moment van het opstellen van de verklaring had de verpleegkundige een behandelrelatie met de ex-partner van klaagster, maar niet met klaagster zelf. Het college toetst het handelen van de verpleegkundige daarom aan de zogeheten ‘tweede tuchtnorm’ (artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG). De vraag die het college moet beantwoorden is of de verpleegkundige heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Het antwoord op deze vraag wordt mede ingevuld door de geldende beroepsnormen voor de verpleegkundige op het moment van het handelen.

5.2       Het handelen van de verpleegkundige moet getoetst worden aan de beroepsnormen van V&VN, de beroepsvereniging van verpleegkundigen. Van toepassing is de

V&VN-handreiking ‘Hoe ga je om met een verzoek van de zorgvrager om een verklaring af te leggen’ (hierna: de handreiking). De handreiking geeft aanknopingspunten voor de beoordeling door een verpleegkundige die een verzoek van een zorgvrager krijgt om een verklaring af te geven. Hierin is onder meer (op pagina 8 van de handreiking) bepaald dat het uitgangspunt is dat de verpleegkundige uitermate terughoudend is met het verstrekken van een verklaring aan derden op verzoek van de zorgvrager over informatie die de verpleegkundige tijdens de zorgverlening van of over de zorgvrager heeft gekregen en waarbij die verklaring bedoeld is voor gebruik buiten de gezondheidszorg. Die terughoudendheid geldt ook bij een verklaring met een waardeoordeel over de zorgvrager (pagina 9).

Klachtonderdelen 1 en 2

5.3       Omdat de klachtonderdelen 1 en 2 met elkaar samenhangen, worden deze hierna gezamenlijk behandeld. Klaagster verwijt de verpleegkundige – kort gezegd – dat hij zonder objectief onderzoek een verklaring heeft opgesteld en zich daarin schadelijk heeft uitgelaten over haar en haar kinderen. Ook verwijt zij de verpleegkundige dat hij zich heeft uitgelaten over de rol van de ex-partner als vaderfiguur. 

5.4       De verpleegkundige heeft aangegeven dat hij de verklaring heeft geschreven nadat de ex-partner had gevraagd de verklaring op te stellen om deze de volgende dag mee te kunnen nemen naar een minnelijk viergesprek met klaagster en hun beide advocaten. Door hieraan direct gehoor te geven, heeft de verpleegkundige kennelijk beoogd de ex-partner (professioneel) te helpen bij het viergesprek over het contact met zijn kinderen. Ondanks deze goede bedoeling, is het college van oordeel dat de verpleegkundige deze verklaring niet (op deze wijze) had mogen opstellen. Dat de verpleegkundige de verklaring direct en zonder medeweten van zijn collega’s heeft opgesteld en meegegeven aan de ex-partner, schept bij het college de indruk dat hij zich uitsluitend heeft laten leiden door het belang van de ex-partner. De verpleegkundige heeft de verklaring alleen gebaseerd op het verhaal van de ex-partner, zonder de juistheid daarvan te verifiëren en mogelijke andere betrokken belangen mee te wegen. De indruk van het college is dat de verpleegkundige zich onder (morele) druk heeft laten zetten. Naar het oordeel van het college had de verpleegkundige zich niet door die druk mogen laten leiden, vooral ook omdat hij jarenlange ervaring had (en heeft) als sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De verpleegkundige heeft zich hiermee niet beroepsmatig verantwoordelijk getoond (pagina 6).

5.5       Met de verklaring suggereert de verpleegkundige dat hij een oordeel kon geven over de ex-partner als vader en de medewerking van klaagster bij de omgang van de ex-partner met de kinderen. Die suggestie is onterecht; de verklaring bevat in feite slechts het verhaal van de ex-partner. De verpleegkundige heeft zich in de verklaring op niet-neutraal geformuleerde wijze uitgesproken over klaagster en de ex-partner en zijn oordelen gedeeld met een derde, de advocaat van de ex-partner. Vast staat echter dat de verpleegkundige klaagster niet heeft onderzocht. Ook staat vast dat de verpleegkundige niet is opgeleid om te (be)oordelen of de ex-partner tot verantwoord ouderschap in staat is. Dat behoort niet tot zijn deskundigheid (pagina 8 en 11).

5.6       De verpleegkundige heeft toegelicht dat hij zich niet gerealiseerd heeft dat de verklaring mogelijk op een later moment een rol zou kunnen gaan spelen in een gerechtelijke procedure. De verklaring is evenwel gericht aan de advocaat van de ex-partner. De verpleegkundige had dan ook moeten beseffen dat zijn verklaring zou (kunnen) worden gebruikt voor juridische doeleinden of ingebracht in een gerechtelijke procedure tussen klaagster en de ex-partner. Hij had zich moeten realiseren dat de verklaring vergaande gevolgen voor klaagster en de kinderen zou kunnen hebben (pagina 8).

5.7       Wat betreft de wijze van totstandkoming van de verklaring heeft de verpleegkundige uitgelegd dat hij de inhoud daarvan niet eerst heeft besproken met de hoofdbehandelaar en/of de regiebehandelaar. Omdat de ex-partner hem verzocht de verklaring te schrijven voor het viergesprek van de volgende dag, is dit vanwege tijdsgebrek niet gebeurd. Daardoor is de verklaring niet medeondertekend door de hoofdbehandelaar en de regiebehandelaar, terwijl hun namen daar wel onder staan. De verpleegkundige heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij van plan was de verklaring met deze collega’s te bespreken tijdens het behandelplanoverleg. Dit zou ongeveer drie maanden na het opstellen van de verklaring zijn. Deze (late) mededeling aan de collega’s neemt het onzorgvuldige en onprofessionele aspect bij de totstandkoming van de verklaring niet weg, nu dit zonder overleg met die collega’s is gebeurd. De verpleegkundige had het verzoek van de verklaring direct, voorafgaand aan de verklaring met de hoofdbehandelaar en de regiebehandelaar moeten bespreken. Juist omdat hij de verklaring mede namens hen heeft opgesteld en ondertekend.

5.8       De verpleegkundige heeft de handreiking niet toegepast en daarmee niet gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht. De verpleegkundige had de verklaring naar het oordeel van het college niet mogen opstellen. Niet alleen gelet op de inhoud van de verklaring, maar tevens gezien de wijze van totstandkoming daarvan. Hij heeft waardeoordelen gegeven waar dat buiten zijn deskundigheidsgebied ligt en zich niet beperkt tot het geven van objectieve en feitelijke informatie. Terwijl de verpleegkundige de verklaring wel mede uit naam van de regiebehandelaar en de hoofdbehandelaar heeft geschreven, heeft hij niet eerst met hen overlegd en aldus ook geen instemming gekregen.

Klachtonderdelen 1 en 2 zijn gegrond.

Klachtonderdeel 3

5.9       Klaagster stelt dat de verpleegkundige een gesprek wilde plannen om tot een omgangsregeling te komen, terwijl er duidelijke richtlijnen zijn van Veilig Thuis en dit buiten zijn vakgebied valt. De verpleegkundige heeft aangegeven dat hij contact heeft opgenomen met de ondersteuner van klaagster, maar alleen met de intentie om tijdens een gezamenlijk gesprek te onderzoeken of er verbetering mogelijk was in de communicatie tussen klaagster en de ex-partner.

5.10     Het college is van oordeel dat de verpleegkundige terughoudend had moeten zijn. Hij had zijn voornemen tot deelname aan het gesprek eerst moeten bespreken met de hoofd- en/of regiebehandelaar. Het was niet aan hem als sociaal psychiatrisch verpleegkundige van de ex-partner om zich proactief in deze gecompliceerde situatie te mengen. Zeker nu het gaat om het contact met de kinderen en uit de e-mailwisseling met de ondersteuner van klaagster blijkt dat de verpleegkundige op de hoogte was van het advies van Veilig Thuis.

Klachtonderdeel 3 is dan ook gegrond. De kennelijk goede bedoelingen van de verpleegkundige maken dat niet anders.

De maatregel

5.11     De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. De verpleegkundige heeft met zijn handelen de voor hem geldende beroepsnormen geschonden. Dit rechtvaardigt de oplegging van een maatregel.

5.12     Bij de beslissing welke maatregel passend is, weegt het college mee dat de verpleegkundige buiten zijn deskundigheidsgebied is getreden en heeft gehandeld mede namens zijn collega’s, zonder hun medeweten. Dit valt hem te verwijten. Daar staat tegenover dat de verpleegkundige zich toetsbaar heeft opgesteld en op de zitting heeft verklaard dat hij in een dergelijk geval in de toekomst anders zal handelen. De verpleegkundige heeft erkend dat hij naïef is geweest door een verklaring met deze inhoud op te stellen voor de advocaat van de ex-partner. Hij heeft aangegeven dat hij achteraf beseft dat hij zich beter had kunnen onthouden van het schrijven van de verklaring of dat hij deze ten minste eerst had moeten voorleggen aan de hoofd- en/of regiebehandelaar van de ex-partner. Ook betreurt hij het dat hij zich niet heeft beperkt tot het verstrekken van objectieve en feitelijke informatie. Dit alles maakt dat het college oordeelt dat kan worden volstaan met een waarschuwing.

5.13     Het college benadrukt hier dat het voor verpleegkundigen (en voor zorgprofessionals in het algemeen) cruciaal is om een zorgvuldige afweging te maken bij een verzoek van een zorgvrager om een verklaring, voor een doel dat buiten de behandelrelatie ligt. De beroepsgroep raadt aan terughoudend te zijn met het verstrekken van een dergelijke verklaring, zeker als het gaat om een verklaring aan derden, voor gebruik buiten de gezondheidszorg (zie ook onder 5.2). Omdat dit een aspect van algemeen belang is, zal deze beslissing in geanonimiseerde vorm in de Staatscourant worden bekendgemaakt en aan een vakblad voor publicatie worden aangeboden.

6.         De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht gegrond
  • legt de maatregel van waarschuwing op
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en voor publicatie aan de tijdschriften Nursing en V&VN Magazine zal worden aangeboden.

Aldus beslist door E.P. van Unen, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist, A. Petiet, W.M.E. Bil en C.E.B. Driessen, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van C.I.M. de Haan, secretaris, en uitgesproken door E.P. van Unen op 24 augustus 2022 in aanwezigheid van de secretaris.